Boekrecensie ‘Achteraf heb ik er spijt van dat ik goed kan schieten’

Honger, incompetentie en brandende kampongs: dagboek van soldaat die goed kon schieten (drie sterren)

Onomwonden beschreef dienstplichtig soldaat Theo van Roij van dag tot dag wat hij op Sumatra meemaakte. De schriften verdwenen na zijn thuiskomst in 1950 in het nachtkastje. Postuum is het dagboek nu uitgegeven, een nuttige bijdrage aan de geschiedschrijving.

Foto Deborah van der Schaaf

In de langdurige en indringende discussie over de vraag of het door Nederlandse soldaten toegepaste geweld tijdens de onafhankelijkheidsstrijd van Indonesië nu incidenteel of structureel is geweest, heerst thans windstilte. Wetenschappers van drie historische instituten zijn begonnen met een door de regering gefinancierd diepgravend onderzoek – eindelijk. Na jarenlange weigering ging het vorige kabinet-Rutte door de bocht. De publicatie van twee studies deed wonderen: een intensief onderzoek naar brieven en dagboeken van betrokken soldaten (door Gert Oostindie) en het opzienbarende promotie-onderzoek De brandende kampongs van Generaal Spoor (door Rémy Limpach). Als een onverwachte bijdrage aan het onderzoek verscheen deze maand opeens het lijvige dagboek van een van de 220.000 soldaten die Nederland daar destijds inzette, Theo van Roij. Met de veelzeggende titel: ‘Achteraf heb ik er spijt van dat ik goed kan schieten.’

Theo van Roij, een zeer katholieke jongen die begin 1948, 20 jaar oud, de reis naar de Oost maakt, besluit vanaf de eerste dag op te schrijven wat hij meemaakt. Hij doet dat plichtsgetrouw nagenoeg elke dag, en besluit weinig of niets te verzwijgen. Als hij in 1950 terugkeert, verdwijnen de zes schriften waarin zijn Indische periode is vastgelegd in het nachtkastje naast zijn bed. Daar blijven ze, tot na zijn dood in 1994. Zoals zovelen heeft Theo nooit over zijn belevenissen willen praten – hij zou toch niet begrepen worden en hij had het allemaal al opgeschreven. Uiteindelijk is het dagboek 24 jaar na zijn dood toch verschenen, van een inleiding en enige toelichting voorzien door Bob de Graaff, hoogleraar Intelligence en Security Studies in Utrecht. Zijn echtgenote is een nichtje van Theo van Roij.

‘Achteraf heb ik er spijt van dat ik goed kan schieten’

Indië-dagboek van Theo van Roij, 1948-1950

Ingeleid en bewerkt door Bob de Graaff

Boom; 396 pagina’s; € 32,50

Ook bij Theo van Roij branden de kampongs. Hij zat zijn hele periode op Sumatra, waarover aanzienlijk minder egodocumenten beschikbaar zijn dan over Java. Ook in Theo’s gebied was de strijd soms grof en hevig, vooral in het laatste jaar toen de republikeinse strijdgroepen en de Nederlandse eenheden in een guerrillaoorlog waren beland en het aantal slachtoffers aan beide kanten snel opliep. Theo, een voortreffelijk schutter, leverde zijn aandeel – hij schrijft daar onomwonden over.

En toch is dat niet het meest in het oog springende element in zijn dagboek. Dat is, gek genoeg, de structurele ondervoeding van de soldaat te velde. Klagen over het eten is weliswaar altijd een vast onderdeel van de militaire dienst geweest, maar Theo van Roij en zijn collega’s leden blijkens dit dagboek structureel honger. Al snel begonnen ze kippen te stelen om die te slachten, te koken en als bijvoeding te gebruiken. Vervolgens werd de zwijnenjacht een vast onderdeel van de dagbesteding. Vrijwel de hele diensttijd verloor soldaat Van Roij gewicht en slaagde de legerleiding er niet in om hem en zijn maten fatsoenlijk te voeden.

Het tweede opvallende element is niet nieuw maar minstens zo bizar: het falende gezag van de commandanten. De soldaten opereerden vaak zoals zij dachten dat het zou moeten en trokken zich weinig aan van leidinggevenden die ze als incompetent beschouwden (een van hen kreeg de bijnaam ‘kachelhout’). Theo sloeg zelfs een keer zijn sergeant op z’n bek – de kans op straf was beperkt, want de commandanten konden geen man missen. De enige keer dat Theo acht dagen zwaar arrest kreeg, was toen hij in een klachtbrief de bloedarmoede onder de soldaten toeschreef aan het beroerde eten. Toen dat naar buiten kwam, was Theo de klos.

In het dagboek van Van Roij is sprake van de paradox die al eerder is beschreven bij Nederlandse jongens die oorlog voerden in de tropen: hij blijft steun vinden in zijn godsgeloof, snakt vaak naar de komst van de aalmoezenier zodat hij de heilige mis kan bijwonen en kan biechten – maar op het punt van in de strijd toegepast geweld vervagen zijn normen snel. Bij een actie in de maand juni 1949 noteert hij koel hoe zijn troep op een post van de tegenstander stuit: ‘Een man ging er vandoor, de rest werd gevangengenomen en toen zonder meer neergeschoten, behalve de kapitein, die werd gevangengenomen en meegenomen.’ Twee dagen later wordt die ‘met een klewang afgeslacht’. Als hij het resultaat van de actie opsomt, eindigt Theo met ‘ongeveer vijftig woningen afgestookt’. Het waren bandieten, schrijft hij de volgende dag, die je net zo moet behandelen als zij ons hebben behandeld. ‘God wees hun zielen genadig, en hebben wij fout gehandeld, dan vragen wij vergiffenis.’

Dagboeken van mensen die onomwonden schrijven wat ze meemaken – dat zijn buitengewoon nuttige bronnen voor onderzoekers die willen analyseren wat er in dat meest omvangrijke militaire conflict uit onze geschiedenis precies is gebeurd. Officiële actieverslagen en legercommuniqués kunnen daar niet aan tippen. Maar (vrijwel) integrale publicatie heeft wel een nadeel. De lezer moet door vele tientallen pagina’s verveling heen, waarin helemaal niets gebeurt. Wachten, wachtlopen, en daarna weer heel lang wachten – het vormde de kern van het bestaan van Theo van Roij en duizenden van zijn collega’s. Die beschrijvingen van het absolute niets maken dagboeken wel geloofwaardiger, maar niet aantrekkelijker om te lezen. Nog zo’n paradox: net als de soldaat ga je als lezer hopen dat er weer eens wat gebeurt.

Meer over