Honderd maal eeuwigheid

Het moet de grootste, mooiste boekenreeks in Nederland worden: de Perpetua-reeks van uitgeverij Athenaeum-Polak & Van Gennep. Volgende week verschijnt de eerste van honderd heruitgaven van klassieke teksten....

Animal Farm van George Orwell? Onverkoopbaar. Het Achterhuis van Anne Frank? Sáááí. On the Road van Jack Kerouac? Zenuwlijdersproza. Met die oordelen serveerden in de jaren vijftig proeflezers van de Amerikaanse uitgeverij A. Knopf potentiële eversellers af in hun leesrapporten, zo ontdekte de historicus David Oshinsky onlangs.

Welke kenmerken heeft een werk dat vele generaties vermag te boeien? Als er een lijstje criteria bestond zou elke uitgever gelukkig zijn. En dan is eeuwig verkoopbaar nog niet hetzelfde als ‘klassiek’. Wanneer krijgt een literair werk dat gewichtige label?

Werken uit de Griekse en Romeinse oudheid noemen we misschien bijna vanzelf klassiek, omdat het bijzonder is dat ze grotendeels ongeschonden zijn overgeleverd. Je kunt ook zeggen: die werken zijn groots omdat ze talloze keren door een strenge selectie zijn gekomen.

De Argentijnse schrijver Borges stelde zich de wereld voor als een oneindige ‘Bibliotheek van Babel’, bestaande uit teksten die commentaren zijn op eerdere commentaren. Vrij naar Borges kun je een werk als ‘klassiek’ bestempelen is als het in iedere tijd commentaar uitlokt, of telkens een nieuw licht blijkt te werpen op een tijdperk. De 19de-eeuwse Deense filosoof Kierkegaard had een andere definitie van klassiek. Voor hem mocht een kunstwerk zo heten als er sprake was van ‘rust, evenwicht en doorzichtigheid’.

Uitgeverij Athenaeum-Polak & Van Gennep doet al decennialang aan klassiek, klassieker, klassiekst. Zij geeft vijf ‘klassieke’ reeksen uit: Baskerville (klassieke oudheid), Grote Bellettrie (Diderot, Dostojevski en anderen), de pocketreeksen Salamander Klassiek en Griffioen en de Gouden Reeks met schrijvers als Dante, Boccaccio en Ariosto.

En nu komt er een zesde bij: Perpetua. De komende jaren verschijnen er bij deze uitgeverij honderd klassieke werken, in een uniforme editie. Volgende week komt Cervantes’ Don Quichot uit, gevolgd door De heerser van Machiavelli, Goethes Faust, Stendhals Het rood en het zwart, Sofokles’ Oidipous en Antigone – in een nieuwe vertaling door Gerard Koolschijn – en tot slot Moby Dick van Herman Melville, opnieuw vertaald door Barber van de Pol.

Wordt Perpetua de definitieve klassieke reeks, de ‘diamanten’ reeks? ‘Dat sowieso’, zegt uitgever Mark Pieters van Athenaeum-Polak & Van Gennep lachend. Het verschil met de andere reeksen, legt hij uit, is dat er nu wordt samengewerkt met andere uitgeverijen.

‘De ergernis bestaat al jaren’, zegt Pieters. ‘Waarom bestaat er in Nederland niet één mooie reeks klassieken uit de wereldliteratuur? De voorbeelden kennen we allemaal: de Fransen hebben hun Pléiade-reeks, de Engelstaligen de Penguin Classics en de Everyman’s Library. Wij dachten: we gaan het gewoon maar eens doen.’

De uitgever bracht een jury bijeen van belezen schrijvers en literatoren: Kees Fens, Hella S. Haasse, Piet Gerbrandy, Arnon Grunberg, Kristien Hemmerechts en Maarten Asscher. Zij stelden samen een lijst van tachtig titels op. Niet de bekendste maar de beste boeken, zo luidde de opdracht. Het publiek mag meebeslissen over de laatste twintig titels. De komende acht jaar zal er maandelijks een titel in de reeks verschijnen, met een nawoord van een van de juryleden, of van een andere auteur.

Ongeveer de helft van de gekozen titels heeft Pieters’ uitgeverij zelf ‘in huis’. Voor het overige deel hoopt hij op medewerking van uitgeverijen met klassiek werk in hun fonds. ‘Het is toch mooi dat een klassiek boek weer in de belangstelling komt. De uitgevers krijgen uiteraard royalty’s. Bovendien mogen zij hun eigen edities blijven verkopen.’

Een Nederlandse Pléiade? Emile Brugman, uitgever bij Atlas, aarzelt. ‘Op oneven dagen denk ik: hoe meer reeksen met klassieken, des te beter. Op de even dagen denk ik wel eens: als iederéén het gaat doen, wordt het saai.’ Maar uiteindelijk juicht hij elke serie waarmee mooie boeken verkrijgbaar blijven of vertaald worden, toe. ‘Een roman als The Great Gatsby van F. Scott Fitzgerald is niet meer in vertaling verkrijgbaar. Dat mag niet zo zijn.’

Toegegeven, zijn eigen reeks De Twintigste Eeuw, waarin onlangs Happend naar lucht van George Orwell, Liefdesverhalen van Robert Walser, Honger van Knut Hamsun en Homo Faber van Max Frisch verschenen, is hem het dierbaarst.

Brugman merkt dat zijn reeks nu pas, na tien jaar, bekendheid krijgt. ‘Lezers zien dat deze titels uit bevlogenheid gekozen zijn. Je hebt de rol van voorproever.’ Dat wil niet zeggen dat de lezers er hongerig op afstormen. ‘Was dat maar waar. Het is liefdewerk.’ Sommige titels lopen amper. Van het schitterende Dagboek 1946-1949 van Max Frisch verkocht Brugman vorig jaar twee exemplaren. Hij hoopt dat het er volgend jaar drie zullen zijn. En hij gaat door met Frisch uitgeven.

Nederland kent sinds 1998 een reeks met Nederlandstalige klassieken: de Delta-reeks. Het zijn degelijke, goed becommentarieerde uitgaven van werken als het Antwerps Liedboek en Mei van Herman Gorter. De reeks valt onder de verantwoordelijkheid van Henk Pröpper, directeur van het Nederland Literair Productie- en Vertalingenfonds. De Delta-reeks wordt gewaardeerd, zegt Pröpper, maar is bepaald geen verkoopsucces. ‘Ik denk dat het komt doordat de inbedding in het onderwijs ontbreekt.’ Hij denkt dat ‘uitgekiende marketing’, gericht op scholen, noodzakelijk is. ‘Soms is een goede hertaling nodig.’

De opzet van de Delta-reeks wordt gewijzigd. Toekomstige delen zullen naast de wetenschappelijke editie een toegankelijke handelseditie krijgen, waarbij het werk in een literaire en cultuurhistorische context wordt geduid – pasklaar voor de literatuurles. Het probleem is alleen, zegt Pröpper, dat er in het voortgezet onderwijs steeds minder tijd wordt ingeruimd voor literatuur. ‘Het is niet meer vanzelfsprekend dat grote titels en auteurs op school voorbij komen. Twintig, dertig jaar geleden was dat wel zo: ook al had je nooit iets van Flaubert gelezen, je wist dat hij een belangrijke auteur was. Dat idee van een gemeenschappelijke imaginaire bibliotheek is grotendeels verloren gegaan.’

Misschien hebben buitenlandse grote namen meer glans, denkt Pröpper. ‘Trots op de eigen literatuur bestaat hier nauwelijks. Als je in Frankrijk zegt: die literatuur van jullie stelt tegenwoordig weinig voor, dan beamen ze dat. Maar ja, zeggen ze, wijzend naar de wand met Pléiade-deeltjes, kijk eens wat hier staat! Ze zijn grootgebracht met klassieken.’

Ook voor schrijfster Kristien Hemmerechts, jurylid van Perpetua, zijn de klassieken ‘een kwestie van opvoeding’. Toch staat zij ambivalent tegenover lijsten met een canon. ‘De vraag is: wat zijn de criteria? Waarom móet je bepaalde boeken gelezen hebben? Waaraan danken zij hun onaantastbare status?’

Eigenlijk, zegt Hemmerechts, zou de jury internationaal samengesteld moeten zijn. ‘Deze juryleden hebben allemaal zo’n beetje dezelfde culturele achtergrond. En: ik heb echt niet alle klassieken gelezen. Pas een paar jaar geleden las ik Dostojevski’s Schuld en boete, ik vond echt dat ik dat een keer moest doen. Wekenlang heb ik ermee rond gezeuld. Proust bewaar ik tot mijn pensioen.’

Hemmerechts vindt het belangrijk dat er een gemeenschappelijk referentiekader is in de literatuur, ook al is zo’n streven ‘elitair en ouderwets’. Zij doceert Engelse Letterkunde aan de Hogeschool-Universiteit Brussel en laat haar studenten kennismaken met de hoogtepunten uit de Engelstalige literatuur: ‘Ik vind dat ze Jane Eyre moeten lezen. Natuurlijk, zeg ik dan, er bestaat ook een film van. Ik hoop dat ze het boek wél lezen. Ooit moet iemand je kennis laten maken met zo’n boek.’

Een mooi gevolg van de komst van een nieuwe reeks klassieken is dat er nieuwe vertalingen komen. Hemmerechts: ‘Je kunt je afvragen wie er met de Metamorfosen van Ovidius op het strand gaat zitten, maar op opleidingen worden zulke boeken behandeld, alleen daarom al moeten er nieuwe edities komen. Een goede vertaling maakt een werk weer toegankelijk.’

Wat het lezen van gecanoniseerde werken voor Hemmerechts soms lastig maakt, is ‘dat ze bijna heilig zijn verklaard’. Kritiek is nauwelijks mogelijk, merkt ze. ‘T.S. Eliot, bijvoorbeeld, wordt beschouwd als een god op aarde. Maar ik vind zijn werk soms hol en retorisch. Als je zoiets zegt, word je weggehoond.’ Ook vindt ze dat er te weinig vrouwen staan op de voorlopige groslijst van Perpetua. ‘Ik had ze wel binnengemoffeld, maar op de een of andere manier zijn ze verdwenen.’

Pieters kent de discussie. ‘Die laait altijd op als het over een canon gaat. Je kunt natuurlijk turven welk deel van wat we wereldliteratuur noemen, door vrouwen is geschreven.’ Dat lost het probleem niet op: vrouwen kunnen in de loop der tijd ten onrechte buiten de literatuurgeschiedenis zijn gehouden. Pieters beaamt dat, ‘maar je moet met zo’n reeks niet de geschiedenis willen herschrijven.’

Multatuli schreef ooit over Chateaubriand: die man is zó klassiek, dat ik hem niet meer hoef te lezen. Moet niet gevreesd worden dat boeken als die uit de Perpetua-reeks hun leven zullen slijten als pronkstuk op salontafels? Pieters erkent dat snob appeal een van de basisingrediënten is van klassieke reeksen. ‘Mensen die deze boeken kopen zullen niet alles meteen lezen, maar ze kúnnen het ooit lezen. Deze boeken zijn gebonden en ingenaaid, hebben een handzaam formaat en mooi papier. Ze staan goed in de kast.’

Belangrijker nog is dat lezers met een goede smaak deze titels hebben uitgezocht. ‘Er is veel culturele onzekerheid’, denkt Pieters. ‘Veel mensen betreuren het dat ze nooit Grieks en Latijn hebben geleerd. Deze vertalingen geven een nieuwe kans. Als iemand je verzekert: Antigone, dát moet je lezen, geeft dat houvast.’

Pröpper vreest dat aanbevelen niet genoeg is. ‘Dat Hella S. Haasse of Kees Fens een boek aanraadt is prachtig, maar ik vrees dat het niet genoeg is. Koppel er desnoods een tv-programma aan.’ Voor Brugman is een hoogtepuntenreeks pas interessant als er iets te ontdekken valt. ‘Niets is irritanter dan dat iemand je vertelt: dít is nu de canon, ga dit dus maar lezen. Dat maak ik zelf wel uit, denkt de lezer.’ Met zijn reeks De Twintigste Eeuw wil hij het misverstand uit de wereld helpen dat grote literatuur ontoegankelijk zou zijn. ‘Deze boeken zijn niet alleen studieobjecten – het is ontzettend leuk om ze te lezen. Neem Manhattan Transfer van John Dos Passos. Iedereen die het alfabet kent, kan het lezen en ervan genieten.’

Nog één netelige vraag: welke Nederlandse schrijvers hebben de groslijst, het pantheon der allergrootsten in aanbouw, gehaald? In elk geval W.F.Hermans, onthult Pieters, met Nooit meer slapen. Nee, Gerard Reve staat er niet bij. En de status van nog levende auteurs is niet aan de orde: in de reeks komen alleen overleden schrijvers. Wie is klassieker: Hella Haasse of Cees Nooteboom, Hugo Claus of Harry Mulisch? Grunberg? Ooit zal de discussie over hen gaan. De strijd om de eeuwigheid in een rijtje gebonden delen is begonnen.

Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met de Volkskrant?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van de Volkskrant rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright @volkskrant.nl.
© 2019 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden