Hoe Matthijs Maris vastliep in zijn drang naar perfectie

Volgens Stefan Kuiper is hij eerder het grootste verspilde talent dan de eerste moderne schilder

Hoe komt het dat de 19de-eeuwse schilder Matthijs Maris de belofte van zijn genialiteit nooit heeft kunnen inlossen? In het Rijks noemen ze hem de eerste echt moderne schilder. Dat vindt Stefan Kuiper wat te veel eer. En ook veel te lief.

Matthijs Maris, De Oorsprong te Oosterbeek, 1860. Foto Collectie Gemeentemuseum Den Haag

Een van de vermakelijkste verhalen over artistieke zelfverblinding is Het onbekende meesterwerk (Le Chef-d'oeuvre inconnu) van de 19de-eeuwse Franse schrijver Honoré de Balzac. Hierin schept een oude schilder tegen twee jonge collega's op over een portret waaraan hij al tien jaar werkt, Het notenmeisje. Het schilderij zou een meesterwerk zijn dat zijn weerga niet kent, maar wanneer de nieuwsgierige pupillen hem vragen het te tonen, weigert de oude opsnijder beslist: 'Tien jaar heb ik met deze vrouw geleefd. Ze is van mij alleen! Ze houdt van mij! Haar tonen zou prostitutie zijn.'

Perfectionisme

Via een list krijgen de schilders Het notenmeisje uiteindelijk toch te zien. Veel indruk maakt het zogenaamde meesterwerk niet. In de non-descripte, duimdikke verflaag valt amper een meisje te herkennen ('Was dat een voet?'). De maker, zo concludeert het tweetal, was kennelijk zo in de ban geraakt van wat het portret kón zijn, dat hij niet meer zag wat er in werkelijkheid voor zijn neus stond. Zijn dolgedraaide perfectionisme had de oude baas het zicht op de realiteit ontnomen.

De kunstenaar wiens ambities zo hemelhoog zijn dat het een verlammende uitwerking heeft op zijn productie: in de kunstgeschiedenis is het een steeds terugkerend archetype. Het lot van zulke makers is niet te benijden. Frustratie is hun dagelijks brood. Goed is bij hen zelden goed genoeg, want goed bevindt zich altijd nét achter de horizon, net buiten bereik. Men denke bij zulke kunstenaars aan het personage Bavink, de onfortuinlijke schilder uit Nescio's Titaantjes, die God wilde vangen op 'een brokkie linnen', en aan de Amerikaanse Jay DeFeo, die acht jaar werkte aan haar schilderij The Rose (het woog een ton; toen het uit haar appartement werd verwijderd, moest er een takelwagen aan te pas komen). Maar ook aan Matthijs Maris (Den Haag 1839 - Londen 1917).

Broederliefde 

Stel: je bent schilder. En je bent weer eens platzak. Om snel geld te verdienen besluit je een stadsgezichtje te schilderen, eentje gebaseerd op een stereofoto van Amsterdam, met Parijse huizen toegevoegd in de achtergrond. Probleem: het enige doek tot je beschikking is een onvoltooid schilderij van je broer. Zou je het gebruiken? Matthijs Maris wel. Zijn Souvenir d'Amsterdam (1871, Rijksmuseum) schilderde hij namelijk over een halfvoltooid landschap van zijn broer Jacob.

Matthijs Maris, Meisje met spinrokken, 1873.

Driftig

Matthijs Maris was een tijdgenoot van Manet, Baudelaire, Van Gogh, Couperus en Domela Nieuwenhuis. Hij was de middelste van drie schilderende broers, een kundige, eenzelvige en ook driftige man - geen happy camper. Maris schilderde landschappen en portretten, zij het met frisse tegenzin ('potboilers' - stuiverromans, noemde hij zulk werk). Zijn hart lag bij fantasiestukken waarin een bijzondere rol was weggelegd voor kinderen en adolescente meisjes, schilderijen die gaandeweg een ijler en ondoorgrondelijker karakter kregen; denk aan de prerafaëlieten, maar dan in nevelen gehuld. Maris had succes, hechtte er geen waarde aan en eindigde eenzaam en verbitterd. 'Mijn leventje', noteerde hij in zijn particuliere mengelmoestaaltje, 'has been een teleurstellende bezigheid'.

En het begon zo veelbelovend. Van alle getalenteerde schilders die er in de tweede helft van de 19de eeuw in Nederland rondliepen, was Matthijs Maris misschien wel de kundigste. Hij studeerde op een koninklijke toelage in Antwerpen, waar hij een kamer en ook het bed deelde met collega Lourens Alma Tadema, en in Parijs, ditmaal onderdak vindend bij het gezin van zijn broer, de zachtaardige Jacob.

Ongelukkig

In Parijs maakte Maris het veelgeprezen schilderij De vlinders en kwam hij in contact met kunsthandelaar Daniel Cottier, op wiens uitnodiging hij uitweek naar Londen. Het werd een ongelukkige samenwerking. Cottier spoorde Maris aan veel en goed verkoopbaar werk te maken waarop de gevoelige schilder van de weeromstuit steeds minder produceerde, en uiteindelijk met opgestoken veren vertrok - waarna de neergang inzette. Maris schilderde steeds minder, maar schreef des te meer. Brieven. Vanuit zijn Londense twee-kamerappartement bestookte hij het thuisfront met soms wel veertig kantjes tellende tirades tegen de kunsthandel. Kunstcriticus-schilder Jan Veth zocht hem op. Hij trof 'een verdrietige, souffrante, oude man'.

Dit trieste lot dankte Maris deels aan zichzelf. De 'onvolgroeide', amoureus onfortuinlijke 'Thijs' zou hebben uitgeblonken in irritant gedrag. Kankeren op de kunsthandel (consequent aangeduid als 'Het Centje'), maar wel op de zak van zo'n kunsthandelaar teren (die van Elbert Jan van Wisselingh, om precies te zijn). Journalisten die zich de moeite getroostten hem in Londen op te zoeken op lullige wijze de maat nemen. Maris: een trotse, narrige man die de 'wanhoop en teleurstelling' die hem op zijn oude dag ten deel vielen deels over zichzelf afriep.

Matthijs Maris, De Vlinders. 1874. Foto Glasgow, Glasgow Museums (The Burrell Collection)

Overzicht

Het Rijksmuseum toont nu een overzicht van Maris' werk, het eerste sinds het retrospectief van 1975 in het Gemeentemuseum in Den Haag. Men treft er zijn hele loopbaan in schilderijen, etsen en tekeningen, deels afkomstig uit de Glasgowse Burrell Collection, een primeur, met de reusachtige De schaapherderin (monumental conception of humanity) als klapstuk. Het is een liefdevol en zorgvuldig gemaakte expositie (die vergezeld gaat van twee al even liefdevol en zorgvuldig uitgevoerde publicaties); wellicht iets te stemmig. Al die bruinen en grijzen... Wie de herfst wil ontvluchten, moet niet hier zijn.

Maris had bepaald een flitsende start, zien we in de eerste zalen. Daar hangen onder meer de studies die de schilder in de omgeving van Den Haag, Oosterbeek en Lausanne in de buitenlucht maakte, en ze zijn uitstekend. Een stuk dampende bosgrond, de boomwortels grillig als de gezichtsbeharing van een oude man; de kop van een schaap, de vacht rul en vuil: Maris schilderde het met meer schwung dan wie dan ook. 'Thijs wist alles al, hij was een genie', sprak Jacob Maris ooit over zijn broertje. Wie deze vroege schilderijen ziet, is geneigd hem te geloven.

Het Betoverende kasteel van Matthijs Maris, gedateerd 1880 . Foto Fotografie Peter Cox, Eindhoven; Collectie Museum Jan Cunen, Oss.

Sprookjestaferelen

Maar Maris wilde geen 'man van het oog' zijn. Hij wilde een schilder zijn van 'concepties': sprookjestaferelen die iets romantisch hebben, of, zo u wilt: iets kitscherigs en Duits. Ze tonen betoverde kastelen, doornige bossen, spinsters, keukenmeiden, bruidjes. De 'concepties' werden in de loop der jaren steeds kleurlozer en ook somberder; het licht verdween eruit als uit een oxiderende spiegel. De meisjes erop bewogen zich als macabere schimmen door een niet minder macabere schemerwereld.

Toegegeven, zulk werk was geen noviteit. De breath-on-glass-stijl (de naam verwijst naar een bewasemde ruit) was populair in die tijd. William Turner legde er het fundament voor. James McNeill Whistler werd er beroemd mee. Georges Seurat perfectioneerde de werkwijze in zijn etsen van land-schappen en vrouwen. Wat zulke makers dreef, voert te ver om in twee, drie zinnen uit te leggen en verschilde bovendien per geval, maar wat terugkeert is de ambitie de wereld te omsluieren in mysterie. Het 'toovrig symboliek gewaad', noemde Maris deze kwaliteit.

Technieken

Het intrigerende is: om dit efemere effect te bereiken, wendde Maris zich tot allerlei eigenaardige, zelf aangeleerde technieken. Hij borstelde met een harde kwast de verf in het doek of kraste met een luciferhoutje in het vernis; ook schuurde hij de verflaag af met puimsteen om daarop een nieuwe aan te brengen - ad infinitum. Dergelijke kunstgrepen geven Maris' werk iets vanzelfsprekends. Het lijkt niet zozeer gemaakt als wel ontstaan, als door osmose, door tovenarij.

Veel van zulke stukken produceerde Maris niet, en dat is zwak uitgedrukt. De laatste dertig jaar van zijn leven kampte hij met een kneiter van een paintersblock. Net als de oude schilder in Balzacs verhaal zwoegde hij eindeloos op een handvol schilderijen, stukken die wanneer het werk stillag met het gezicht naar de muur van het piepkleine atelier stonden; 'steenen' die gaandeweg alleen maar vager werden. Maris piekerde er niet over om deze werken vrij te geven voor de markt. Hij waakte erover als een neurotische eekhoorn over zijn schamele wintervoorraad.

Matthijs Maris, Extase, circa 1897-1906.

De laatste Maris

In het Rijks stond ik een tijdje voor zo'n 'steen': Grief (Vanished Illusions), een late Maris. Sterker: de laatste Maris - het stond op des schilders ezel toen hij in 1917 overleed. In een aardedonkere ruimte knielt een vrouw bij een altaartje, maar dat moet je weten; wat mij betreft had het ook een luiaard kunnen zijn die daar in het duister rondscharrelt. Het schilderij (gebaseerd op een doek van twintig jaar eerder dat weer was gebaseerd op een tekening die Maris twintig jaar dáárvoor maakte) is het verslag van een obsessie: kapotgecorrigeerd, vormloos; een motief dat tot de laatste druppel is uitgewrongen, de negatie van een motief, eigenlijk. Er is zit iets tragisch in het werk. Men ontkomt niet aan de indruk dat het iets moest compenseren wat zich niet door een schilderij laat compenseren.

In combinatie met Maris' kluizenaarsbestaan bood zulk werk onder tijdgenoten aanleiding tot mystificatie. De tachtigers dweepten ermee, net als Van Gogh, die bij Maris kwam voor schilderles (vergeefs: Maris antwoordde dat hij zich beter kon verhangen) en Jan Mankes, die een tijdje Marisachtige schilderijen maakte; anderen beschouwden ze als de aberraties van een vastgelopen wonderkind. De schilder Walter Sickert, bijvoorbeeld, rekende hardhandig met de excentrieke Hollander af. 'Mathew Maris', meende hij, 'spent half a century washing away, or pulling to pieces, a microscopic quantity of the flimsiest material imaginable'.

Matthijs Maris, Grief (Vanished Illusions), 1911-1917.

Positiever

De samenstellers van de tentoonstelling geven een positiever lezing aan Maris' late schilderijen. Zij zouden niet naar het verleden maar naar de toekomst wijzen, richting een voorstellingsloze kunst; het waren producten van een formalistische visionair, niet van een nostalgische, steeds meer aan innerlijke ballingschap ten prooi vallende dromer.

Matthijs Maris, zo betoogt men in het Rijksmuseum, kan worden gezien als de eerste echte moderne Nederlandse kunstenaar, wat sympathiek is, maar te eervol. Ik denk dat Maris wel degelijk in een impasse raakte. Hij maakte een stuk of wat meesterwerken en manoeuvreerde zich daarna - al dan niet gedwongen door krankzinnigheid - een doodlopende steeg in. Wie het grootste verspilde schildertalent van de 19de eeuw zoekt, vindt in hem een bijzonder geschikte kandidaat.

Matthijs Maris, t/m 7/1, Rijksmuseum, Amsterdam.

Meer over