HOOFD VERSUS ONDERBUIK

De hedendaagse kunst is nog nooit zo weinig vooruitstrevend geweest als nu. Stilistische vooruitgang en artistiek onderzoek in dienst van een kunstzinnig idealisme zijn geen items meer....

Het is moeilijk in te schatten wat het is: retro, po-mo, sentiment ofgewoon vermoeidheid voor wat vernieuwend en onbekend is. Wie een galerie,beurs of museum bezoekt, ziet dat de hedendaagse kunst nog nooit zo weinigvooruitstrevend is geweest als op dit moment.

Zo hangen momenteel in De Paviljoens in Almere schilderijen van19de-eeuwse snit, terwijl het gaat om werk van eigentijdse (soms jonge)kunstenaars, als Sven Kroner, Arjan van Helmond, Ulf Puder en TjebbeBeekman. Hoewel de expositie Le peintre de la vie moderne heet (niettoevallig een verwijzing naar een essay van Baudelaire, uit 1863) zijn delandschappen, stadsgezichten en interieurs nadrukkelijk níet modern.Daarvoor is de stijl waarin ze zijn geschilderd te sferisch en romantisch.

Ze ogen net zo weinig vernieuwend als de kunstwaren die dit jaar op deFrieze Art Fair in Londen werden getoond en verhandeld: met een surplus aankitsch, arts & crafts, en retro-smaak, doorspekt met visuele grappenen grollen. Alles erg bekend, weinig verontrustend en zeker nietidealistisch. Met veel oud engagement (à la Barbara Kruger), miniatuurstedenbouw (zoals bij Constant Nieuwenhuys) en nageschilderde foto's (naarGerhard Richter).

Opvallend is ook de opleving van de performancekunst, met optredens vanJohn Bock en Paul McCarthy, die zich anno 2005 seksueel en anderszinsgrensverleggend uitleven, alsof ze nog in de burgerlijke jaren zestigleven. En wat te denken van de reprises van oude performances: dere-enactments van wat soms veertig jaar geleden te zien was? MarinaAbramovic voert binnenkort zelfs de performances, Aktionen en events op vanandere kunstenaars, zoals Joseph Beuys, Valie Export en Gina Pane. Wat maarweer eens aangeeft wat de rol en positie van de kunstenaar tegenwoordig is- en hoezeer die is veranderd tegenover het avant-gardisme van weleer.

Toen de Amerikaanse schilder Jackson Pollock in 1950 werd gevraagdwaarom hij zulke extreem abstracte schilderijen maakte, was zijn antwoorddat zijn leermeester Thomas Hart Benton zo'n traditioneel realistischeschilder was, dat hij als vanzelf de abstracte kunst in was 'gestuiterd'.

Pollock was op dat moment een vernieuwer pur sang: als een indiaandanste hij rond het schildercanvas om er met brede gebaren verf opslingeren. Hij was de eerste die de Amerikaanse kunst op de kaart zette,gangmaker van een abstracte stijl (met zijn revolutionaire drip-techniek),ontdekker van een nieuwe beeldopvatting én de eerste kunstenaar die zichde status van superstar kon aanmeten (wat zijn alcoholische ondergang in1956 aanmerkelijk heeft bespoedigd).

Toch gaf Pollock met zijn 'stuiter'-antwoord geen inhoudelijkeverklaring waarom hij met druipende verf begon te schilderen, en hoe hijdaarmee zo beroemd werd. Het zegt wel veel over het mechanisme achter hetbegrip avant-garde: blijkbaar is vernieuwing geen innerlijke noodzaak ofromantisch gevoel, maar een reactie van een jonge generatie op een oude.

In zijn recent verschenen boek The Modern Ideal. The Rise and Collapseof Idealism in the Visual Arts, noemt Paul Greenhalgh de leer dertegenstellingen - 'oppositionalism' - de drijvende kracht achter dedynamiek van de 20ste eeuw.

De belangrijkste impuls voor deze opvatting werd in het begin van de19de eeuw gegeven, door de Duitse filosoof Georg Hegel die het denken integenstellingen - de 'dialectische methode' - uitbouwde tot een universeelsysteem. Een historische noodzakelijkheid, met als doel te komen tot het'ware concept' van de 'absolute essentie'. Zijn vooruitgangsfilosofie werddestijds populair en toonaangevend, als filosofische onderbouwing vantechnische verbeteringen, wetenschappelijke vorderingen en economischevoorspoed (voor sommigen) die met name in de 19de eeuw een enorme vluchtnamen.

Voor de kunst betekende de filosofie een basis waarop dekunstgeschiedenis zou worden geordend: in tegengestelde stromingen diesteeds verder van de waargenomen werkelijkheid verwijderd raakten. Zo zouhet denken in de opeenvolging van classicisme, impressionisme,neo-classicisme, post-impressionisme, expressionisme, cubisme, abstractie,realisme, minimalisme en conceptualisme, zonder Hegel ondenkbaar zijngeweest. Afwisseling en progressie zijn de leidende krachten in de kunst.

Een ontwikkeling waarin de kunstenaar een historisch noodzakelijke rolspeelt. Met als resultaat dat de moderne, vooruitstrevende, baanbrekende,immer veranderende kunstenaar lange tijd de standaard heeft bepaald. Hijwas de 'katalysator' van de kunst, die met zijn allerindividualistischeuiting van zijn allerindividualistische ziel zorgde voor controverse endynamiek.

Kunstenaars die daaraan niet voldeden, behoorden niet tot de club vande 'echten'. Daarbij, kunstenaars werden niet geacht alleen de grenzen teverleggen, ze moesten de kunst ook nog eens in een bepaalde richting duwen.

Het is dat criterium waardoor kunstenaars als Manet, Monet, Cézanne,Picasso, Mondriaan, Beuys en Pollock konden uitgroeien tot zulkerolmodellen: innovatieve kunstenaars die het als hun heilige opdracht zagende historische grenzen te verleggen, in naam van een hoger doel. Eenideaal. De kunstenaar als front runner. Misschien maatschappelijk watonbeholpen of naïef, maar wel met een toekomstvisie.

Het is nog te vroeg om er een stellige uitspraak over te doen, maartoch: avant-garde kunstenaars van het kaliber Pollock zijn er niet meer.Stilistische vooruitgang en artistiek onderzoek in dienst van eenkunstzinnig idealisme zijn tegenwoordig geen items meer. Niet bij dekunstenaars, noch bij de museumdirecteuren en tentoonstellingsmakers. Ookbij die laatsten is er minder belangstelling voor de avant-garde. Zelfsvoor de historische avant-garde, zoals blijkt uit de manier waarop in hetGemeentemuseum Den Haag het werk van Mondriaan tegenwoordig wordtgepresenteerd.

De Nederlandse schilder is het rasvoorbeeld van een evolutionairkunstenaar. Filosofisch past hij precies in de Hegeliaanse opzet van demoderne kunst: richting vergeestelijking en de-materialisering. Hij zettede ideeën van Hegel - de zoektocht naar het 'ware concept' van de'absolute essentie' - om in verf, en was daardoor een van de eerstespirituele hoogtepunten van de beeldende kunst.

Maar ook binnen de evolutie van zijn eigen oeuvre was Mondriaan een wareHegeliaan: hij begon met molens en appelbomen en eindigde met lijnen, kleuren licht; Hegeliaans licht dat de versmelting van aardse en religieuzezaken symboliseerde, van stoffelijkheid en mystiek.

Wat blijkt: terwijl de afgelopen jaren in het museum de enespectaculaire thematentoonstelling na de andere werd georganiseerd, en inde kelder een aanstekelijk jeugdhonk vol voel-kunst is ingericht, zijn deschilderijen van Mondriaan liefdeloos tegen de grijze muren gespijkerd.Blijkbaar hebben ze binnen het museum de moed opgegeven om er nog iets vante maken. Hoewel ze de meest omvangrijke collectie Mondriaans in huishebben, inclusief zijn miljoenen kostende Victory Boogie Woogie.

Kennelijk is er een vermoeidheid ontstaan voor de onvermoeibarevoortgang der dingen. Dat alles anders moet zijn, beter, nieuw. Natuurlijk,de kunst blijft veranderen. Ieder seizoen worden er verse werken, nieuwetalenten en andere thema's gespot. Met dit verschil: dat de termenontwikkeling, progressie en innovatie niet langer de drijvende krachtenzijn achter de kunstproductie.

En misschien is dat ook wel nooit het geval geweest. Greenhalgh rekendevoor zijn boek uit dat op de grote overzichtstentoonstelling van19de-eeuwse kunst in Parijs, in 1889, maar 1,5 (!) procent van hetgeëxposeerde werk als 'modern' kon worden gekwalificeerd, als jemodernisme definieert in termen van vooruitgang, het slechten vanbarrières en het stellen van nieuwe standaards. En volgens hem is datpercentage sindsdien niet veranderd.

Lange tijd heeft het dictaat - en de dictatuur - van de vooruitgangbinnen de kunst de ogen verblind voor wat er, naast de avant-garde, ook noggaande was.

Het verklaart, op zijn minst ten dele, de overstelpende aandachttegenwoordig voor vergeten schilderijen, tekeningen en sculpturen uit de19de-eeuw, zoals op de tentoonstelling Meesters van de Romantiek in deRotterdamse Kunsthal te zien is. Kunstwerken die voor het beeld van dekunstgeschiedenis als een vooruitstrevende ontwikkeling niet interessantzijn geweest. Wat ook geldt voor bijvoorbeeld de thematentoonstellingenover melancholie (Grand Palais, Parijs) of geschilderde liefdesbrieven(Love Letters: Dutch Genre Paintings in the Age of Vermeer, NationalGallery, Dublin).

Kennelijk keert de blik zich tegenwoordig af van de kleine groepavant-gardisten, naar die andere 98,5 procent van de kunstpopulatie.Kunstenaars die al twee eeuwen als niet modern, niet baanbrekend en nietrichting bepalend worden gezien - wat ze ook niet waren, maar wat het werkniet minder interessant maakt.

Want dat is wel het voordeel van deze ontwikkeling: het loslaten van hetvooruitgangsprincipe biedt zicht op wat er in de afgelopen decennia eneeuwen is vergeten. De witte vlekken, die al dan niet bewust in degeschiedenisboeken zijn leeg gelaten, worden ingekleurd - in bonte tonendie voorheen als kitsch, retro en maniëristisch werden beschouwd. Hetlevert een gevarieerd aanbod op van exposities van de Fransesentiment-schilder Girodet (Parijs), een revisie op de kunst uit de jarentachtig (Flashback, Basel) en een beeld van de Nieuwe Romantici als DavidThorpe en Peter Doig (Frankfurt).

Anekdotisch, vervreemdend, ontroerend, verleidelijk - het zijntegenwoordig adequatere beschrijvingen van hoe de kunst er uit ziet, danavant-gardistisch en revolutionair. Natuurlijk, de terugkeer van het gevoelen het sentiment past helemaal in de wet van de grote bezoekersaantallen.Het is een museale tactiek om meer publiek binnen te krijgen. Het is ookmeer.

De exposities zijn niet historiserend, maar evocerend en sentimenteel.Vol weemoed en liefdesverdriet, noodlottigheden en spleen. Ze stellen onsin staat de kunstwerken te gaan waarderen voor wat ze zijn, en níet voorde rol die ze spelen binnen een historische ontwikkeling. Of omdat zealleen maar een onderdeel zijn van een Hegeliaanse evolutie.

Het betekent de terugkeer van de intuïtieve waarde van kunst, zoalsDonald Kuspit die in zijn vorig jaar verschenen boek The End of Art voorzagen bepleitte, en de terugkeer van schoonheid en esthetiek. Gevoelens diedecennialang over het hoofd werden gezien en die in eerste plaatsappelleren aan de onderbuik, en daarna pas aan het hoofd. We zouden hethaast vergeten zijn.

Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met de Volkskrant?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van de Volkskrant rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright @volkskrant.nl.
© 2021 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden