Hoe zjazez obbez Buzjo?

IN EEN recente aflevering van het Volkskundig Bulletin - Tijdschrift voor Nederlandse cultuurwetenschap, uitgegeven onder auspiciën van het P.J. Meertens-Instituut, staat onder meer het artikel 'Grafter kookpotten en hertrouwende weduwen' - Connotaties van een zeventiende-eeuws gebruiksvoorwerp'....

ARJAN PETERS

Een titel om met een malicieuze hinniklach te savoureren. In het bijzonder geldt dit voor het groeiende leger lezers van de wederwaardigheden van Maarten Koning, hoofd van de afdeling Volkscultuur van het Bureau voor Dialectologie, Volkskunde en Naamkunde te Amsterdam.

De geestelijk vader van Koning, J.J. Voskuil, was jarenlang hoofdambtenaar aan het P.J. Meertens-Instituut. In zijn tijd verrichtte deze instelling onderzoek naar volkstradities als het geloof in kabouters, het in bomen hangen van de nageboorte van een paard, roggebrood, zeisen en eggen, kerstbomen, de trouwring, moppen onder Drentse boeren, oeroude volksliedjes en de rommelpot.

Om het hoofd te kunnen bieden aan de overvloed van materiaal, en zich niet het hoofd te hoeven breken over de discutabele grondslagen van het vak, kiezen de wetenschappers van het instituut een petieterig specialisme en bijten zich daar jaren in vast. Het resultaat van hun naspeuringen komt, ijs en weder dienende, terecht in een artikel voor het Bulletin. Een blik in de surrealistische inhoudsopgave van het tijdschrift kan de nuchtere buitenstaander alleen maar een rolberoerte bezorgen.

Dat ligt anders voor de medewerkers zelf. In de eerste drie delen van Het Bureau, naar verluidt 's werelds omvangrijkste roman, die Voskuil uit de grond stampte na zijn afscheid van het P.J. Meertens-Instituut, konden we volgen hoe alter ego Maarten Koning stilaan met zijn rol vergroeide. Van een ironische onderdaan die openlijk twijfelde aan het nut van zijn arbeid, en die de driftig documenterende collega's met ingehouden woede bezag, veranderde hij in een afdelingshoofd met een ondermijnende opdracht. Als hij dan een baan moest hebben aan dat curieuze instituut, dan liever als koetsier van het paard van Troje. In zijn artikelen en lezingen wil Koning het fundament van het onderzoek aantasten, door de wetenschappelijkheid ervan te betwisten. Hij probeert zijn medewerkers te mobiliseren, zich als groep teweer te stellen tegen de opgelegde pretentie dat hun werk nodig en zinnig zou zijn.

Koning redeneert hierbij vanuit zichzelf. Lang is hij gebukt gegaan onder het juk van zijn vader, een contactgestoorde potentaat in de journalistiek. Zo wilde Maarten niet worden. Eigenlijk was het zijn bedoeling dat hij helemaal niet iets of iemand zou worden. Alleen wie niet meedoet, principieel individualist blijft, kan zichzelf recht in de ogen zien.

Toen Koning bij het Bureau kwam, was het in eerste instantie dan ook geen kwelling in de schaduw te moeten werken van Anton Beerta, de vaderlijke directeur die zijn eigen onvermogen om iets van belang te presteren achter sluwe machinaties verborg. Aan het slot van deel 3, Plankton (1996), stierf vader Koning en werd Beerta ten gevolge van een beroerte buitenspel gezet. Vanaf dat moment was er voor Maarten geen heimelijke oppositie meer mogelijk tegen het leven van de aangepaste volwassenen.

Omstreeks zijn vijftigste is hij tegen wil en dank een wetenschapper met aanzien in binnen- en buitenland. Alleen hijzelf kan zijn respectabiliteit doorprikken. Daartoe moet hij diep in zijn eigen vlees snijden. Immers, als hij zeker is van één ding, dan is het zijn gierende onzekerheid en angst voor persoonlijke contacten.

In een wereld die voortdurend verandert, kun je nauwelijks spreken van tradities, laat staan dat ze eenduidig beschreven kunnen worden. Alleen met oogkleppen op lukt het daarin te blijven geloven. 'Als alles onzeker is, geven gewoonten zekerheid', zegt Maarten in deel 4, Het A.P. Beerta-Instituut, tegen medewerkster Tjitske. 'Maar zoiets kun je toch nooit bewijzen', vraagt zij. 'Je hoeft het ook niet te bewijzen', antwoordt hij. 'Maar dan is het toch geen wetenschap?' 'Dan is het pas wetenschap', poneert Koning. 'Wetenschap is de vertaling van de onzekerheid van mensen in de taal van hun beroep', stelt hij als slotzin van een mooie recensie die hij in 1979 voor het vakblad schrijft.

Voor zo'n ontnuchterende stellingname krijg je weinig handen op elkaar, ervaart Koning in de jaren 1975-'79 die dit deel beschrijft. Net als in Bij nader inzien (1963), dat de studietijd behandelde, ontdekt Koning dat de loyaliteit en verbroedering die hij zoekt om zijn levensangst en afkeer van autoriteit om te buigen en productief te maken, ver te zoeken zijn.

Zodat hij er dikwijls toch alleen voor blijft staan. Hem resten de zeldzame keren dat hij zich kan uitspreken in een artikel - dat hij thuis schrijft, alsof het clandestiene activiteiten betreft - en verder de riten van het kantoorleven, de vaste gewoonten als boeien in een poel van onzekerheid. Daarom moet alles uitentreuren worden vastgelegd, en daarom hebben de criticasters die Voskuil als manische antischrijver bestempelen, ongelijk. Had hij zijn ervaringen gebundeld in een enkele roman met een doorsnee omvang, dan was de gekte van het klerkenbestaan nooit zo wurgend hilarisch opgeroepen.

Het moet, en niet anders dan hier gebeurt: het gesteggel in zenuwslopende vergaderingen over alleen al de titel van het tijdschrift (met Bulletin als uitkomst, tel uit je winst), het internationale congres over liedjes en rijmpjes (inclusief Duitser die angstwekkend brult over Kameradschaft), de discussies met de kamergenoten Bart en Ad die prompt ziek thuisblijven als er durf of daadkracht van ze wordt verwacht, de uitstapjes naar boeren, bakkers en de openluchtmusea van Enkhuizen en Arnhem. Plus de deernis met de dieren die niet hebben gevraagd om mensen, auto's en bureaus. Een hele stoet trekt voorbij: dode duiven, dode merels, een dode egel, een dode mus. De dood van huiskat Marietje, en de begrafenis die Maarten uitvoert, worden gepast gevoelig beschreven.

Even weerloos zijn de mensen die door ziekte en aftakeling hun zekerheden hebben verloren. De tergende Bureau-belevenissen worden geregeld onderbroken door de onthutsende bezoeken die Maarten brengt aan oud-directeur Beerta, die eenzaam in een verpleeghuis zit te snikken bij een film van Peter Pan en verbeten tracht weer wat verstaanbare woordjes bij elkaar te brabbelen. 'Hoe zjazez obbez Buzjo?', vraagt de eens evenwichtige leidsman, met wie Maarten schrikwekkend weinig conversatiestof heeft. Goed, dan maar weer iets vertellen over dat vermaledijde Bureau.

In het observeren van hulpelozen is Koning een keizer - omdat hij hen tenminste meester is. De scènes met de dementerende moeder van zijn vrouw Nicolien maken net zo'n diepe indruk. De gesprekken kunnen sardonisch aandoen - en zowel Koning als Voskuil ontleent een onmiskenbaar pesterige wellust aan het ziekenbezoek -, maar wat in Het Bureau wordt gesignaleerd, geschiedt uitsluitend met het oogmerk de mentale conditie van Maarten in kaart te brengen. Om die reden is de commotie die Voskuil bij zijn voormalige collega's teweegbracht, misplaatst.

Hoe herkenbaar ze klaarblijkelijk worden geportretteerd; het gaat er in deze romancyclus niet om dat met hen wordt afgerekend. Maarten Koning rekent af met zichzelf. De medewerkers, de echtgenote, de vader, de schoonmoeder, de oud-directeur en de huiskatten zijn het decor waartegen de hoofdpersoon gestalte aanneemt. De omgeving had wellicht een eerlijke kenschets verlangd: dit was de werkelijkheid. Van een roman, cirkelend rond iemand die zo onmachtig is buiten zichzelf te treden als Koning, door wiens kokerblik wij alles waarnemen, mag echter niemand zulks verwachten.

'Waa moezez mezmij heez', stumpert Beerta. Koning heeft geen andere repliek dan: 'Tja. Je bent in de put'; 'En toch moet je er de moed maar inhouden'; 'Het kan altijd erger.' Kretologie van een man die al decennia worstelt met het vraagstuk waar het met hemzelf heen moet. Ook in deel 4 weet Maarten Koning op overweldigende wijze geen vuist te maken. Moge hij hier in de drie nog volgende delen even glorieus in wanboffen. Want wat hij niet weten kan, maar wij met Voskuil wel: Het Bureau staat als een huis.

Arjan Peters

J.J. Voskuil: Het A.P. Beerta-Instituut - Het Bureau 4.

G.A. van Oorschot; 992 pagina's; ¿ 75,-.

ISBN 90 282 0956 5.

Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met de Volkskrant?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van de Volkskrant rust uiteraard copyright.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright @volkskrant.nl.
© 2022 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden