BESCHOUWING

Hoe twee Britten in de 19de eeuw de schilderkunst veranderden

Buitenhuis, renpaard, jachthond: landschapschilderkunst in Engeland stelde tot de 19de eeuw weinig voor. Hoe kan het dat juist twee Britten, John Constable en William Turner, met hun landschappen revolutionair bleken?

John Constable: Brighton Beach (1824).Beeld Victoria and Albert Museum, London

Dit verbaasde mij, u misschien ook: moderne kunst is ontstaan in Engeland. Een dikke twee eeuwen terug, rond 1800. De Franse Revolutie was achter de rug, in Europa woedden de napoleontische oorlogen en op het Britse eiland werkten twee jonge landschapschilders die weldra nieuwe betekenis zouden geven aan de ideeën van romantiek en realisme. Beiden hebben nu een blockbustershow in Londen: John Constable (1776-1837) en William Turner (1775-1851).

Toegegeven: terugkijkend is het op z'n zwakst gezegd verrassend dat juist in Engeland de kiem werd gelegd voor de moderne kunst. Op een volwaardige schilderkunstige traditie konden de Britten indertijd niet bogen. Schilderijen dienden aldaar tot ver in de 18de eeuw vooral ter verstrooiing van connaisseurs en die waren tuk op hun Titiaans, Van Dycks, Canaletto's en andere Europese meesters, maar ze haalden hun neus op voor een landgenoot.

Pas na de oprichting van de Royal Academy of Arts in 1768 door koning George III en de daaraan gekoppelde jaarlijkse tentoonstellingen ontstond een volwaardig platform voor 18de-eeuwers om hun waar te tonen en kreeg de Britse kunst een eigen smoel. Het genre waarin die eigenheid zich het sterkst manifesteerde, was ook direct het meest veronachtzaamde: de landschapschilderkunst.

Ook daarin blonken de Britten van oudsher immers niet uit. Eigenlijk bestond het slechts in één hoedanigheid: de topografische. Zei men landschap, dan bedoelde men een gortdroge weergave van het buitenhuis, landgoed, renpaard of jachthond dat de duke van zus en zo of de earl van dit en dat graag vereeuwigd zag.

De industriële revolutie veranderde dat. Die vormde aanleiding voor een herwaardering van het eigen platteland: als rustplaats en recreatieplek, als iets wat je kon koesteren en cultiveren, als tot de verbeelding sprekend onderwerp voor kunstenaars. Dat was hoe de schilderkunst erbij lag: een lapje jonge grond; kalig, maar niet onvruchtbaar.

Toen kwamen Turner en Constable.

Turner was een kapperszoon uit Covent Garden, gedrongen, kop als een afgemat trekpaard, maar al op zijn 24ste Academy-lid en met een miljoenenpraktijk zeer succesvol. Constable was een well-to-do boerenzoon uit Deadham Vale, Suffolk. Een amateurschilder, pretty-boy, integer, maar veronachtzaamd: in eigen land verkocht hij gedurende zijn leven slechts twintig schilderijen.

Turner en Constable hielden er een gezonde rivaliteit op na. Klassiek is het verhaal van Turner, die op de dag van een vernissage een blik wierp op een van zijn zeegezichten, vervolgens op die van buurman Constable, verf tevoorschijn haalde, en een felrode boei op zijn doek aanbracht. Al even klassiek is Constable's wanhopige reactie: 'He has been here, and fired a gun!' Maar de competitie was ondertussen wel vruchtbaar. Het veroorzaakte een nieuwe benadering van het landschap.

Woeste en omstuimige

Wat Turner aan de traditie toevoegde is bekend: bravoure, emotie, atmosfeer, het moderne Engeland ook, compleet met stoomtreinen en overstekende konijntjes. Hij had een obsessie: de klassieken, in het bijzonder het werk van de Fransman Claude Lorrain (zijn Dido bouwt Carthago en De Ondergang van het Carthaagse rijk liet hij na aan de National Gallery met als eis dat het in de nabijheid van Claude's werk zou worden getoond). Diens arcadische landschappen heuveltje, herder, slang die iemand wurgt wilde hij evenaren, maar zijn talent lag elders; bij het woeste en onstuimige.

Turners werk is heel herkenbaar: een stuk land of zee, fictief en soms ook bestaand, gevuld met zon, mist, nevel, water, atmosfeer, zo vet geschilderd dat het tastbaar lijkt. De latere schilderijen neigen naar het abstracte. Wolken van kleur, oker, grijs, ijsblauw, impasto geschilderd; streken, vegen en krassen, soms stellen ze boten voor. Soms ook: mensen. Een enkele keer: God. Ze laten je ogen schakelen tussen verf en voorstelling; knijp ze toe en wat je ziet is abstract expressionisme. Regelmatig herinnert enkel de horizon nog aan een landschap.

William Turner: Peace - Burial at sea, 1824.Beeld The National Gallery, Londen

Dooddoener

Dan Constable. Zijn aandeel is minder uitgesproken, maar niet minder belangrijk. Ook voor hem was een landschap een levend ding; iets waaruit gevoel sprak. Niet voor niets noemde hij de lucht zijn chief organ of sentiment, maar zijn benadering was tegengesteld aan die van Turner. Hij bewoog niet weg van de dingen, maar er juist naartoe. Schilderen was voor hem een oefening in kijken.

Oké, dat klinkt als een dooddoener: welke schilder kijkt niet? Maar echt kijken is geen vanzelfsprekendheid, toen niet in een eeuw dat landschap nog synoniem was voor modeltreinheuvels met plastic boompjes en ook nu niet. Leg deze krant maar eens opzij, en stel u het linkeroog van uw geliefde voor (iemand anders mag ook). Beter nog: maak er een tekeningetje van. Wat voor vorm heeft dat oog eigenlijk? En dat ooglid, hoe valt dat nu precies over de bol. Knap lastig, niet? De dingen die ons het meest vertrouwd zijn, bekijken we vaak het slechtst.

Daar kwam ten tijde van Turner en Constable nog iets bij: de rol van de Academy. Die was dwingend. First president Sir Joshua Reynolds, die vanwege zijn duimdikke lagen vernis achter zijn rug Sir Sploshua werd genoemd, had een paar decennia eerder in zijn Discourse geschreven: 'In plaats van de mensheid te amuseren met de perfectie van zijn imitaties, probeert de echte schilder haar te verbeteren met de grootsheid van zijn ideeën.' Daar zit geen woord Spaans bij. Schilderkunst was voor de Academici ideeënkunst, en die ideeën diende men te halen bij de klassieken.

Veel schilders gaven daaraan gehoor. Constable soms. Maar nooit slaafs. Hij woonde de helft van het jaar in Londen, en daar kreeg-ie een slecht humeur van, maar de andere helft zat hij op het platteland: in Suffolk en Salisbury en Brighton aan zee. Daar legde hij in schetsboekjes de omgeving vast: bruggen, een oude watermolen, een stuk boomschors, wolken. Dat leverde verfrissende inzichten op niet voor ons, misschien, wel voor een vroeg 19de-eeuwer. Dat het licht in Engeland niet geel, maar waterig blauwgrijs is, om iets te noemen, een schaduw niet zwart, maar gekleurd. Het was het verschil tussen schilderen wat je weet, en schilderen wat je ziet. Realisme dus.

William TurnerBeeld -
Beeld Claude Monet
Beeld Mark Rothko

Sprong

William Turner was geen abstracte schilder. Wel was hij een van de eerste ­westerse figuratieve schilders die de abstractie benaderde, een karakterisering die ook van toepassing is op bijvoorbeeld het late werk van Claude Monet. Amerikaanse schilders als Mark Rothko – die grote bewondering voor Turner koesterden – maakten de sprong wel en maakten halverwege 20ste eeuw ­volledig abstract werk.

Op Constable: a master in the making, een magnifieke tentoonstelling over Constable's werkpraktijk, de kunstenaars die hij verzamelde en hem inspireerden incluis, in het Londense Victoria & Albert Museum, hangen veel van zulke studies. En, daar ga ik niet lafjes over doen, die zijn een genot om naar te kijken. Noemenswaardig is dan bijvoorbeeld een reep papier met olieverf: twee vrouwtjes op het strand met de wind in de rug onder een kluitige wolkenlucht, zwaar en donker van regen, of de tekening waarop een onweersbui daadwerkelijk is losgebarsten, pilaren van water die neerslaan op zee. De toets is snel en raak, de kracht van suggestie optimaal. Eigenlijk had Constable alles om de eerste impressionist te worden.

Dat werd hij, heel frappant, niet, net zomin als Turner de eerste volledig abstracte schilder werd. Constable's befaamde six-footers de uitgewerkte doeken die hij op de jaarlijks Academy-show toonde The Hay Wain en The Leaping Horse, zijn een staalkaart van meteorologische gesteldheden: bliksem, zonnestralen, regenbogen en wolkenconstellaties. Maar ook: donker, zwaar, een stap terug vergeleken met zijn studies zwarte schaduwen alom.

En Turner wijst qua schildersgebaar en sfeer wel vooruit naar de abstract-expressionisten uit de 20ste eeuw, maar het zijn nog altijd Mercurius en Augustus die daar gemoedelijk zitten te keuvelen op een rots. Het romantische kader was kennelijk hardnekkig, de greep van de Royal Academy innig. Sir Sploshua kon tevreden zijn: de werkelijke sprongen naar de moderniteit bleven uit.

Die volgden later, toen Franse en Amerikaanse schilders het karwei voortzetten. Bij Turner: Whistler, Monet, Rothko, Cy Twombly. Bij Constable: Delacroix, Courbet, Manet; later ook door Lucian Freud. Zij werden waarachtig abstract zonder verhalende en romantische connotaties; zij durfden de impressie als volwaardig kunstwerk te presenteren. Onderweg knikten ze regelmatig terug naar de schilders die het pad hadden geëffend: Brítse schilders.

John Constable: The Making of a Master. Victoria & Albert Museum, Londen, t/m 11/1. vam.ac.uk
Late Turner: Painting Set Free. Tate Britain, Londen, t/m 25/1. tate.org.uk

Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met de Volkskrant?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van de Volkskrant rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright @volkskrant.nl.
© 2020 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden