Hoezo Crisis?

Minder artistieke gemakzucht, meer zin voor nieuw repertoire en vergeten componisten - dat zijn volgens platenreus EMI de positieve effecten van de crisis die de klassieke cd-branche treft....

'Af en toe neem ik een van onze artiesten mee naar de platenwinkel in Oxford Street', zegt Peter Alward, Vice President van de honderd jaar oude, in Londen gestationeerde platenmaatschappij EMI Classics. 'Dan vraag ik de verkoper of hij even wil uitleggen hoe de vlag er bij hangt. De artiest ziet de duizenden cd's, de stapels. Het geeft hem een gewijzigd besef van zijn belangrijkheid.'

Ook de winkelier in New York is Alward nu en dan behulpzaam bij het aanschouwelijk maken van de toestand die de muziekindustrie oververzadiging noemt.

'Laatst had ik een interessant geval met een dirigent die de Symphonie fantastique van Berlioz wilde opnemen', zegt Alward. 'Nee, het was niet Mariss Jansons. Die hééft hem al opgenomen. Ik vroeg: ''Weet je hoeveel platen er zijn van de Symphonie fantastique? Er zijn er 62. Wil je het echt?'' Hij zei: ''Nu begrijp ik het.''

'Nee, met Simon Rattle wil ik éérst de Mahlercyclus afmaken', bezweert Alward. 'We gaan ook door met de Szymanowski-opnamen van Rattle. Een openbaring. Wie had er tien jaar geleden ook maar iets verwacht van Szymanowski?'

De platenreus EMI viert dit jaar zijn eeuwfeest met verzameluitgaven, met een debuutserie, met jubileumconcerten en met een reistentoonstelling - en met de wereldpremière van de symfonie Standing Stone, een opdrachtwerk van het EMI-troetelkind Paul McCartney.

Peter Alward - zijn titel is Senior Vice President Artists & Repertoire - bestrijdt dat zijn bedrijf, de klassieke tak van EMI, mét de wereldbranche in een crisis zou verkeren. 'Nonsens. We moeten alleen oppassen met wat we opnemen.'

'Crisis' lijkt ook niet het juiste woord voor de conditie van een firma die in vijf jaar 3,5 miljoen platen verkocht van de violiste Vanessa Mae, die 6,5 miljoen cd's afzette met Spaanse monnikenzang, ruim een miljoen maal Four Seasons van Nigel Kennedy sleet - en een miljoenenhit scoorde met love songs door Placido Domingo. Maar de hoofdactiviteit van de klassieke industrie - vanouds het opnemen van kernrepertoire - heeft de dynamiek aangenomen van een bijna-stand still. Dat ontkent niemand meer.

Juist in de periode waarin Vanessa, de voliste met het natte T-shirt, samen met de monniken van Silos de aandeelhouders van EMI gelukkig maakte, is EMI Classics als eerste van de grote maatschappijen voluit op de rem gaan staan met zijn opneemprogramma. De meeste EMI-musici moeten zich nu tevreden stellen met één, hooguit twee opnamen per jaar. Zelfs van dirigenten als Rattle en Jansons worden maar een paar nieuwe platen per jaar uitgebracht.

In augustus zegde Alward de samenwerking op met het orkest van Philadelphia, dat geleid wordt door Wolfgang Sawallisch. Het werd een casus. Het Amerikaanse toporkest zag ook nog een radiocontract de mist in gaan, en ging in staking. 'Het lag niet alleen aan ons', zegt Alward. 'Het platencontract was maar een facet. Het bedroeft me zeer. Professor Sawallisch had juist zijn best gedaan het orkest te verjongen. Voor hem was het een ramp.'

En wat er verder gebeurt met maestro Sawallisch?

'Gewoon, niets', zegt Alward. Laconiek: 'Ik praat met hem. Over 1999, het Richard Straussjaar. Misschien zit er dán de onbekende Straussopera in waar we tot nu toe voor terugschrokken. Het punt is: het is idioot 750 duizend gulden te investeren - de prijs van een opera - in een opname waarvan je weet dat die zichzelf nooit meer terugbetaalt.

'Zo hebben we allemaal onze casualties', zegt Alward. 'Philips doet minder met het orkest van Boston. Decca doet minder met Cleveland. De Amerikaanse orkesten zijn godsonmogelijk duur. We maken alleen nog opnamen in Pittsburgh. Dat kan daar, omdat het orkest wordt gesteund door opnamesponsors. Zo houden ze hun tarief even laag als een orkest in Londen. Die kant zal het opmoeten. Ook in Europa zullen orkesten omlaag gaan met hun opnametarieven. Anders staan ze vroeg of laat aan de kant.'

Een orkestopame in Londen kost ongeveer 150 duizend gulden. Met de Berliner Philharmoniker kost dezelfde opname het dubbele. Met een Amerikaans orkest loopt het op naar 350 duizend gulden - cijfert Alward. 'In de klassieke branche is het normaal dat een opname er vijf of tien jaar over doet voor je eraan verdient. Maar als je bij een dure opname ziet aankomen dat dat punt nooit zal worden bereikt, dan wordt het gekkenwerk.'

Tijd voor de afrekening met een oude mythe: 'Dat het klassieke platenbedrijf overeind wordt gehouden door de popindustrie, dat verhaal mist elke grond', zegt David Lyttelton, de hoogste baas van EMI Classics - en voormalig manager in de EMI-popsector. 'Zoiets heeft zich nooit voorgedaan. De klassieke industrie heeft haar eigen commerciële doelen, en eigen manieren om die te bereiken.'

Vanuit een schemerachtige hoek van Lytteltons kantoor staart een borstbeeld van de veteraan Yehudi Menuhin de bezoeker aan. Het voormalig wonderkind Menuhin belichaamt zowel de honkvastheid van de gemiddelde EMI-artiest als de 'long term-investeringspolitiek' van 's werelds oudste platenmaatschappij. Die liet Menuhin 66 jaar geleden zijn eerste contract tekenen, en maakt er nog steeds een gewoonte van musici in een vroeg stadium, of in een betrekkelijke luwte van hun carrière, aan zich te binden.

De catalogus is opgebouwd vanaf 1898 en toont een duizelingwekkende parade: van Caruso en Nellie Melba, via Arthur Nikisch, Alfred Cortot en Arthur Schnabel, naar de naoorlogse coryfeeën Callas en Von Karajan.

Van Victoria de Los Angeles en Schwarzkopf naar Thomas Hampson (en Roberto Alagna). En van de dirigenten Boult en Klemperer naar het heden van de senioren Sawallisch en Haitink (die bij EMI opera opneemt), naar de jongere dirigenten Rattle en Jansons, en de dirigeeradolescent Daniel Harding. De vioolbakvis Sarah Chang en het 12-jarige cellokind Hannah Chang even daargelaten.

Lyttelton: 'De artiestenlijst die we nu hebben is overzichtelijk, maar representeert per muzikantenvak alle generaties. Alward is daar een meester in.' Lyttelton bestookt de markt elk jaar met 300 sleeping beauties of oudere opnamen - plus het bescheiden aantal (momenteel) van 50 nieuwe. 'Gaan die de markt op, dan haal ik er 350 andere weer uit', schetst Lyttelton de kringloop. 'Ik heb nooit meer dan tien procent van ons bezit in roulatie.'

Weinig aan het nieuwe hoofdkwartier van EMI Classics - een pretentieloos kantoorpand in de Londense Bakerstreet - doet denken aan de glinsterende behuizing van de voormalige muziek- en elektronicaholding Thorn-EMI. Een splitsing heeft het muziekbedrijf weer op eigen benen gezet - met een gereorganiseerde staf.

Lyttelton: 'Andere maatschappijen zitten vreselijk in de penarie. Daar nog een hoop fall out van. Philips, Decca en Deutsche Grammophon, labels van één holding, hebben alle drie tweemaal zoveel mensen in dienst als wij. Ze hebben ook veel meer opnameverplichtingen. En een veel groter aantal artiesten. Daar gaan koppen rollen.'

Lyttelton meende vier jaar geleden 'geen raketgeleerde' te hoeven zijn om vast te stellen dat het 'eind in zicht' was: het aanbod in landen met groot cd-publiek werd jaarlijks vergroot met zo'n vierduizend nieuwe releases. 'Dat kan zelfs de grootste winkel niet eens meer in. Wij zijn begonnen onze artiesten uit te leggen dat dat collectieve zelfmoord was. We waren er vroeg bij. Concurrenten van ons zijn nog steeds verplicht vijf opnamen van een bepaalde artiest te maken. Die hebben immense contractproblemen.'

Dat Haitink zijn Mahlercyclus in Berlijn niet mag afmaken van Philips - Peter Alward vindt het dreadful. 'Ik zou die ontbrekende Negende Symfonie waarschijnlijk wel hebben aangedurfd. Maar de Achtste, met de solisten en het grote koor? Ik zie met angst en beven het moment aankomen dat ik hem met Rattle moet doen. Vreselijk moeilijk te bezetten. De tenor is een bitch van een partij. Wie kan dat zingen, zonder dat je het idee hebt dat er iemand gewurgd wordt?'

'Het allerergste', zegt Alward, 'zijn de contracten waarin repertoireplannen zijn vastgelegd. De eerste vraag die je je moet stellen is: ''Wat is de rechtvaardiging van nóg een Beethoven of nóg een hele Brahms-set?'' Het antwoord is: ''Erg weinig.'''

Laat dit nu precies het verwijt zijn dat murwgeluisterde critici - die als gevolg van zulke plaatprojecten óók in de concertzalen op mainstream-cycli werden getrakteerd - jarenlang de maatschappijen voor de voeten hebben geworpen.

Alward: 'In de tijd van de cd-boom was alles anders. Alles kon. We werden gek. We maakten allemaal te veel platen. En waarom niet? We verdienden eraan. Het hele repertoire deden we over. Het enige dat we vergaten, was dat een cd niet slijt. Als je een Brahms eenmaal hebt, dan heb je hem. En het resultaat was, dat we interessant repertoire negeerden, terwijl het onder onze neus lag.

'Er zit een positieve kant aan die zogenaamde crisis', constateert Alward. 'Veel collega's in de industrie zijn gemakzuchtig geworden. Maar: een paar namen bij elkaar zetten en de kassa laten rinkelen - dat gaat niet meer. Het voordeel is, dat we nu gedwongen zijn avontuurlijker te worden. De meesterwerken op te zoeken die je anders niet sshoort. Dirigenten beginnen zich dat ook te realiseren. En waarom zouden orkesten hun houding niet veranderen?'

Nóg een omslag bracht de nood. 'We generen ons niet meer met kunstenaars over geld te praten', zegt Alward. 'Vroeger was iedereen daar te netjes voor. Nu staat vooral de jongere artiestengeneratie ervoor open. Die houding vind ik immens bevredigend. Ik vraag me zelfs af of de samenwerking tussen kunstenaars en ons bedrijf ooit prettiger is geweest. De tijd is voorbij, dat een impresario kon zeggen: 'Maestro X wil dit en dat, en als jullie het niet doen gaat hij naar Deutsche Grammophon''. Dat gaat niet, omdat DG hetzelfde zal antwoorden als wij.

'Ik geef toe dat de opname-industrie teveel druk heeft uitgeoefend op bepaalde sectoren. Kunstenaars zijn soms op projecten gezet met geen andere reden dan dat er een contract was. Niet vanwege het niveau van hun job. Het is doelloos om nóg een Brahms-requiem vast te leggen. Maar aan de andere kant, als Carlos Kleiber het zou willen opnemen, dan zou ik er onmiddellijk werk van maken.

'Net als de Beethovensymfonieën die Rattle voor ons gaat opnemen in Wenen - over jaren pas, trouwens. Als een kunstenaar er iets bijzonders mee te zeggen heeft, is er toch geen betere reden? Dat geldt toch ook voor Bartóks Blauwbaard, met Haitink? Ik heb Haitink gevraagd of hij Wagners Tristan wilde opnemen. Haitink wees het af, omdat hij het stuk nog niet heeft gedirigeerd in het theater. Ik vind dat een schitterende reden om te weigeren.'

Alward vergelijkt zijn vak met dat van een kleermaker. 'Het werk moet de kunstenaar als een maatkostuum passen, en andersom. Inderdaad, vroeger dacht de industrie meer aan artists dan aan repertoire.'

Walter Legge, de legendarische EMI-producent uit de tijd van de wederopbouw - 'Hij ruste in vrede' - is zijn voorbeeld. 'Producer, impresario, leraar, raadgever. Het is de vraag of iemand in deze tijd had kunnen samenwerken met deze figuur, maar wat hij ons heeft nagelaten is van onschatbare waarde. En zijn opnamen verkopen nog steeds.

'Ik heb soms de nachtmerrie, dat iemand over vijftig jaar in de catalogus kijkt naar de periode waarin ík het werk deed - en zich afvraagt: ''Hoeveel opnamen zijn er eigenlijk nog van betekenis?'' Maar goed, Legge was lucky. Het veld lag open. En hij had de tijd om rustig beslissingen te nemen. Ons bedreigt het gevaar dat we die tijd niet meer hebben.'

David Lyttelton: 'Ik slaap slecht als een van onze kunstenaars ongelukkig is. Als ik een telefoontje krijg, dat hij in Korea of Japan of de VS zijn plaat of zijn poster niet heeft zien liggen in een winkel. Dat raakt me, want zonder de kunstenaar zijn wij niets. En het helpt nooit, als je tegen een artiest zegt: ''Sorry, maar er zijn nog vijftig andere kunstenaars waar we aan moeten denken''. Want een creatieve persoon denkt maar aan één carrière, en dat is de zijne. Er bestaat geen vorm van kunst die niet afhankelijk is van onredelijke mensen.''

Van Gerard Mortier, de leider van de Salzburger Festspiele, kwam het verwijt dat de verzamelde platenmaatschappijen zouden optreden als 'souteneurs'. Alward repliceerde in Salzburg dat Mortier zijn festivalartiesten kennelijk aanwees als 'prostituées'.

Alward: 'Mortier had in zoverre gelijk, dat het festival in de tijd van Von Karajan werd gerund door de platenmaatschappijen. Die bepaalden wie er optraden, en wat er gedaan werd. Die tijd is voorbij. Ook op het artistiek beleid van een orkest zal een platenmaatschappij niet vaak meer een stempel drukken.'

Waarom zou een maatschappij als EMI eigenlijk niet stoppen met opnemen, en comfortabel terugvallen op haar machtige catalogus?

Lyttelton: 'We zouden vier jaar lang meer winst maken dan ooit. Maar van het vijfde jaar zou ik niet zo zeker meer zijn. En over 25 jaar zouden we serieuze problemen hebben. De maatschappij BMG heeft eens een moratorium afgeroepen van vijf jaar. Ze zijn het in feite nooit meer te boven gekomen.'

Muziek op chipcards; muziek per telefoonkabel, digitaal met beelden vanuit de concertzalen - welke technologie binnenkort ook mag opduiken, EMI zal het weinig uitmaken. Lyttelton: 'Het aardige is dat we als platenmaatschappij niet gebonden zijn aan een format. Als we muziek op bananenschillen konden zetten, dan zou ik bananenschillen verkopen.'

Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met de Volkskrant?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van de Volkskrant rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright @volkskrant.nl.
© 2020 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden