Interview Rob van Essen

‘Hoe meer mensen willen schrijven, hoe minder belangrijk literatuur wordt’

Schrijver Rob van Essen. Beeld Marie Wanders

Hoe schrijft de schrijver? Rob van Essen, genomineerd voor de Libris Literatuurprijs 2019, over de grenzen van het eigen hoofd, de overbodigheid van literatuur en de geruststellende troost van een goede redacteur.

Wanneer is een boek een goed boek? ‘Als je wordt meegesleept door de stem van de schrijver’, zegt Rob van Essen. ‘Uiteindelijk zijn het niet de personages met wie je je identificeert, maar is het de schrijver. Als het hem lukt mij mee te nemen door zijn hoofd, me te verrassen met zijn vondsten en wendingen, dan ben ik echt een heel opgetogen lezer. Een van de eerste boeken die mij dat inzicht gaf is Tristram Shandy, in de achttiende eeuw geschreven door Laurence Sterne, toen de roman als genre nog maar net bestond. Sterne durft in dat boek zulke rare dingen te doen, met het verhaal, met de personages, in opbouw. En in stijl, hij spreekt de lezer soms opeens rechtstreeks toe. Daar kan ik enorm van genieten.’

Rob van Essen (55) is schrijver, vertaler en recensent voor NRC Handelsblad. Zijn nieuwste roman De goede zoon voldoet in alle opzichten aan zijn eigen definitie van een goed boek. Behalve meeslepend en verrassend is het ook ontroerend, intelligent en rijk, vol overpeinzingen – over kunst, literatuur en over het wezen en de toekomst van de mens – die nog lang in je hoofd blijven ronddraaien.

Het verhaal speelt in de nabije toekomst en is tamelijk krankzinnig: naamloze verteller, 60 jaar, wordt meegenomen naar een onbekende bestemming om het gat in het geheugen van een ex-collega op te vullen met zijn eigen herinneringen. Toch accepteer je het als lezer allemaal probleemloos. Net als de intieme verhouding die de verteller opbouwt met een zelfrijdende auto, de aanwezigheid van ‘robo’s’ in hotelrecepties en verzorgingshuizen, de wc die de ochtenddrol analyseert en het bed dat na het wakker worden meedeelt hoe je hebt geslapen. Van Essen: ‘Die wc bestaat dus al, hè. Die heb ik niet verzonnen. Wat je niet verzint, vinden mensen vaak de mooiste verzinsels.’

De goede zoon is juichend ontvangen, ook door de jury van de Libris Literatuurprijs 2019 die de roman op de shortlist zette en maandag mogelijk met de hoofdprijs bekroont.

Rob van Essen (1963) debuteerde in 1996 met Reddend zwemmen en schreef acht romans, twee autobiografische kronieken en twee verhalenbundels waarvan er een (Hier wonen ook mensen) in 2015 werd bekroond met de J.M.A. Biesheuvelprijs. Zijn roman Visser werd in 2009 genomineerd voor de Libris Literatuurprijs, net als De goede zoon (2018); maandag wordt de winnaar van de Libris Literatuurprijs 2019 in Nieuwsuur bekendgemaakt. Van Essen woont in Amsterdam en heeft verkering met een schrijfster.

Hoe belangrijk is die prijs voor je? Tien jaar geleden stond je ook op de shortlist, met Visser.

De goede zoon is wel een boek waarmee ik graag de Libris zou winnen. Het is op een bepaalde manier mijn meest autobiografische boek tot nu toe, de culminatie van alles wat ik hiervoor heb geschreven. Maar het is niet rampzalig als ik hem niet win – ik heb inderdaad eerder op longlists en shortlists gestaan. Hét moment van teleurstelling is als je de shortlist niet haalt. Dan is de teleurstelling veel groter dan wanneer je de prijs niet wint. Denk ik nu, maar ik ben nooit eerder favoriet geweest hoor. En die 50 duizend euro zou natuurlijk ook erg fijn zijn.’

Kun je van je schrijverschap leven?

‘Nee, al heeft alles wat ik doe wel met schrijven te maken. Zo nu en dan krijg ik een werkbeurs van het Letterenfonds, die ik niet voor elk boek aanvraag, bewust niet omdat je anders echt aan een infuus ligt en totaal afhankelijk wordt; dan zou ik me bijna zo’n onderhouden vrouw voelen, zo’n maintenee, hoe noem je dat…’

Een hoer.

‘Ja, een hoer.’

Op de cd-speler ligt een box met klavecimbelwerken van François Couperin. Op deze muziek schrijft Van Essen al zijn boeken, hij kocht de cd’s jaren geleden bij het Kruidvat. ‘Ik draai ze van cd 1 tot 11 en dan weer terug. Het is fijn dat het klavecimbel is en geen piano, want piano gaat harder en zachter dus dat leidt af.’

Schrijver Rob van Essen in zijn huis in Amsterdam Beeld Marie Wanders

Hoe lang heb je over het boek gedaan?

‘Heel lang en ook vrij kort. Het idee bedacht ik vijf jaar geleden: twee ex-leden van een geheime dienst, die ooit hebben geholpen een crimineel een nieuwe identiteit te geven, moeten na hun pensionering weer aan de bak omdat die crimineel zijn geheugen is verloren. Geen idee meer hoe ik daaraan kwam maar het is een beginnetje, al heb je er nog geen roman mee. Er kwamen andere boeken tussendoor en dit bleef sudderen. Ik had er een werkbeurs voor gekregen, dat was een goeie stok achter de deur.

‘Een paar jaar geleden dacht ik: ik plaats het verhaal in de toekomst. Het moet een roadtrip worden, het mag best absurd zijn, en van de verteller maak ik een soort alter ego. Daardoor kwam er een zijpaadje over kunst. Een ander lijntje was de moeder; mijn moeder was al jaren dementerend en ik ging er elke week naartoe. Vreemd genoeg, en ook wreed genoeg, overleed ze vorig jaar februari – in het boek is ze 100, in het echt was ze 93 – en toen dacht ik: natuurlijk, hij moet een dóde moeder hebben. Daarna ben ik pas echt goed gaan schrijven. In februari, maart en april 2018 heb ik het boek afgemaakt, met Couperin.’

De eerste zin is ‘Ik had vandaag ruzie bij de kassa van de Albert Heijn in de Rijnstraat’. Was dat ook de eerste zin die je opschreef?

‘Dat weet ik niet meer, maar die scène in de Albert Heijn had ik wel heel vroeg. Ik wilde mijn verteller boos binnen laten komen. Mijn personages zijn vaak passief, hun overkomt van alles en daar doen ze weinig mee. Deze hoofdpersoon is ook zo’n zachte man maar aan het begin laat ik hem een woedende monoloog afsteken; hopelijk heb je dan het idee dat onder al die passiviteit toch iets sluimert.’

Verreweg het leukste personage in De goede zoon is geen mens maar een zelfrijdende, lichtblauwe auto die de verteller meeneemt op een lange tocht naar het zuiden en hem onderweg adviseert, toezingt en op alle denkbare manieren in de watten legt. Die auto kwam pas laat het verhaal binnengereden, zegt Van Essen: ‘Hij was het laatste stukje in een legpuzzel, uit nood geboren. Mijn verteller trekt in het begin op met Lennox, zijn vriend van vroeger, maar die twee zijn na één dag onderweg eigenlijk wel klaar met elkaar. En ik wilde hem een roadtrip laten maken van een aantal dagen. Toen ik die auto had bedacht, ging de rest vanzelf. Als je eenmaal zo’n stem hebt, kun je heel ver gaan.’

De auto is menselijker dan de mensen in het boek en levert daarmee een intrigerende bijdrage aan de centrale vraag die Van Essen stelt: wanneer zijn mensen werkelijk zichzelf, wat maakt mensen tot de mensen die ze zijn? Hun verstand, hun ervaringen, het geheugen? ‘Stel dat je straks rechtstreeks ervaringen kan kopen, of dat we in herinneringen kunnen handelen’, zegt Lennox op zeker moment tegen de verteller. ‘Wie zijn we dan nog? Als we zijn af te lezen, uit te lezen, hebben we niets meer voor onszelf. En als we ervaringen kunnen kopen, bestaan we dan eigenlijk nog wel?’ Van Essen: ‘De vraag met kunstmatige intelligentie is altijd: als je empathie bespeurt, ís het er dan ook? Maar dat kun je je bij mensen ook afvragen. Alles wat je meemaakt, speelt zich af in je eigen hoofd, het is allemaal een kwestie van interpretatie.’

Beeld Marie Wanders

We hebben apparaten gemaakt die terugpraten, schrijf je, die op ons lijken met dit verschil dat hun expansiemogelijkheden grenzeloos zijn, omdat ze zich kunnen doorontwikkelen; wij mensen zijn straks de achterblijvers.

‘Wij denken dat we apparaten maken die ten dienste staan van ons. Maar als we iets met intelligentie uitrusten, waarom zou het zich dan in godsnaam om ons blijven bekommeren? Ian McEwan schrijft hier ook over in Machines Like Me, ik vond het als roman niet goed maar er zitten wel veel interessante dingen in, over robots die je kan kopen en die niet meer van echte mensen te onderscheiden zijn.’

Is dat een onderwerp waar je veel mee bezig bent?

‘Toen ik dat boek schreef wel. Maar je ziet: ik heb nog cd’s en in de trein luister ik naar muziek via mijn oude iPod classic. Ik heb geen gadgets in huis en bezit ook geen iPhone met Siri. Voor mijn generatie zijn robots vreemd omdat we er niet mee zijn grootgebracht; we hebben de oude wereld nog meegemaakt. Maar ik denk wel dat er met kunstmatige intelligentie een soort nieuwe evolutielijn ontstaat. En het is opmerkelijk hoe normaal jongere generaties dat vinden.’

In de wereld van De goede zoon is de literatuur verdwenen want iederéén is aan het schrijven geslagen. En de enkeling die geen boeken schrijft maar ze leest, wil daarin niks verrassends of afwijkends tegenkomen, maar vooral zichzelf terugzien.

Denk je zelf ook dat literatuur overbodig wordt?

‘Hoe meer mensen willen schrijven, hoe minder belangrijk literatuur wordt. Er zullen heus wel mensen boeken blijven kopen, maar het wordt een steeds kleinere niche. Je hoort nu mensen al zeggen dat Netflix het nieuwe lezen is. Ik vind dat zelf iets totaal anders; bij Netflix zit je niet in een hoofd maar in een verhaal. Wat ook héél meeslepend kan zijn, Breaking Bad is geweldig, maar het is een heel andere ervaring dan het lezen van een boek. Ik zal altijd romans blijven lezen.’

Je hebt zelf lesgegeven op de Schrijversvakschool. Enig idee waarom zoveel mensen willen schrijven?

‘Dat vraag ik me ook af. Niet voor het geld. Schrijven heeft nu nog aanzien, dat speelt mee. Het geeft status. En de meeste mensen hebben ook wel een verhaal. Als je het vastlegt, heb je in elk geval een bewijs van je bestaan, ik denk dat dat het is. Ik kijk zelf ook wel trots naar mijn rijtje van twaalf boeken: dat staat er in elk geval!’

Wanneer dacht jij: ik word schrijver?

‘O, al heel vroeg. Mijn vader schreef christelijke kinderboeken, dus voor mij was schrijven heel normaal; zodra ik letters kende, ging ik op zijn typemachine verhaaltjes maken.’

Christelijke verhaaltjes.

‘Ja, ik kom uit een zwaar christelijk milieu. Gereformeerde Gemeente, dat is een van de strengste zwartekousengemeenschappen. Ik had ook niet zo’n idee wat ik anders moest gaan doen. Ik vond kunst interessant en heb nog toelatingsexamen gedaan bij de Rietveldacademie, waar ik niet werd aangenomen. Tien jaar geleden heb ik nog even kunstgeschiedenis gestudeerd. Ik wilde wel mijn propedeuse halen want ik had nog nooit in mijn leven iets afgemaakt.’

Ook je vwo niet?

‘Nee. Ik ben voortijdig van school gegaan.’

Net als de verteller uit je boek.

‘Ja, het is echt voor een groot deel mijn eigen verhaal. Mijn ouders hebben net als die van de verteller een aantal jaren met de kerk gebroken maar zijn er later naar teruggekeerd. In hun goddeloze jaren kochten ze boeken die daarna het huis weer uit moesten, op een paar na; een van de boeken die de zuivering overleefden was Kopstukken van Godfried Bomans, die stond keurig tussen de christelijke schrijvers. Toen we 10, 11 jaar oud waren, lazen mijn broers en ik dat en daar ben ik nog steeds ontzettend blij mee, want dankzij Bomans en Carmiggelt heb ik het belang van humor ontdekt. Later kwam Nescio erbij; die had humor én melancholie, een mooie combinatie. Ik heb me er later wel weer van moeten bevrijden, zeker van Bomans.

‘Het verhaal over de moeder in het verzorgingstehuis is ook gebaseerd op mijn eigen ervaringen. Dit leek me de enige manier waarop ik de dood van mijn moeder in een boek kon verwerken. Ik zou nooit rechtstreeks over haar willen schrijven, zoals Hugo Borst of Nico Dijkshoorn, dat is een te voorspelbaar genre geworden: schrijver van middelbare leeftijd, moeder of vader gaat dood, boek. Dat kon niet meer. Het moest echt worden ingebed in een verhaal.’

Schrijver Rob van Essen in zijn huis in Amsterdam. Beeld Marie Wanders

‘De goede zoon / Het is geen liefde het is machtsvertoon’, rijmt de verteller op pagina 316. Die zin leek mij de crux van het boek.

‘Zeker, dat is de crux, en die stop ik dan in één achteloos zinnetje. Het ís ook machtsvertoon. Ze zat in zo’n christelijk tehuis met vrouwen die het heel aardig vonden dat ik elke week kwam, ik kwam daar in een warm bad, ik was echt de goede zoon. Maar ik dacht, zeker toen mijn moeder dement was en de dagen niet meer uit elkaar kon houden: voor wie doe ik dit eigenlijk? Voor haar of voor mezelf? Ik mis het ritme van die woensdagmiddagen nog steeds, het hele ritueel van de treinreis naar Naarden-Bussum en de wandeling over de hei en door het bos.’

En nu ligt haar levensverhaal voor eeuwig vast, maar wel door jouw ogen.

‘Het boek is een daad van liefde, maar ook van barbaarse liefde. Een van mijn zussen zei: ik vond het een goed boek, maar die scène waarin ze bloot ligt als ze dood is, kon ik niet lezen, dat kun je niet maken. Ik begreep haar kritiek wel. Als je dood bent, ben je op een bepaalde manier vogelvrij. En een schrijver schrijft natuurlijk nooit voor zijn familie, maar je bent niet alleen schrijver, je bent ook gewoon een mens.’

Over welke passage ben je het meest tevreden?

‘Over de scène met de zelfrijdende auto. Eigenlijk nog meer dan de dood van de moeder gaf dat idee mij echt hoop. Ik zag: hier overtreft het boek zijn eigen idee, zijn eigen concept. Hij was de kennelijke consequentie van wat ik had geschreven zonder dat ik het wist. Het werkte meteen, het gaf het boek vaart, letterlijk; die auto rijdt als een gek weg.

‘Het ergste met zo’n boek dat is opgebouwd als road novel is dat het op een gegeven moment inzakt, dat de lezer denkt: nu weten we het wel. Renate Dorrestein geeft in Het geheim van de schrijver een heel goeie tip aan auteurs: sla het middendeel over. Als je je begin eenmaal hebt en de posities uitstaan, moet je volgens haar meteen aan het eindspel beginnen.’

Hoe heb je schrijven geleerd?

‘Door het te gaan doen en door te oefenen. Ik heb heel veel opgestuurd naar uitgevers en weer teruggekregen; er is een korte roman van mij uit de jaren tachtig die zo’n beetje alle uitgeverijen van Nederland heeft gezien.’

Maar je bleef manuscripten opsturen.

‘Ja. Ik dacht: ooit gaat het lukken. Ik wist niet waar ik stond maar als ik zag wat er zoal uitkwam, dacht ik nooit: ik kan maar beter gaan bloemschikken. Dan dacht ik toch steeds: daar pas ik wel tussen. Adriaan Jaeggi heeft me ooit binnengehaald bij Thomas Rap, nu zit ik al jaren bij Atlas Contact.’

Heeft je redacteur veel aan dit boek gedaan?

‘Sander Blom heeft me geholpen met de ordening, bijvoorbeeld door het geven van hoofdstuktitels, waardoor het onderscheid tussen flashbacks en het heden duidelijker werd. Maar het belangrijkste dat Sander heeft gedaan, is zeggen dat het werkte. Ik twijfelde hevig aan dit boek en hij heeft me ervan overtuigd dat het goed was. Sander geloofde er zó in, dat hij me beloofde dat hij de schedel van Damien Hirst op zijn lichaam zou tatoeëren als het boek niet op een shortlist zou komen. Dat gaf mij wel vertrouwen. Helaas antwoordde ik toen dat als het wel een shortlist zou halen, ik de tatoeage zou laten zetten. En als ik de prijs win, worden het er twee.’

Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met de Volkskrant?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van de Volkskrant rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright @volkskrant.nl.
© 2019 de Persgroep Nederland B.V. - alle rechten voorbehouden