Hoe kwam carnavalskraker Bloemetjesgordijn tot stand?

Hoe zat het eigenlijk met carnavalskraker Bloemetjesgordijn van componist/schoenverkoper Wim Kersten?

Beeld Eva Roefs

Er schijnt een winters licht door een bloemetjesgordijn dat er zomaar lijkt te hangen. Vergeeld mag je het zeker noemen en vergeten ook. Roosjes zijn er amper op te herkennen, net zomin als een paar vage vertakkingen en blaadjes.

Je kunt je niet voorstellen dat er één mens op aarde is die met een bloemetjesgordijn zou willen ruilen.

Wim Kersten (1924-2001) was er wel zo één, althans, zo uitte hij zich onverbiddelijk in zijn carnavalskraker uit 1980, Bloemetjesgordijn:

'Weet je wat ik wel zou willen zijn
Een bloemetjesgordijn, een bloemetjesgordijn'

Op expeditie naar de achtergronden van dit absurdistische feestlied is daar dus zomaar dit bloemetjesgordijn en nog wel in de nok van de voormalige schoenenzaak van Wim Kersten, in de binnenstad van Den Bosch. Hier woonde hij tot 1989 met zijn vrouw en twee kinderen - nu is het de opslag van kledingwinkel Lacoste.

(Artikel gaat verder onder de video)

Zoon Willem Jan Kersten (67) loopt door zijn oude jongenskamer, waar hij toch al zeker veertig jaar niet meer is geweest, en herkent talloze getuigen van weleer. Zoals een gietijzeren gaskachel, een douchebak en een kleine houten trap die nog van zijn grootmoeder moet zijn geweest. 'Ongelooflijk dat dit er allemaal nog is', roept de beeldend kunstenaar euforisch.

In de gewezen woonkamer wijst hij op de plek waar de piano stond en waar zijn vader na een dag in de schoenenzaak, moeder Rietje te bed, zijn liedjes maakte. Zijn geruite colbertje hing dan op een knaapje in de gang en zijn goed gepoetste bruine brogues had-ie omgeruild voor pantoffels. Met een ballpoint schreef hij de woorden in een schriftje, soms in het Bossche dialect, om ze later op zijn typemachine uit te tikken. Zo ging het ook bij een andere klassieker van zijn hand, Bij ons staat op de keukendeur:

'Bij ons staat op de keukendeur
Het is niet altijd rozengeur'

Wim Kerstens, de componist van het dadaïstische statement Bloemetjesgordijn. Beeld .

En dat komt goed uit, deze zingende zinnen, want in de rondleiding door het voormalige ouderlijk onderkomen is Willem Jan Kersten aangekomen bij de keuken. Maar hier valt onmogelijk de autobiografische inborst van zijn vader te checken - er is geen keukendeur meer, die is eruit gesloopt, en die is ook nergens terug te vinden. Met zijn handen voelend aan het overgeschilderde blanco behang wijst Kersten op een andere regel uit deze carnavalshit uit 1970:

'En mijn vader schreef op 't behang
Lekker is maar ene vinger lang'

'Schrijven op de deur? Of het behang? Dat mocht echt niet van mijn moeder', zegt Kersten. 'Die hield alles in de gaten, zodat het netjes bleef in huis. Mensen vroegen weleens: bij jullie is alles zeker volgekalkt? Welnee, dat heeft mijn vader bedacht. Als kind accepteer je veel van je ouders, ook de gekke dingen. Ik vond het volstrekt normale teksten, ik was maar wat trots op 'm.'

In de toenmalige kamer van zijn zus Hanneke hangt ook een gordijn, met een beduimeld strookje bloemetjesprint. Het is schier ondenkbaar dat dit de inspiratiebron van Wim Kersten moet zijn geweest. 'Maar dat ouwe bloemetjesgordijn dat nu in mijn ouwe jongenskamer hangt, kan het ook niet zijn', onthult Willem Jan. 'Dat moet er veel later opgehangen zijn. Ik had een effen gordijn.'

'Met bloemen op m'n hele lijf en ook op m'n gezicht
Weet je wat ik wel zou willen zijn, een bloemetjesgordijn'

Probeer het eens tot je door te laten dringen, deze bizarre en psychedelische bespiegeling, voortgestuwd door een stevige carnavalsgroove. In volgepakte feestzalen en cafés werd het uit volle borst meezongen met Wim Kersten en De Viltjes, deze flower-power op katoen.

In de muzikale potpourri van het carnaval was het een zeer opvallende compositie uit de koker van Kersten. Collega's als Toon Hermans (Mien, waar is m'n feestneus) en André van Duin (Er staat een paard in de gang) lieten weten geraakt te zijn door deze 'muzikale Bossche bol'. In het carnavalsjaar 1980 waren de andere succesvolle schlagers - Nederland, die heeft de bal en Alie van de Wegenwacht - lang niet zo excentriek.

Dadaïsme?

Waar het nummer nou 3 minuten en 37 seconden lang over ging - zeg maar de achtergrond en de context - daar werd zelden naar gegist, terwijl er toch alle reden voor was.

Want wat bezielde de hossende Bossche winkelier om zich te identificeren met een bloemetjesgordijn?

Tada tada dzzjinn boem!

Een daad in een dadaïstische traditie zou je het kunnen noemen, zoals de wc-pot van Marchel Duchamp. Deze culturele stroming na de Eerste Wereldoorlog moest het hebben van 'het ondergraven van de algemeen geaccepteerde normen'. Of wellicht was het geworteld in Barbarber, een literair gezelschap uit de jaren zestig van K. Schippers. G. Brands en Bernlef, die het alledaagse in de poëzie bracht.

Tada tada dzzjinn boem!

Je zou je ook kunnen richten op een dubbelzinnige verklaring, denkend aan het liedje van Les Charmeurs, Ta culotte, waarin de wens wordt uitgesproken het slipje te zijn van je geliefde. Zie het bloemetjesgordijn dan als een jurk, en de toondichter als degene die haar lichaam wil omhullen.

Nico Scheepmaker, de legendarische columnist en schrijver, boog zich al in 1980 over het literair-historische gewicht van het Bloemetjesgordijn. Hij was aangenaam getroffen door de zeggingskracht van 'die ene pakkende regel'. 'Is het banaal een bloemetjesgordijn te willen zijn?', schreef Scheepmaker. 'Het is voorwaar banaler dan een God in het diepst van je gedachten te willen zijn, maar ook wel een stuk bescheidener.'

Ook wees hij op de dichter Gerrit Achterberg, die zich in poëtische zin had gebogen over het behang van Rath en Doodeheefver en dat Jac van Hattum een socialistisch meisje vergeleek met een rood radijsje. Scheepmaker: 'Als Achterberg over de bloesemende boomtak op het behang mag schrijven, waarom zouden we Wim Kersten dan uitsliepen als hij over 'n bloemetjesgordijn schrijft?'

Wim Kersten (m) met de burgervaojer van Oeteldonk (l) en Prins Amadeiro, 1988.

Dat Kersten en literatuur elkaar niet per se verdroegen, bleek uit een mislukte poging van het tv-programma Alles is anders, eind jaren zeventig. Auteurs Mischa de Vreede, Simon Vinkenoog en Louis Ferron waren gevraagd een carnavalsnummer te maken. Die composities zouden dan worden gezongen in het tv-programma door Kersten en De Viltjes. Maar dat ging mooi niet door. Ferrons liederlijke scheldpartij vond-ie al over de rand, maar 'de schunnigheid' van Vinkenoog - Nooit heb ik je ... gezien - weigerde Kersten te vertolken. Zonder wat te zeggen liep hij de studio uit.

Reactie Kersten: 'Ik geloof dat heren als Vinkenoog denken dat in carnavalstijd de dames bij ons met hun slipjes in hun tas rondlopen. Nou, dan vergist-ie zich!'

Nationaal Carnavalsmuseum

Voor een passender carnavaleske verklaring van het oeuvre van Kersten moet je in het Nationaal Carnavalsmuseum zijn in Den Bosch, waar hij wordt geëerd met een speciale vitrine. Daar staat de Edison die hij in 1988 kreeg en er is een replica van het borstbeeld uit het Theater aan de Parade in Den Bosch. Als je geluk hebt, tref je hier Rob van de Laar, conservator van het museum, kenner van het Oeteldonkse carnavalswezen, ex-minister-president van de Oeteldonkse Club, voorzitter van de Brabantse Carnavalsfederatie en onlangs uitgeroepen tot Knoergoeie Brabander 2017. Vanzelf ontmoette hij ooit zijn vrouw tijdens het carnaval.

Boven 'de grote riolen', zoals Van de Laar het noemt, wordt amper begrepen wat voor 'kwaliteitsfeest' het carnaval is. Dus begrijpt dat deel van Nederland niet hoe goed Wim Kersten is, alsmede de ware diepgang van het carnavalslied. 'Het Bloemetjesgordijn verwijst naar de essentie van het carnaval', zegt de conservator, met uitzicht op een geschilderd portret van Kersten. 'Laat maar lekker waaien, laat maar wapperen, zoals dus een gordijn. Het is de tijd om je te uiten. Als geen ander wist Wim, als de vader van het Oeteldonkse lied, dat gevoel te vertolken. Zo was hij, in al zijn vrolijkheid.'

Het is Van de Laar bekend dat elders in Brabant, in Krabbegat (Bergen op Zoom), de vastenavondviering 'een gordijnendracht' in ere houdt. 'Maar dan gaat het om witte vitrage die om de nek, op het hoofd, om het middel en waar dan ook wordt gedragen', zegt hij. 'Die gewoonte is na de oorlog ontstaan, waarschijnlijk uit gebrek aan stoffen. Maar dit is toch niet het soort gordijn zoals Wim Kersten het heeft bedoeld, dat was een hangend gordijn.'

'Maar lekker rustig blijven hangen zoals een gordijn
Dat moet toch heerlijk zijn'

Ko de Laat zit aan een tafeltje van café Zoetelief aan de Grote Markt in Den Bosch. Deze 47-jarige Tilburgse tekstdichter en verslaggever had zijn tanden gezet in het repertoire en een doortimmerde biografische schets van Wim Kersten. Dit zou hij verwerken in een musical, waar als in een jukebox het levensverhaal aan de hand van zijn liedjes zou worden gepresenteerd - alleen werd het project afgeblazen.

Dat was nou zonde, anders was De Laat in z'n theaterproductie begonnen in de jaren zestig, met het Kwèkfestijn, het jaarlijkse liedjesfestival in Oeteldonk (Den Bosch). Dan had hij verteld over 'het onverschillige talent' Wim Kersten, die zonder ambities in de muziek terechtkwam. De Laat: 'Hij was een beperkte componist en dat was zijn redding. Hij had maar twee zinnen of een kreet nodig om een verhaal te vertellen. Door die eenvoud en humor pakte hij het grote publiek in.'

Kersten zat begin jaren zestig hoog en droog in de schoenenzaak die zijn familie sinds 1911 uitbaatte. De pianolessen uit zijn jeugd waren nauwelijks blijven hangen en hij krabbelde af en toe wat op papier. Och, meedoen aan 't Kwèkfestijn, dat leek 'm toch te hoog gegrepen. Totdat zijn oud-pianodocent Theo Trimbosch, zei: 'Wim, da kende gij ook'. Oké, dan. Ge moet ut vuule, schreef Kersten en hij werd tweede.

De Twee Pinten

Op dezelfde flegmatieke wijze trad hij toe tot het succesduo De Twee Pinten. Voor carnavalsvereniging De Kikvorsen had hij de smartlap De Kikvorsvrouw geschreven. Om het lied meer volume te geven, werd 'm geadviseerd Joep Peeters, een pruikenhandelaar en drager van een toupet, mee te laten zingen. Vooruit dan maar, zei Kersten. De twijfel over de naam - werd het de JoWi's of de WiJo's? - werd weggenomen doordat iemand met De Twee Pinten op de proppen kwam.

In hun grootste hit, Bij ons staat op de keukendeur, zag de platenmaatschappij aanvankelijk geen heil; wat moesten ze met die lariekoek over op een deur en behang geschreven wijsheden. Maar toen de Eindhovense zanger Tony Bass met het nummer succes had, schrok men bij Phonogram wakker. Uiteindelijk werden er 50 duizend plaatjes van verkocht, van die guitige veertigers in boerenkiel met hun twee wanten op de buik. Ook opvolgers als Geef mij de liefde en de gein en Zwaaien en zwieren werden grote hits.

Reactie Kersten: 'Mijn platen lopen even lekker als mijn schoenen.'

De zegetocht van De Twee Pinten bleef niet beperkt tot het zuiden, er stonden overal in het land hossende menigten op hen te wachten. In de carnavalsperiode stonden ze op een gemiddelde van twintig optredens per week. Voor Kersten hoefde dat allemaal niet, wéér Den Bosch uit na een dag in zijn winkeltje. Hij had het idee dat-ie werd geleefd.

'Hij vond het verschrikkelijk, dat toeren', zegt De Laat. 'Dat werd ook het breekpunt bij De Twee Pinten. Joep wilde prof worden, en Wim niet. Toen producer Gerrit den Braber zei dat-ie dicht bij de mensen moest staan en veel meer op reis zou moeten, was hij er klaar mee. 'Daar doet deze kleine jongen mooi niet aan mee', zei-ie.

Willem Jan Kersten: 'Mijn vader hield niet van reizen. Hij is in zijn leven één keer naar het buitenland geweest, en toen werd prompt zijn portemonnee gerold. Hij was een man van gewoonten. Op maandag wilde hij graag kaarten in café Noord-Brabant en op dinsdag biljarten met zijn vrienden. Aan het einde van elke werkdag ging-ie langs bij andere schoenenzaken. Zo, zei hij dan, het was slap geweest bij die en die, en die en die, en dan nam-ie slok van zijn brandewijntje.'

De Viltjes

Die weerzin tegen optredens buiten zijn stad weerhield hem er toch niet van om, na een paar jaar pauze, met een nieuw carnavalsensemble de weg op te gaan, al zou het nooit meer zo stormachtig worden. Deze keer waren het De Viltjes - Marius van der Velde en de ooit bekende kunstfluiter Tony Faas - die hem bijstonden. Met hen dook hij ook de CNR-studio in voor Bloemetjesgordijn.

Het drietal ging in 1984 zonder uitleg zomaar uit elkaar en toen werd het Wim Kersten en z'n Viltje. Waar Tony Faas opeens was gebleven, wist niemand. Ko de Laat ging vijftien jaar geleden op onderzoek uit als verslaggever van het Brabants Dagblad en vermoedde dat er een 'carnavalstragedie' achter het Bloemetjesgordijn schuilging. Faas zou 'een scheve schaats hebben gereden', zo had ex-Pint Joep Peeters tegen De Laat gezegd. En na deze constatering bleef het stil. De Viltjes, inmiddels flink op leeftijd, wilden toen per se niet over 'de mysterieuze werdegang' praten, en Kersten was in 2001 overleden.

Maar Willem Jan Kersten weet precies wat er toentertijd aan de gaande was, zijn vader had het 'm verteld: 'Faas had in een supermarkt een stukje vlees gepikt en dat was bij anderen bekend geworden. Ze waren bang dat ze op het podium zouden worden uitgejouwd. Uit schaamte stapte Faas op. Dat is 't hele verhaal.'

'Een mens moet heel zijn leven blijven knokken
Want anders zit-ie zo in de puree'

De Twee Pinten met in het midden Corry Konings.

129 nummers

Uit zijn tas haalt Willem Jan Kersten een schrift en een multomap, daarin alfabetisch geordend alle liedjes. 129 nummers schreef zijn vader, en niet alleen van hallekidee. Het trotst was hij dan ook op Er is een Amsterdammer doodgegaan, een melancholische evergreen, geschreven voor het 700-jarig bestaan van Amsterdam.

Na de dood van Kersten bleek hij een matige archivaris te zijn geweest van zijn eigen succes. Het was een chaos. 'Het boeide hem niet', zegt zijn zoon. 'Je moet weten, hij kwam uit een afgebakend milieu, de middenstand, met afgebakende ideeën. Roem kon 'm gewoon niet schelen. Toen het over was met het succes, vond-ie het ook best. Alles gaat voorbij, zei hij.'

In de documenten die hij op de stamtafel van stadsherberg 't Pumpke uitstalt, is na even zoeken de tekst van Bloemetjesgordijn te vinden, reeds in het net. Een kladversie of een vergeten aanzet tot het nummer, waardoor het nageslacht inzicht krijgt door welke existentiële fasen deze carnavalskraker is gegaan, is er niet. 'Een goed carnavalslied kan me ontroeren, net zoals Bob Dylan dat kan of Franz Schubert of jazz. Maar voor pa was dit een gewoon nummer, in zijn eigen vertrouwde stijl. Niks bijzonders.'

Wim was schoenverkoper en componist. Beeld Eva Roefs

Voor de werkelijke oorsprong van de grootste hit van Wim Kersten zouden we eigenlijk naar Vught moeten, 7 kilometer verderop, naar het vakantiehuisje van de zingende schoenenverkoper. Alleen is dat huisje tegen de vlakte gegaan, daar staat nu een villa. Het bescheiden buitenverblijf werd verkocht nadat er twee keer was ingebroken.

Willem Jan Kersten weet zeker dat Bloemetjesgordijn daar is ontstaan, aan de rand van het bos, vlak bij zandafgraving De IJzeren Man, waar zijn vader graag een duik nam. Dat hij geen twijfel kent, is heel simpel: hij was erbij, op een zomerse zondag in 1978, toen compositie en tekst samenvloeiden, met zijn vader achter een kleine piano. Hij speelde het nummer ter goedkeuring voor aan zijn zoon, die 'm aandachtig zat aan te kijken

'Wat vinde ervan?', vroeg Wim Kersten.

'Hij is goed, pa', zei Willem Jan.

'Later heeft hij er een draai aan gegeven', vertelt hij.' Dat hij 's morgens in zijn bed lag en het zonlicht zo prachtig door het bloemetjesgordijn viel. Toen zei-ie tegen m'n moeder: 'Weet je wat ik wel zou willen zijn?' 'Nee Wim', zei ze. 'Zeg 't maar.' 'Een bloemetjesgordijn.' Zo was hij op het nummer gekomen, dat had 'm geïnspireerd. Zei hij. Maar ik weet vrij zeker dat er een gordijn in de slaapkamer hing met beige en zachtgroene strepen, want alles in dat huisje was beige en zachtgroen. Niet veelkleurig of druk. En...' Hij houdt even in. 'En zeker geen bloemetjes. Het Bloemetjesgordijn was er gewoon, uit het niets.'

In de carnavalssferen blijven?

Een uitgebreide cultuur-historische analyse van het carnavalsfenomeen Polonaise
De oerdans van het carnaval, de polonaise, staat door afnemende belangstelling onder druk. Emma Curvers duikt in de geschiedenis van deze 'gelijkmaker' in café en feestzaal, geleid door een prins. (+)

Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met de Volkskrant?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van de Volkskrant rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright @volkskrant.nl.
© 2019 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden