Honger naar echt; SUPEREGO'S DOMINEREN LITERATUUR

DONALD DUCK draagt een matrozenjasje. Geen broek om z'n donzige onderlijf, want dat is nergens voor nodig. Hij heeft vier vingers aan iedere hand, en een grote, gele mond....

Verhalen zijn het echte leven niet, dat weet een kleuter, maar zij vertellen iets over de wereld, de onze, de enige die we hebben. Verhalen zijn verzinsels, maar daarom nog niet onwaar. Goede schrijvers liegen de waarheid. In de tijd waarin de roman geboren werd, de achttiende eeuw, begrepen de lezers, kleuters van de Nieuwe Tijd, dat niet vanzelf. Daarom hadden die vroege romanschrijvers trucs nodig om te laten zien dat hun verzonnen wereld op de echte leek: zij schreven een roman-in-brieven, een gefingeerd dagboek, een bericht in een fles gevonden. Zij voerden een luid orerende verteller ten tonele, die de lezer met vaste hand door het verhaal trok.

Totdat in de negentiende eeuw schrijvers als Flaubert en Zola vonden dat het maar eens afgelopen moest zijn met die flauwe trucs. De lezer begreep inmiddels toch wel dat de samenleving die zij zo genadeloos blootlegden, een projectie was van het mensenbeweeg van alledag. Dat hun Emma en Nana geen wezens van vlees en bloed waren, maar wel dachten en treurden als veel vrouwen, sterker nog, als veel mannen - als Flaubert en Zola zelf. En dat zij het waren die hun sombere visie op het leven gaven, zonder pontificaal in hun romans plaats te nemen. De grote, Europese roman was geboren.

En nu, anderhalve eeuw later, wankelt dat strenge literaire dogma: dat een roman een eigen wereld schept. Zelfs het laatste schaamlapje van de fictie, het plichtmatige zinnetje 'iedere overeenkomst van personages met bestaande figuren moet als toevallig worden beschouwd' dat aan veel romans voorafgaat, viel af. Het werd trouwens toch al opgevat als een teken dat de schrijver eens flink autobiografisch zou uitpakken.

Het merendeel van de literatuur van de jaren negentig verhaalt van het leven van de schrijver zelf. Dat geldt zowel voor debutanten als voor schrijvers met een flink oeuvre. In recente romans sterven vaders, sneuvelen huwelijken, valt de Grote Liefde dood neer, zien baby's het licht, worden polsen doorgesneden, en zetten pubers zich af tegen hun ouders. Net zoals bij de lezer thuis. De ik-verteller heet Tjit, Adriën of Connie, en soms heeft hij een schuilnaam, maar de doden die zij beschrijven zijn morsdood, de liefde was echt, de wrok groot, het verdriet niet minder. Alsof de lezer zo langzamerhand maar eens moet begrijpen dat romanpersonages mensen van vlees en bloed zijn. Dat het maar eens afgelopen moet zijn met dat literaire schimmenspel. Want is niet ieder mens een literair halffabrikaat dat, na enig poets- en slijpwerk, zo in een roman kan? Is niet ieder mens een personage in zijn eigen geschiedenis; ieder leven een Verhaal? Als een schrijver iemand kan verzinnen, kan iemand ook jou verzinnen. Waarom dan niet jezelf herscheppen? En ach, wat wij 'het leven' noemen is immers ook niet meer dan een handvol illusies. Fictie, zo je wilt. We zijn rond.

In de twee eeuwen durende uitputtingsslag die de literatuur nodig had om de verbeelding de nek om te draaien - in Nederlandse termen van Betje Wolff tot Connie Palmen - zijn alle uithoeken van de fictie grondig verkend. Horror, sciencefiction, neoromantiek, magisch realisme, satire, metafictie, documentaire fictie en postmodernistische mengelmoesjes van dit alles. Jorge Luis Borges, die meende dat literatuur alleen nog over literatuur kon gaan, kreeg gelijk, zoals onvermijdelijk ook iedere film aan films refereert. Misschien is het wel dodelijke vermoeidheid, veroorzaakt door het besef dat 'alles' al gedaan is, die schrijvers doet terugvallen op hun enige, onvervreemdbare zekerheid, het ik. En zelfs dat microthema roept genoeg vragen op: wie ben ik, waarvoor leef ik, hoe ben ik zo geworden, ben ik echt, ben ik vals, doe ik ertoe? De vraag naar de eigen identiteit is aan het eind van de twee christelijke millennia de hamvraag geworden.

Dit keer bekroonde de jury van de Libris Literatuur Prijs, geheel in de geest van de tijd, een hyperrealistische, onmiskenbaar autobiografische roman. Een vuistdikke tranche de vie, derde portie van het volkorenbrood in zeven delen dat J.J. Voskuil in gedachten heeft, en waarvan er nu vier verschenen zijn. Toch kun je de jury, overstelpt met 180 proza-inzendingen waarvan een groot deel (semi-)autobiografisch, niet verwijten dat 'zij een goede neus heeft voor toptienboeken', zoals Jaap Goedegebuure onlangs deed in HP/De Tijd. Figuranten van Arnon Grunberg werd goed verkocht, Het lied en de waarheid van Helga Ruebsamen ook, maar nog lang niet zo goed als Jung Changs Wilde zwanen of Het geheim van Anna Enquist, waarvoor meer dan honderdduizend lezers de deur uit holden. Op de CPNB-tophonderd van vorig jaar komt Het bureau 3 niet voor, Gemis van Manon Uphoff, Uit het paradijs van Nelleke Noordervliet, en Tussen mes en keel van Geerten Meijsing evenmin.

O P DE autobiografische meetlat scoren de zes romans wel hoog. Alleen van Noordervliets boek - over een man die wil weten hoe hij werd verdreven uit het paradijs van zijn jeugd - kun je moeilijk volhouden dat het over haar eigen leven gaat. Van Het bureau zijn intussen alle details door journalisten gecheckt: ja, zo ging het precies, daar op het P.J. Meertensinstituut, waar de schrijver zich als chef volkskunde decennialang met lange tanden een weg door de kaartenbakken vrat.

Dat de jury in haar beoordelingsrapport het winnende boek, en de andere genomineerde romans, niet aanprijst vanwege het autobiografische karakter, maar juist om de superieure vorm, waardoor zij het genre van de 'bekentenisroman' te boven gaan, is niet een opzichtig 'hameren op het aambeeld van de esthetica', zoals Goedegebuure schrijft, maar een vanzelfsprekende keuze. Er stond hier immers literatuur ter discussie. Wat hadden de juryleden dan moeten doen? Roepen dat ze zo gehuild hadden? Dat het bij hen op kantoor 'precies zo gaat'? Dat het zo 'dapper' was van Meijsing om met het 'onopgesmukte' verslag van zijn depressie voor de draad te komen, in een tijd dat het 'echt gebeurd' je van alle kanten om de oren schalt, en de boeken van bekende en 'gewone' Nederlanders die luidkeels hun leed uitventen, hoog opgetast naast de kassa liggen?

'Herkenning' mag geen doorslaggevend literair criterium zijn. Voor identificatie alleen hebben we de literatuur niet nodig. Daartoe kun je terecht bij de vele lief & leed-programma's op de tv, van Oprah Winfrey tot Robert ten Brink, waarin incestervaringen breed worden uitgemeten en gescheiden gelieven elkaar weer snikkend in de armen vallen. Of bij vele niet-literaire egodocumenten, in de folder van de ECI 'Aangrijpende Boeken' genoemd. Levensverhalen met titels als Prozac Nation, Het begon met een knobbeltje, of Leven met een geestelijk gehandicapt kind, ongetwijfeld van groot therapeutisch nut voor lotgenoten en voyeurs. Literatuur is geen welzijnswerk. De Libris-jury kon alleen maar kiezen voor Voskuils boek ondanks het autobiografische karakter ervan.

Meijsing en zijn uitgever mogen dan ironisch gebruik gemaakt hebben van de egomode door Tussen mes en keel aan te bieden als een 'zelfhulpboek' voor suïcidalen, in feite verschilt dit boek weinig van een roman als Veranderlijk en wisselvallig: het miskende schrijverschap, de onwillige muze en de botsing van hoge artistieke idealen met het platte leven zijn vertrouwde, romantische Meijsing-thema's. In een interview met Humo relativeert Meijsing het waarheidsgehalte van zijn boek: 'In een roman kun je de waarheid beter dienen. In plaats van je eigen emoties creëer je nieuwe emoties.' En juist dat creëren scheidt literatuur van gevoelsuitstortingen.

Bij J.J. Voskuil ligt dat wellicht anders. Bij hem is het wel degelijk de bedoeling de werkelijkheid zo dicht mogelijk te benaderen. In de duizenden pagina's van de drie delen van Het bureau heb je aanvankelijk het idee de notulen van een nimmer eindigende kantoordag te lezen. Maar wat dit werk tot een roman maakt, is de verdichting van al die beleefde dagen tot de beschreven momenten, en de blikvernauwing van een schrijver die zich geknecht en gevangen voelde in een zinloos bestaan.

In het januari-nummer van Bzzlletin sprak Voskuil zich uit voor het puur identificerend lezen: 'Op het moment dat ik mijzelf (. . .) niet meer kan spiegelen, verlies ik iedere belangstelling. Dat is eigenlijk de vraag bij alles wat ik lees: herken ik mijzelf en leer ik iets van de wijze waarop deze man leeft? (. . .) Ik zoek schrijvers die op een directe wijze over zichzelf praten en rekenschap afleggen over hun leven.' Tussen echte en 'gecreëerde' werkelijkheid bestaat voor Voskuil kennelijk weinig verschil. Dat is ook de reden dat lezers die niet hunkeren naar herkenning, vaak moeite hebben zich door deze geboekstaafde ervaringen te worstelen.

I N ZIJN studententijd werd Voskuil gegrepen door het pleidooi voor 'de vent' in de literatuur, een voorkeur die Ter Braak en Du Perron in hun tijdschrift Forum in de jaren dertig hartstochtelijk beleden. Dezer dagen laait die oude discussie weer op en wordt de schijntegenstelling vorm-vent weer van stal gehaald. In zijn 'persoonlijke kroniek' Liefde is een zwaar beroep, die onlangs uitkwam in de reeks Privé-domein van de Arbeiderspers, nam Rogi Wieg een pamflet op met de titel 'Het lef om van je lyrisch ik een ik te maken'. Hij pleit daarin voor een 'nieuwe vent-literatuur' en roept schrijvers op zich meer te bemoeien met de actuele werkelijkheid. Want: 'Zijn er in dit land dan geen grote zorgen? Is er niets meer om voor of tegen te vechten?' Een 'vent' is voor hem Frans Kellendonk die een nieuwe morele standaard wilde stellen, of Willem Jan Otten die stelling nam tegen de zelfmoordpil van Drion. Geen schrijvers van 'steriele fictie', die - zoals volgens Wieg gebruikelijk in Nederland - zich laf verschuilen onder 'intellectuele dekmantels', maar kerels die de moed hadden 'iets te doen voor Nederland'.

Wieg haalt hier twee dingen door elkaar. Autobiografisch schrijven impliceert niet vanzelf dat er een ferm standpunt wordt ingenomen over maatschappelijke 'kwesties'. Integendeel, de meeste 'echte ikken' die de laatste jaren aan het woord zijn, tonen geen enkele belangstelling voor de wereld buiten hun eigen gekwelde ego. En wat doet Rogi Wieg zelf 'voor Nederland'? Hij verhaalt in zijn 'persoonlijke kroniek' van zijn moeizame liefdesleven, zijn kolossale libido en zijn talrijke literaire vetes. Dat is ook een ander soort 'rekenschap afleggen' dan Voskuil voor ogen staat.

De vorm-opvatting heeft eveneens een nieuwe pleitbezorger. P.F. Thomése fulmineert in het laatste nummer van De Revisor terecht tegen de 'narcistische samenzwering' van uitgevers, schrijvers en publiek, die elkaar vinden in hun honger naar het 'echte leven'. Want 'echt' vult de uitgeverskas, kan een welkome uitweg zijn voor een schrijver zonder ideeën en brengt een enorme hoeveelheid gratis publiciteit teweeg, die zelden aan schrijvers ten deel valt bij wie de verbeelding op volle toeren draait - daarin heeft Thomése zonder meer gelijk. Maar of gerichtheid op de 'vorm', waartoe Thomése oproept, het narcisme tegengaat, valt te betwijfelen. In de beste autobiografische romans van de laatste jaren, zoals Gesloten huis van Nicolaas Matsier, Asbestemming van A.F.TH. van der Heijden en Tussen mes en keel van Geerten Meijsing, is het wel degelijk de 'vorm' die stuwkracht geeft aan het verhaal. Maar wat je er niet in aantreft, is iets als 'visie' op de wereld buiten de eigen muren, een verbeelding die voor spiegeleffecten zorgt.

G ROTE ROMANS doen altijd wezenlijke uitspraken over 'de wereld' en het is altijd de vorm die een visie dwingend maakt. Faulkner, Bellow, Tsjechov, Couperus en Hermans schreven geen 'steriele fictie', maar etaleerden evenmin een groot, kwetsbaar ego. Zij situeerden hun werk in hun eigen tijd en omgeving, maar die 'waarheid' bleek bestand tegen de tand des tijds. 'Vorm' én 'vent' zijn noodzakelijke voorwaarden voor literatuur die langer beklijft dan een hype kan duren.

'Sincerity is a trick, like any other', schrijft de Engelse schrijver Blake Morrison in het openingsstuk van zijn essaybundel Too True. Hij stelt daarin voor de grenzen tussen fictie en non-fictie vloeiend te houden. Beide, schrijft hij, onthullen een 'waarheid', er is altijd een schrijver die selecteert, ordent, construeert, die een verhaal schept uit een rommelige berg feiten. Dat is waar, maar het soort faction waar Morrison op doelt - en dat hij zelf schrijft - verschilt hemelsbreed van de egodocumenten die het bij ons zo goed doen. Het is superieure journalistiek, bij uitstek gericht op 'de wereld', geënt op verifieerbare feiten, maar vervaardigd met literaire middelen en bedoeld om verder te reiken dan de waan van de dag.

Faction is in de angelsaksische literatuur al sinds de jaren zestig een populair genre, met als grote voorbeeld In Cold Blood van Truman Capote, een gefictionaliseerd verslag van een gruwelijke moordpartij in Kansas. Dat boek liet zien dat de werkelijkheid erger is dan de ziekste geest kan bedenken, maar om de lezer te raken is een krachtige schrijvershand vereist. Journalisten leenden in de jaren zeventig trucs van de literatuur: een reportage moest in de eerste plaats een 'verhaal' zijn, met helden, schurken en slachtoffers, cliffhangers en flash backs. Literatuur en new journalism gingen op elkaar lijken, en de vraag 'wat is nog echt, wat niet?' werd in dat schemergebied bijzaak; alleen het fraaie verhaal telde.

Ook in Nederland worden actualiteit en historie steeds meer gefundenes Fressen voor romanschrijvers. Een geslaagd voorbeeld is De ordening van Kees van Beijnum. Hij liet zich inspireren door het leven van de weduwe Rost-Van Tonningen, maar zijn verhaal drijft ver weg van de feiten: hij laat overtuigend zien hoe deze vrouw het leven van een meisje dat haar archief ordent, beslissend verandert. De 'roman' van Jan Tetteroo over de verkrachtingsaffaire van Patrick Kluivert, De fantastische Boris Engel, toont hoe makkelijk dit genre perverse trekjes krijgt: de herkenbaar neergezette spits die iemand doodreed en met zijn kompanen een meisje verkrachtte, is een gouden, gratis personage. Zo verzin je ze niet, en zo pik je ook nog even wat Ajax-gekke lezers mee. En zo kun je ook zonder journalistieke bewijsplicht van alles en nog wat beweren over Kluivert, het gaat immers over Boris Engel. Fictie dus. Gemakzucht kun je het ook noemen.

Heeft de verbeelding het afgelegd tegen de realiteit, die altijd een graadje erger is? Zullen schrijvers voortaan teksten vervaardigen voor lezers, die instant-bevrediging eisen van hun honger naar echt, die de huiver pas in hun leden voelen als ze weten dat er geen iota aan verzonnen is? Het moment dat het publiek overvoerd raakt van zoveel echtheid, van al die langstrekkende home movies, moet nabij zijn. In de tv-uitzending rond de Libris-prijs sprak een volgens het Sociaal Cultureel Planbureau volstrekt atypische lezer (want man, jong en veellezer) gedenkwaardige woorden: 'Het is toch de kracht van de literatuur dat je je niet hoeft af te vragen of het echt gebeurd is?' Zulke lezers zijn er; zij willen zich verliezen in de verbeeldingswereld van een ander.

Zij kunnen nog wel iets van hun gading vinden. In Babylon bijvoorbeeld, de ambitieuze roman waarin Marcel Möring de lof zingt van het vertellen, van verhalen die onze cultuur hebben gevormd. Opvallend is wel dat ook deze roman - net zoals Orville van Dirk van Weelden, die eveneens gaat over de magische kracht van het vertellen - de identiteitsvraag stelt. Wie zijn wij, waar komen we vandaan, wat kan ons leiden? Het zijn dezelfde vragen, maar de methode verschilt.

De tijd waarin schrijvers bouwden aan een groot, mythisch wereldbeeld is voorbij. Na de 'grote drie' - Hermans, Reve, Mulisch - is er geen megalomaan meer opgestaan die de moed daartoe heeft. De behoefte om zin te geven aan de chaos, in een hecht oeuvre dat aan eigen wetten gehoorzaamt, is de literatuur nu vreemd. En misschien kan dat ook niet meer. Wij weten dat ieder gevoel, iedere gedachte, iedere observatie arbitrair is. Alles is chaos, daar is geen ordenen meer aan. Wie zingeving wenst, wende zich tot De Celestijnse belofte.

Ian Mc Ewan, schrijver van Enduring Love, een van de mooiste romans van de laatste jaren, zei onlangs in HP/De Tijd: 'Als ik iets in een roman lees dat ik heel goed vind en ik ontdek dat het echt gebeurd is, vind ik het meteen minder goed. Ik vind het belangrijk om een illusie te creëren.' Zijn boek is een fascinerend verhaal over een stalker, een man die zich vastbijt in een man die hij ontmoet bij een bizar ongeluk, en liefderijk diens leven verwoest. Huiveringwekkend, verzonnen, en daardoor waar. Schrijvers van dat kaliber zijn er ook in Nederland. Een roman die laat zien dat de 'waarheid' niet noodzakelijk in het eigen leven besloten ligt, wat zou dat mooi zijn.

Aleid Truijens

Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met de Volkskrant?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van de Volkskrant rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright @volkskrant.nl.
© 2021 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden