Hoogste tijd voor een herwaardering van moderne 'zwarte kunst'

Het Londens Tate Modern maakt met Soul of a Nation een begin

Het Londense Tate Modern wil met de tentoonstelling Soul of a Nation de consequente onderwaardering van 'zwarte kunst' rechtzetten. Het is zeker een begin.

Muhammad Ali (1978) van Andy Warhol Foto Foto: The Andy Warhol Foundation for the Visual Arts, Inc. / ARS, NY en DACS, Londen

'Free at last! Free at last! Thank God Almighty, we are free at last!' Als gongslagen klinken de woorden van Martin Luther King over de tentoonstelling Soul of a Nation. Art in the Age of Black Power. Tussen de portretten van de zwarte bokser Jack Johnson en schrijver James Baldwin, een manshoge gebalde vuist van mahoniehout, fluorescerende affiches over een gewapende strijd voor 'Afro-Amerikaanse solidariteit' en een wandvullend schilderij met Ku-Klux- Klan-figuren lopen de rillingen over je rug - zelfs 54 jaar nadat King zijn I Have a Dream-rede voor het Lincoln Memorial uitsprak, tijdens de March on Washington in 1963, voor tweehonderdduizend demonstranten.

De rillingen zijn er ook in de wetenschap dat van de emancipatie van zwarte Amerikanen sindsdien - zoveel aanhoudingen, verdachtmakingen en moorden later - minder is terechtgekomen dan dominee King had gedroomd. Alleen daarom al is deze tentoonstelling in het Londense Tate Modern anno 2017 gerechtvaardigd. Ook omdat de expositie wil laten zien dat in de zwarte gemeenschap in Amerika, in de jaren zestig en zeventig, net zo driftig werd geschilderd en gebeeldhouwd als door andere bevolkingsgroepen. Net zo driftig, maar minder gezien, minder onderkend en minder gerespecteerd.

Daarom is Soul of a Nation georganiseerd. De tentoonstelling wil iets rechtzetten en het gapende gat opvullen dat de westerse kunstgeschiedschrijving heeft laten vallen, door na te laten deze zwarte kunstenaars in de canon van de moderne kunst op te nemen. Een tentoonstelling dus voor de gelijkberechtiging van zwarte kunstenaars uit de periode 1963-1983.

Dat is geen overbodige luxe. De expositie past bij het beeld en de wetenschap dat in Amerika de ongelijkheid voortduurt. Laat de recente, voor een Oscar genomineerde, documentaire 13th niet onverbloemd zien dat zwarten nog steeds slachtoffer zijn van moderne slavernij? Leidde het door een blanke geschilderde portret van de bruut vermoorde, zwarte tiener Emmett Till op de Whitney Biennial dit jaar niet tot de nodige ophef? En waarom weten we nog steeds niet wie de zwarte kunstenaars uit de jaren zestig en zeventig waren? William T. Williams, Betye Saar, Sam Gilliam, Ed Clark, Alma Thomas, Wadsworth Jarrell, ooit van gehoord?

De inhaalrace komt op een moment dat ook de grote overzichtstentoonstellingen, zoals in Kassel en Venetië, bezig zijn het belang van de witte, eurocentrische blik te relativeren en, belangrijker, die aan te vullen met wat u en ik niet weten van artistieke uitingen buiten het blanke Westen. Soul of a Nation is een belangrijk hoofdstuk in de herschrijving van de westerse kunstgeschiedenis. Met kunst die direct verband houdt met de bewustwording van de zwarte gemeenschap in Amerika, dankzij de opkomst van bewegingen als de Civil Rights Movement en Black Panther; met hoofdrolspelers als Martin Luther King, Angela Davis, Malcolm X, Stokely Carmichael en Muhammad Ali.

Muziek bij Soul of a Nation

Curator Mark Godfrey van het Tate heeft het platenlabel Soul Jazz vrij spel gegeven naar eigen inzicht een soundtrack bij de tentoonstelling Soul of a Nation te maken. Het resultaat is niet altijd voor de hand liggend. Rauwe funk, schurende free jazz en psychedelische soul van Roy Ayers, Joe Henderson en Horace Tapscott bewijzen dat de Amerikaanse zwarte muziek in hetzelfde tijdperk óók een enorme creatieve bloei doormaakte.

Black Unity (1968) van Elizabeth Catlett. Foto Foto: Catlett Mora Family Trust / DACS, London / VAGA, NY 2017

De tentoonstelling wil laten zien wat Black Art is, hoe weinig samenhangend die noemer misschien ook is, en waar haar wortels liggen. De oorsprong ligt namelijk niet in de blanke kunstgeschiedenis. 'Zwarte kunst' is gebaseerd op andere kleuren, het gebruik van uitbundige decoratiepatronen, met een nadrukkelijker gebruik van materialen, zoals verf en hout, schelpen en prikkeldraad.

Sinds de jaren veertig was less is more het adagium in de moderne kunst. Een motto dat werd aangewakkerd door de stelling van de toonaangevende criticus Clement Greenberg dat hoe vlakker en immateriëler een schilderij was, hoe beter het paste in de ontwikkeling die moest leiden tot de ontstoffelijking en waarde-vrijheid van de beeldende kunst.

Het was een mooi ideaal. Het gold alleen niet voor de zwarte kunstenaars, willen ze in Londen aantonen. Er heerst in de Tate een grote visuele uitbundigheid. Zie het glinsterende oppervlak van Howardena Pindells schilderijen, alsof ze diamantstof over het pigment heeft gestrooid. Of de portretten van Wadsworth Jarrell, die veel weg hebben van hallucinante platenhoezen. Er zijn verwijzingen naar traditionele totembeelden en houtsnijwerk uit Afrika. In de abstracte doeken van Frank Bowling zijn de kleuren rechtstreeks afkomstig uit de Ethiopische vlag. Sam Gilliams expressionistische canvas zit vol bloedrode vlekken en blijkt opgevouwen te zijn geweest als de lijkwade van Turijn. Het heet April 4 1969, de eerste verjaardag van de moord op Martin Luther King. En ja, dan hangt er aan het plafond ook nog een gordijn van prikkeldraad en kettingen, van Melvin Edwards.

Tekst gaat verder onder de afbeelding.

Icon for My Man Superman (Superman Never Saved Any Black People Bobby Seale) (1969) van Barkley L. Hendricks. Foto Foto: Jack Shainman Gallery, New York
Revolutionary Suit (1969) van Jae Jarrell.

Het oogt abstract, maar is gelardeerd met een beklemmend engagement. Veel doet denken aan 'witte' kunst, maar met een boodschap die is geënt op 'zwarte' problemen. Zo blijkt een vitrinekast met objets trouvés; een jasje, broek en speelgoedkarretje, te verwijzen naar de kleding die Martin Luther King droeg bij vrijheidsmarsen en naar zijn grafkist op een boerenkar. De versneden Amerikaanse vlag van David Hammond heeft een heel andere betekenis dan het beroemde exemplaar van Jasper Johns: geen artistiek statement, maar een maatschappelijke aanklacht. Zelfs het portret van Muhammad Ali, door Andy Warhol (de witte uitzondering in deze expositie) in rood, groen en zwart gezeefdrukt, verwijst naar de kleuren van de pan-Afrikaanse beweging.

In alles klinkt, opzichtig of onderhuids, een aanklacht tegen het gebrek aan burgerrechten door. Het feit dat Amerika, toch ook hun land, er niet voor zwarten was.

Het is begrijpelijk dat er een grote strijdlustigheid in het werk zit. Activisme met gebalde vuisten, schreeuwende gezichten, vurige kleuren, breed uitgeschreven slogans ('Free All Political Prisoners'). Er was wat te bevechten. Niet alleen de mensenrechten zelf, ook een plaatsje aan het officiële kunstfirmament: in de belangrijke musea en galeries. Niet dat de zwarte kunstenaars uit het galerie- en museumcircuit helemaal werden geweerd. Al eind jaren zestig konden velen hun kunst presenteren in toonaangevende instellingen als het Whitney en Metropolitan Museum. Maar het werk werd toch als een afgeleide gezien van het oeuvre van de witte kunstenaars, vergelijkbaar, maar niet kwalitatief onderscheidend. Te naïef, te decoratief, te propagandistisch, te weinig beeldend. Het paste niet in de artistieke lijn die de westerse kunstgeschiedenis had uitgestippeld, van Monet en Cézanne, via Picasso en Mondriaan, naar Donald Judd en Jan Schoonhoven.

We Shall Survive without a doubt (1971) van Emory Douglas. Foto Foto: Emory Douglas / Art Resource, NY

Die onderwaardering bracht een kunstenaar als David Hammons ertoe in de trant van Marcel Duchamp, Yves Klein of Jackson Pollock te werken, maar met volstrekt eigenzinnig materiaal: kroeshaar, botten, vette boodschappentassen. De verwijzingen mogen dan clichématig zijn, ze sloten volgens Hammons wel aan op zijn eigen belevingswereld en achtergrond.

Daarbij voelde hij zich als zwarte kunstenaar 'moreel verplicht' te verbeelden wat hij maatschappelijk onderging. Door die verplichting onderscheidt het werk van zwarte kunstenaars zich qua vrijblijvendheid van veel 'witte' moderne kunst. Waar het engagement bij blanke westerse kunstenaars meestal onder twintig lagen verf is weggemoffeld, ligt het bij hun zwarte collega's aan de oppervlakte; fluisterend of schreeuwend; onvermijdelijk en urgent.

Trane (1969) van William T. Williams. Foto Foto: Michael Rosenfeld Galery LLC, NY

Dat is het effect van een expositie als Soul of a Nation: je wordt je ervan bewust hoe smaakvol en artistiek verantwoord blanke kunst is, maar ook hoeveel minder maatschappelijk belangwekkend. De zwarte kunstenaars op deze expositie omarmen juist die maatschappelijke noodzaak. Het spijtige is alleen dat er een aparte tentoonstelling voor nodig is om dat duidelijk te maken. Het wordt tijd om zwarte en witte kunst bijeen te brengen als verschillend, maar gelijkwaardig. Zodat de moderne kunstgeschiedenis echt wordt herschreven.

Soul of a Nation. Art in the Age of Black Power. Tate Modern, Londen. T/m 22/10.

Middle Passage (1970) van Frank Bowling. Foto Foto Adam Neese / The Menil Collection, Houston.
Meer over