Honderd miljoen beertjes

Nederland kent oudere en chiquere pocketreeksen, maar geen werd er zo populair als de Zwarte Beertjes. De serie van Havank, Simenon en The Saint viert dit jaar haar vijftigste verjaardag....

In een trappenhuis van A.W. Bruna Uitgevers staat een manshoog knuffelbeest - een pluizig gevaarte met zwarte oortjes en een wipneus, dat met holle ogen over een Utrechts bedrijventerrein staat uit te kijken. In dit berenpak moet uitgever Albert Willem Bruna ooit op een van zijn roemruchte feesten hebben rondgewandeld. De mottige vacht is aan een poetsbeurt toe, want na jaren waarin er weinig te vieren viel, is een nieuw feest ophanden: de pocketserie Zwarte Beertjes, Bruna's succesvolste imprint, beleeft dit jaar haar vijftigste verjaardag.

De uitgeverij mag dan sinds lang geen trots familiebedrijf meer zijn (na een roemloze overname begin jaren tachtig ressorteert Bruna tegenwoordig onder PCM Algemene Boeken), als een van de oudste Nederlandse pocketreeksen verkeren de Zwarte Beertjes in blakende gezondheid. Sinds het allereerste deeltje in 1955 - Tjeerd Adema's De dood van apotheker Dekkinga - zijn er meer dan drieduizend verschenen, in een gezamenlijke oplage van tegen de honderd miljoen stuks.

Het leeuwendeel van dat verbluffende aantal komt op rekening van een groepje vertrouwde Bruna-namen: notoire veelschrijvers als Simenon, Havank, Leslie Charteris, Ian Fleming, Jean Bruce en Gérard de Villiers, die de uitgeverij met hun populaire, seriegewijs geproduceerde suspense aan haar eerste miljoenen hielpen. Soms was het een kwestie van volhouden, zoals bij Ian Fleming, wiens agent 007 pas een begrip werd toen de eerste James Bond-film Dr. No (1962) in Nederland te zien was geweest. Het hek was van de dam: binnen enkele weken kon Bruna een paar honderdduizend Flemings bijdrukken.

Moord en doodslag zetten hun stempel op de serie, maar sinds de overname door PCM hebben de detectives niet meer het rijk alleen. Romantiek en populaire non-fictie, die in de beginjaren ook ruim vertegenwoordigd waren, hebben hun rentree gemaakt. 'Zwarte Beertjes staan bekend als spannende boeken', zegt Renée Swaalf, die bij PCM verantwoordelijk is voor de pocketseries. 'Maar wij vonden dat de reeks zo'n sterk imago heeft, dat er ook andere genres in passen, zoals de zelfhulpboeken van Wayne Dyer en de romans van Maeve Binchy.'

Het boeken kopende publiek, dat niet toevallig steeds meer vrouwen telt, lijkt het daarmee eens te zijn. Terwijl pockets het door de opkomst van midprice-reeksen moeilijk hebben, is het marktaandeel van de Zwarte Beertjes de afgelopen jaren gegroeid. Dit jaar zullen omstreeks 140 nieuwe titels verschijnen, 'minstens tien per maand'.

Swaalfs conclusie luidt dat de beertjes onveranderd 'een sterk merk' blijven. Tekenend is dat onder de paraplu van PCM ook auteurs van Het Spectrum, Unieboek of De Boekerij als Zwarte Beertjes worden (her)uitgegeven. Zo kan het gebeuren dat Tolkiens In de ban van de ring (voorheen een klassieke Spectrum-titel, tegenwoordig bij De Boekerij) dit voorjaar als een driedelig beertje in de boekhandel verschijnt.

Met die verscheidenheid aan auteurs en genres keert de reeks in zekere zin terug naar de beginjaren, toen het fonds een vergelijkbaar bont aanzien bood. 'Romans, humor, detectiveverhalen en populair-wetenschappelijke lectuur van de beste schrijvers uit binnen- en buitenland', was destijds het motto. Dat was niets te veel gezegd, want anders dan bijvoorbeeld de Salamanders van Querido, waarin louter nette literatuur aan bod kwam, waren de beertjes alleseters. Niet alleen thrillers trof je erin aan, maar ook Filatelie in kort bestek, Hier zijn de spoorwegen en het Kookboek voor iedereen - zij aan zij met Norman Mailer, William Faulkner en Jean-Paul Sartre.

Dat ruimhartige programma weerspiegelde de pragmatische instelling van uitgever-directeur A.W. ('Abs') Bruna, die zelden of nooit een boek inkeek, maar heel goed wist hoe je het moest verkopen. De dagelijkse zorg voor de Beertjes liet hij over aan zijn mede-directeur Jaap Romijn, een voormalig kunstredacteur van het Nieuw Utrechtsch Dagblad, die in de oorlog clandestien de allereerste Gorgelrijmen van C. Buddingh' had uitgegeven en vanaf 1944 twintig jaar lang het literaire geweten van Bruna personifieerde.

Hij was het ook die de serie haar naam gaf. 'Ik herinner mij nog goed het ogenblik van de geboorte', schreef hij in een terugblik. 'Dat was op een maandagmorgen, winter 1954-1955, in het kantoor van Abs Bruna, op de eerste verdieping van het statige huis in de Brigittenstraat in Utrecht.'

Abs' 28-jarige zoon Dick, die later furore zou maken als de schepper van Nijntje, kwam die morgen zijn ontwerp voor de nieuwe pocketserie laten zien: verschillend getinte varianten op een zwart vlak. Die kleur bracht Romijn via de associatie bruna-bruintje-beertjes op de definitieve naam van de reeks. Abs Bruna dichtte het initiatief meteen zoveel kans van slagen toe, dat hij de verkoopprijs op fl 1,50 durfde te stellen, een kwartje duurder dan de populaire Salamanders en Prisma's.

Tot in de jaren zeventig zou Dick Bruna voor ruim tweeduizend Zwarte Beertjes het omslag ontwerpen. Dat de serie ondanks haar wispelturige karakter zo'n hechte indruk maakte, was grotendeels te danken aan de perfecte eenvoud van Bruna's vormgeving. Het eveneens door hem ontworpen logo, aanvankelijk een teddybeerachtige dikkerd, later een strak gelijnd figuurtje, werd een vertrouwd beeldmerk met een hogere knuffelwaarde dan de kale driehoek van de Prisma's of het gestileerde salamandertje.

In 1961 verscheen in Vrij Nederland een interview van Rinus Ferdinandusse met 'dé uitgever van ontspanningslectuur in ons land'. Romijn had net de rechten verworven op de verhalen over Geheim Agent OSS 117 van Jean Bruce, een naam die in Frankrijk nog beter verkocht dan Simenon: 'Als je dat hoort, doet het er niet zoveel meer toe of je ze persoonlijk nu zo geweldig vindt. Als je hoort dat er van zijn boekjes in Parijs alleen al 600 duizend exemplaren zijn verkocht, dan zeg je: die wil ik hebben.'

Kaskrakers van pulpschrijvers als Bruce maakten het Romijn mogelijk ook de 'betere' literatuur uit te geven waar zijn hart naar uitging, zoals Vladimir Nabokovs Heer, Vrouw, Boer of Bert Schierbeeks Het boek Ik. In 1963 werd er zelfs een chique subserie voor opgezet: de Witte Beertjes.

Ondanks zijn successen bevredigde het boekenvak Romijn uiteindelijk niet. In 1964 verliet hij de uitgeverij om directeur te worden van het Princessehof in Leeuwarden, dat bekend stond om zijn uitgelezen collectie keramiek. 'Romijns deskundigheid', schreef het Algemeen Dagblad bij die gelegenheid, 'beperkt zich tot het vaststellen van de breekbaarheid van porselein.'

Als verklaring voor zijn overstap zei Romijn dat hij uitgekeken was op de 'geïndustrialiseerde pocketedities', omdat die geen enkel 'artistiek initiatief' meer toelieten. Ook na zijn pensionering bleef hij met gemengde gevoelens op zijn jaren bij Bruna terugkijken. Tegen de Haagse Post klaagde hij in 1982: 'Ik vond dat Abs met fl 1,50 als eenheidsprijs een te goedkope reeks wilde maken. Ik wou er meer in opnemen dan detectives en mysteries, maar dat beeld is wel aan de Beertjes gaan hangen.'

Zelfs de 'zeven delen Shakespeare' waar Romijn zo trots op was, schoten te kort om de serie literair cachet te geven. 'Zwarte Beertjes hadden een pretentieloze uitstraling', concludeerde Lisa Kuitert nog eens in haar in 1997 verschenen studie Het uiterlijk behang - reeksen in de Nederlandse literatuur. 'Het waren boeken voor niet-geëngageerde lezers.'

Toch moet de samenwerking met A.W. Bruna geen straf zijn geweest. Abs Bruna, die in 1996 op 93-jarige leeftijd in Zuid-Frankrijk overleed, was een joyeuze zakenman die van feesten en shows hield en hartelijke betrekkingen onderhield met zijn auteurs: het was geen geheim dat de chronisch door geldzorgen geplaagde Havank Abs' oude kostuums mocht afdragen.

Aanleiding voor feesten was er genoeg. In 1960 belegde Abs Bruna een persconferentie op Schiphol ter gelegenheid van het driehonderdste Zwarte Beertje (Deurwaarders delirium van Havank), twee jaar later huurde hij het Amstel Hotel af bij de lancering van nummer vijfhonderd (de bloemlezing Moeder, moeder de beer is los); Leslie Charteris en Hammond Innes behoorden tot de invitees. En in 1966 spoorden 150 genodigden per 'Zwarte Beertjes Express' naar Delfzijl, waar in aanwezigheid van Georges Simenon een standbeeld van zijn commissaris Maigret werd onthuld. Aanleiding was de verschijning van Zwart Beertje nummer 1000: een dubbeldikke Simenon.

De feesten en partijen vormen een aardige voetnoot in de geschiedenis van de Nederlandse uitgeverij: ze tekenen een tijd waarin een uitgever van 'ontspanningslectuur' niet op een dubbeltje keek en zich hoogstpersoonlijk over zijn auteurs ontfermde. Dat die geschiedenis binnen afzienbare tijd zal worden vastgelegd, is niet waarschijnlijk: Bruna is niet ingegaan op een voorstel van die strekking van C.J. Aarts, die eerder een bibliografie van Havank en een overzicht van de Salamander-pockets samenstelde.

Zo'n geschiedenis zal overigens niet buiten de kennis van de verstokte verzamelaars kunnen, aangezien die vaak meer van omslagvarianten, spooknummers en andere rariteiten weten dan de uitgever zelf. Een van de oudste en fraaiste collecties bezit Henk Jaegermann in Arnhem, die in 1958 zijn eerste Havankje kreeg en sindsdien door de verzamelkoorts is gegrepen. Samen met zijn zoon Walter stroopt hij de boekenmarkten af, op zoek naar zeldzaamheden (Beertjes in Esperanto!) die nog in de collectie ontbreken:

'Zeventien jaar geleden, op mijn vijftigste verjaardag, kreeg ik het exemplaar dat mijn eerste honderdtal completeerde. Intussen had ik al besloten dat ik de eerste duizend compleet wilde hebben. Sindsdien is er veel moois bijgekomen, maar compleet zijn we nog lang niet. Met de beertjes ben je nooit klaar.'

C. Buddingh' had het goed gezien, in het gorgelrijm dat hij begin jaren zestig voor Jaap Romijn ('mijn gorgelgeweten') op papier zette:

Zo zijn de zwarte beertjes:

Somber als juttepeertjes,

Maar in een glans van zon gedrenkt,

Die mildheid en vertedering schenkt.