Column De jonge rembrandt

Hoe Rembrandt een engel uit Italië liet overvliegen

Rembrandt woonde de eerste 25 jaar van zijn leven in Leiden. Onno Blom werkt aan een biografie van die jaren en doet daarover hier een jaar lang verslag. 

Rembrandt van Rijn, Het offer van Abraham (1635). Beeld Heritage Images/Getty Images

Rembrandt is nooit in Italië geweest. Hij was honkvast. Toen Constantijn Huygens hem opzocht in Leiden, verbaasde hij zich erover dat Rembrandt, net als zijn vriend Jan Lievens, geen studiereis maakte naar het beloofde land van de kunst. Dan pas zou hun artistieke opleiding voltooid zijn.

‘Wat zou ik het op prijs stellen’, schreef Huygens, ‘als zij kennis zouden maken met een Rafaël en een Michelangelo en de moeite zouden nemen hun ogen te laven aan de scheppingen van zovele reusachtige geesten! Hoe snel zouden zij dat alles beter kunnen en de Italianen redenen geven naar hun eigen Holland te komen.’

De jongens verdedigden zich door te zeggen dat zij geen tijd wilden verdoen aan verre reizen. Bovendien, zeiden zij, de beste Italiaanse schilderijen moet men buiten Italië zoeken. Wat je ginds met veel moeite her en der verspreid opspoort, krijg je hier in overvloed te zien.’

Had Rembrandt gelijk?

In elk geval bestudeerde hij de prenten van Italiaanse meesters intensief. De inventaris van zijn inboedel uit 1656 vermeldt kunstboeken van Rafaël, Mantegna en Michelangelo. Bovendien heeft Rembrandt goed gekeken naar het werk van de Utrechtse schilders die in Italië het vuur uit de nacht stalen, zoals Gerard van Honthorst die niet voor niets ‘Gherardo della Notte’ werd genoemd.

In de ateliers van zijn leermeesters ving Rembrandt de eerste glimpen op van het gouden Italiaanse licht. Zijn eerste meester, Jacob van Swanenburg, had 25 jaar in Italië gewoond en was getrouwd met een Napolitaanse. Hij schilderde het vuur van de Inferno. Zijn tweede leermeester, Pieter Lastman, verkeerde vijf jaar lang in kunstenaarskringen in Rome. Hij stond vroeg op om het ochtendlicht over de ruïnes op de Palatino te zien strijken en signeerde zijn werk met ‘Pietro’.

Via zijn leermeesters is Rembrandt wél in Italië geweest.

Aan het einde van mijn studie mocht ik drie maanden op het Istituto Olandese in Rome wonen. Elke dag liep ik in de voetstappen van beroemde Nederlandse schilders en schrijvers door de Eeuwige Stad. Elke dag stapte ik de San Luigi dei Francesi binnen, de kerk van de Fransen tussen Piazza Navona en het Pantheon. In de koele duisternis ging ik naar de Contarelli-kapel, deed een muntje van 500 lire in de meter, en het licht floepte aan. Ademloos staarde ik naar de lieflijke engel die de oude evangelist Mattheüs inspiratie influistert.

Het schilderij van Michelangelo Merisi da Caravaggio sloeg in 1602 in als een bom. Zo sensueel en realistisch hadden de Romeinen het nog nooit gezien. Caravaggio had van de Franse kardinaal zelfs een nieuwe versie moeten maken omdat de eerste, waarop de engel bijna is verstrengeld met Mattheüs, te provocatief was.

Buitenlandse schilders die in Rome inspiratie kwamen opdoen waren al even verbluft. Adam Elsheimer uit Frankfurt maakte een kopie van het schilderij. En Pieter Lastman ‘raapte’ – een vorm van edele diefstal – de engel van Elsheimers kopie voor een grisaille van Het offer van Abraham.

En Rembrandt? Die raapte in 1635 op zijn beurt van zijn leermeester Lastman.

Zo vloog de engel van Caravaggio over de Alpen Rembrandts offer van Abraham binnen. Net op tijd om Abrahams arm te grijpen en diens zoon Isaac te redden van een wisse dood.

Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met de Volkskrant?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van de Volkskrant rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@volkskrant.nl.