ACHTERGROND

Honden zijn onze beste vrienden, maar hoe regisseer je een filmhond?

Honden zijn in de filmgeschiedenis betrouwbare partners. In Drift is een complete roedel te zien. Hoe regisseer je een hond?

De Roemeeense zwerfhonden in Drift van regisseur Benny Vandendriessche. Beeld Filmstill
De Roemeeense zwerfhonden in Drift van regisseur Benny Vandendriessche.Beeld Filmstill

Hij is een amechtig figuur, het hoofdpersonage uit het Belgisch-Nederlandse drama Drift. Een sjofele, zonderlinge man, waar de meesten met een boog om hem heen zullen lopen. Hoe maak je zo iemand sympathieker voor het bioscooppubliek?

Heel simpel: geef hem een hond.

Of, in het geval van Drift, een roedel straathonden. Regisseur Benny Vandendriessche draaide Drift grotendeels in Roemenië, waar miljoenen honden dakloos rondschooien. Overal begeleiden ze de zwervende hoofdrolspeler op zijn pad; ze klimmen met hem de bergen in, volgen hem bij zijn gescharrel door kapotte huizen en slapen als hij slaapt. En steeds straalt van hen iets goeds over hem af. Reddeloosheid en verwildering, ook dat, maar toch vooral waardigheid en onschuld. Beschermengelen op vier poten (soms drie), dat zijn de honden in Drift.

Er wordt vaak gezegd dat je als cineast beter niet met kinderen en dieren kunt werken, maar Drift en talloze andere films bewijzen dat dat voor de hond niet opgaat. Sinds de gloriedagen van klassieke hondenhelden als Rin-Tin-Tin en Lassie is de hond uitgegroeid tot het meest geliefde filmhuisdier én de beste vriend van de regisseur. Terwijl katten gelden als luie thuisblijvers of autonome eenzaten waarmee weinig verhalen te vertellen vallen, heeft de cineast aan de hond een uiterst betrouwbare partner. Of ze nu een personage sympathieker moeten maken, het script op gang moeten helpen of de film een wat diepzinnigere betekenis moeten verlenen: filmhonden kunnen alles.

Lassie. Beeld -
Lassie.Beeld -
Snuf de Hond in Oorlogstijd Beeld -
Snuf de Hond in OorlogstijdBeeld -

Statussymbool

Om zulke kunstjes te kunnen vertonen, moest de hond wel eerst een bijzondere sociale status verwerven. Tweehonderd jaar geleden gold de hond in de westerse maatschappij als zielloos wezen, enkel goed om het erf te bewaken of zware arbeid te verrichten. Pas toen de bourgeoisie de hond als statussymbool in huis haalde - wie een werkeloos dier kost en inwoning verschafte, moest goed in het geld zitten - transformeerde de hond van werkslaaf tot metgezel.

Niet vreemd dat de allereerste hondenspeelfilms zich in chique milieus ophouden. In A Dog's Love (Jack Harvey, 1914) verpietert bordercollie Shep nadat zijn tuttige buurmeisje Helen is doodgereden. Shep ligt aan één stuk op Helens graf, dromend van gelukkiger dagen. Dat Shep alle tijd heeft voor zijn rouwproces, onderstreept zijn hoge maatschappelijke positie: duidelijk een beest dat nooit een kolenkar heeft hoeven trekken.

Sinds films als A Dog's Love heeft de hond een enorme maatschappelijke populariteit vergaard, en is hij via alle Lassie- en Benji-films en 101 Dalmatiërs uitgegroeid tot een machtig filminstrument. Kijk alleen al naar een simpele Lassie-variant als het Snuf de hond in oorlogstijd (Steven de Jong, 2008). Hoofdpersoon is de getraumatiseerde wees Tom, die tijdens de Tweede Wereldoorlog bijkomt op het Friese platteland en daar het baasje wordt van Duitse herder Snuf. Tijdens een ommetje leert Tom via Snuf een meisje kennen en kan hij dankzij hem ook zijn gevoelens uiten ('Haar vind je wel leuk hè', zegt hij tegen Snuf, eigenlijk tegen zichzelf). Dankzij Snuf wordt Tom bovendien een aangenamer personage: wanneer hij Snuf verzorgt, zien we dat hij ondanks alles nog steeds tot liefde in staat is.

Nuttig

Ook in een bijrol zijn honden nuttig. Zo sneuvelt de hond in thrillers steevast als eerste. U kent het wel: de slechterik ligt op de loer bij het gelukkige gezin, maar als prelude voor de menselijke slachtoffers komt eerst de hond des huizes niet opdagen bij zijn voerbak. De dood van een hond blijkt dan een paardenmiddel om te ontregelen en schokken. Zelfs wanneer het beest een marginaal personage is, blijft de hond als bezield wezen zowel tot het dierenrijk als de mensenwereld behoren; zelfs dan is hij een dier en toch 'een van ons'.

Daarom kreeg de Mexicaanse regisseur Alejandro González Iñárritu zoveel kritiek nadat hij de hondengevechten in Amores perros (2000) íéts te realistisch had vormgegeven. Dierenrechtenorganisaties struikelden over de bloederige beelden, ook al riep Iñárritu dat alles in scène was gezet: tijdens de opnames droegen de honden onzichtbare plastic muilkorven en de als dood afgevoerde beesten waren slechts verdoofd. Om de gemoederen te sussen, eindigde én begon Iñárritu de film met de melding dat er tijdens de opnamen geen dieren werden mishandeld. Tegen het Britse dagblad The Guardian zwoer de regisseur dat hij respectvol met de honden was omgegaan, 'zoals ik voorkom dat iemand bij een auto-ongeluk gewond raakt.'

Iñárritu vond de vechtscènes noodzakelijk, omdat hij daarmee indirect het geweld tussen mensen aan de kaak wilde stellen. Zo wordt de hond wel vaker als metafoor voor menselijke kwesties ingezet. Samuel Fuller voerde een racistische hond op in White Dog (1982). De Hongaarse regisseur Kornél Mundruczó jaagt in de apocalyptische fabel White God (vanaf december te zien in Nederland) honderden losgeslagen straathonden door de straten van Boedapest, als symbool voor de nakende revolte van de Europese onderklasse. Zulke allegorieën werken alleen maar doordat honden en mensen sinds eeuwen aan elkaar gewend zijn geraakt.

Alleen: waar blijft dan de hond in de hond? De filmhond, zo veelzijdig als hij is, raakt nogal snel vermenselijkt. Vrijwel geen enkele regisseur ontsnapt eraan om zijn hondpersonage humane trekjes te geven, al was het maar dat het dier vertederd toekijkt als de geliefden elkaar eindelijk kussen. Je zou dan kunnen stellen dat filmmakers, bij gebrek aan begrip van de hondentaal, honden ónze manier van waarnemen, ónze gedachten en ónze taal opdringen.

Terry de cairnterriër uit The Wizard of Oz. Beeld Metro-Goldwyn-Mayer
Terry de cairnterriër uit The Wizard of Oz.Beeld Metro-Goldwyn-Mayer

Filmhond

De wetenschappelijke essaybundel Cinematic Canines geeft talrijke voorbeelden van zulke vermenselijkte filmhonden, met Lassie als geval apart. Terwijl Lassie in films als Lassie Come Home (1943) als teef figureert, werd ze gespeeld door reu Pal. Toen Lassie in Courage of Lassie (1946) als oorlogshond tegen de nazi's ging vechten, maakte de studio er een mannelijk hondenpersonage van; dat paste beter, bij zoveel patriottistische heldenmoed. Pal/Lassie vond het in ieder geval een hele opluchting om nu niet meer in drag te hoeven spelen. 'Ik ben dankbaar dat ik de kans kreeg om weer mezelf te zijn', zegt Pal in een publiciteitsinterview uit 1944. 'Ook ík heb mijn trots.'

Als zo'n interview ergens van getuigt, dan is het wel de gretigheid waarmee filmhonden als sterren en acteurs worden afgeschilderd. Zie ook de Palm Dog-prijs die jackrussellterriër Uggie op het Filmfestival van Cannes kreeg voor zijn vertolking in The Artist (2011). Filmmakers geloven zelf graag in acterende honden. 'Ze acteren echt', zei regisseur Kornél Mundruczó in een interview met website Cineuropa over de rebellerende straathonden in White God. 'Ze geven ons hun emoties.'

De hond als acteur: het is de ultieme vermenselijking van de filmhond. Volgens deskundigen kan van een acterende hond echter geen sprake zijn. Het gaat altijd om dressuur; om trucjes die vroeger met zweepslagen werden aangeleerd, nu met beloningen. 'Hoe intelligent onze honden ook zijn, het is onvoorstelbaar dat ze zich kunnen inleven of indenken in een andere identiteit, laat staan een abstracte narratieve identiteit zoals: 'Ik ben een woeste wolfshond die valselijk ervan wordt beschuldigd schapen te hebben vermoord en nu probeer ik mijn naam te zuiveren', schrijft filmwetenschapster Adrienne L. McLean in Cinematic Canines.

Roedels

Vrijwel alle honden die in het Belgisch-Nederlandse drama Drift figureren, zijn authentieke Roemeense zwerfhonden. Voor de meer scenische momenten gebruikte regisseur Benny Vandendriessche een aantal honden uit een asiel. Tegelijkertijd waren er ook steeds weer straathonden die niets met de opnamen te maken hadden, maar nieuwsgierig in de buurt van de filmploeg kwamen. Quasi-toevallig liepen ze in en uit beeld. Maar ook de 'vaste' hondenploeg werd niet echt geregisseerd: eerder inspireerden de honden met hun spontane gedrag tot scènes, dan dat de makers hen iets lieten doen wat in het script stond. 'We speelden direct in op wat we de honden zagen doen', aldus Vandendriessche. 'Maar dat maakt hen nog geen acteurs. Ze zijn zichzelf. Ze zijn energie, de natuur, instinct. Schoonheid.'

White God Beeld -
White GodBeeld -

Goed opletten

Benny Vandendriessche, de regisseur van Drift, is het daarmee eens. Hij liet de uit het asiel geplukte straathonden in Drift nooit iets 'spelen'; als een hond precies meebeweegt met een draai van de camera, is dat mooi toeval. De scène waarin een van de honden waakzaam naast het zwerverspersonage neerstrijkt, ontstond omdat het beest daar uit zichzelf ging liggen. 'Een hond kan niet acteren', aldus Vandendriessche. 'Een hond die zogenaamd pijn lijdt, zul je eerst een schop moeten geven. Maar je moet juist niets verlangen van die dieren. Ze moeten zich niet verplicht voelen iets uit te voeren.'

Gedragsbiologen kunnen wat dat betreft een verfrissend licht werpen op de veronderstelde acteerprestaties van filmhonden. Wie de hondse communicatie bestudeert, ziet dat filmhonden zich lang niet altijd aan de plot houden, hoezeer de film ook anders wil doen geloven. Agressieve hondenpersonages die seintjes geven dat ze eigenlijk spelen. Een blaf die paniekerig moet klinken, maar eigenlijk een vraag om voedsel is. Met wat training kan ook een leek makkelijk ontdekken waar een hond-acteur 'incongruent' gedrag vertoont.

Soms is dat ook een kwestie van goed opletten. Hilarisch is de scène uit The Wizard of Oz (Victor Fleming, 1939) waarin Dorothy (Judy Garland) en haar hondje Toto (cairnterriër Terry) de Goede Heks van het Noorden zien verschijnen in een zwevende toverbal. Een kwestie van later toegevoegde special effects, en voor Garland is het natuurlijk geen punt om te doen alsof ze de heks daadwerkelijk ziet. Terry daarentegen ontgaan de finesses van de scène volledig. Terwijl de toverbal zogenaamd nadert, trippelt Terry wat rond en loopt uiteindelijk de set af. Wat nou heks.

Vanuit Terry's vertolking bezien is de scène uit The Wizard of Oz faliekant mislukt. Tegelijkertijd is het misschien wel Terry's mooiste moment. Zoals een circusleeuw die weigert op een krukje te stappen, herwint hij iets van zijn autonomie door zich niet aan het script te houden.

En dan is een filmhond toch op zijn leukst: als de hond de hond wordt gelaten en gewoon doet waar hij zelf zin in heeft.

Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met de Volkskrant?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van de Volkskrant rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright @volkskrant.nl.
© 2021 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden