Reportage

Hoe klonk Bach in zijn eigen kerk?

Nee, er zongen géén grote koren in de Matthäus-Passion. En luiten kwamen er ook niet aan te pas. Op naar Bachstad Leipzig, waar Bachonderzoeker Rens Bijma uitlegt hoe Bach dan wél klonk, in zijn eigen kerk.

Het orkest van Bach volgens Rens Bijma Beeld Illustratie Aart-Jan Venema
Het orkest van Bach volgens Rens BijmaBeeld Illustratie Aart-Jan Venema

Rens Bijma, betrokken gemeentelid van de Oude Kerk (PKN) te Soest, Groninger van geboorte en 70 inmiddels, heeft zijn leven lang gewerkt als scheikundeleraar. Maar zijn hart ligt bij de muziek, en in het bijzonder die van Johann Sebastian Bach. Bijma is zo iemand die wanneer je een getal tot en met 215 noemt, er direct de juiste Bach-cantate bij weet en er in de meeste gevallen ook het thema van kan voorzingen.

Bijma is 63 als hij met de vut gaat, maar echt zin om te stoppen met werken heeft hij niet. Hij sluit zich twee dagen per week op in de Utrechtse universiteitsbibliotheek. De vraag die hij beantwoord wil zien: hoe klonk Bachs muziek in de kerken van Leipzig, waar de componist van 1723 tot zijn dood in 1750 de muzikale omlijsting van de diensten verzorgde? Bijma toetst zo'n beetje alle aannames over Bachs uitvoeringspraktijk door de belangrijkste bronnen, van Bachs weinige brieven tot aantekeningen van kosters, opnieuw te bestuderen.

Hij besluit contact te zoeken met Jos van Veldhoven, de artistiek leider van de Nederlandse Bachvereniging - Bijma heeft immers nog onder hem gezongen. Van 1988 tot 1993 was hij tenor in het destijds semiprofessionele koor van de Bachvereniging. Van Veldhoven is enthousiast over Bijma's ijver en nauwkeurigheid. Wat zo verfrissend aan hem is? Als Bijma met een musicus debatteert over hoe je Bach moet spelen en hij te horen krijgt 'dat deed men vroeger zo', is zijn reactie: oké, bewijs het maar. Waar heb je dat gelezen?

De eerste hoogleraar bij wie Bijma aanklopte, was nog huiverig. Ga eerst maar muziekwetenschap studeren, zei hij. Maar nu mag Bijma zich toch doctor noemen. In december promoveerde hij in de muziekwetenschap aan de Universiteit Utrecht.

Omdat in de aanloop naar Goede Vrijdag Bachs Matthäus-Passion zo'n tweehonderd keer wordt uitgevoerd in Nederland, belt de Volkskrant hem op. Of hij wil vertellen hoe die Matthäus heeft geklonken in Bachs eigen Thomaskirche. Ja hoor. En of hij dat ook wil doen ín de Thomaskirche? Hij denkt kort na. Leuk, wanneer? Even de kapper verzetten.

Een week later rijden we in Bijma's Toyota Prius over de Autobahn. Hij stopt zijn favoriete uitvoering van de Matthäus-Passion (Sigiswald Kuijken met La Petite Bande, 2010) in de cd-speler. Terwijl hij rijdt, zingt hij hard mee én zet hij het op een luchtdirigeren. 'Op de terugweg uit veiligheidsoverwegingen geen Bach', schrijf ik op.

Proefschrift

Hoewel het 357 pagina's tellende proefschrift van Rens Bijma (Johann Sebastian Bach en zijn musici in de beide hoofdkerken te Leipzig) nieuwe inzichten bevat (bijvoorbeeld over het gebruik van de fagot), zit de kracht vooral in de compleetheid. Bijma heeft vele aannames kritisch tegen het licht gehouden. 'Ik hecht eraan om netjes, clean te beschrijven wat er is gebeurd', zegt Bijma, die zich geen musicoloog wil noemen.

Bijma is van het type dat zich keurig aan de maximumsnelheid houdt, ook wanneer hij links en rechts wordt ingehaald. Blijkbaar mag je op dit stuk Autobahn zo hard rijden als je wilt, maar er is geen bordje geweest waarmee de limiet is opgeheven - en dat stoort hem. Bijma houdt niet van inconsequenties. En het zijn juist de inconsequenties in Bachs partituren die hem tot dit onderzoek hebben aangezet. Waarom staat bij de ene noot een fermate (een signaal om de toon aan te houden) en de andere niet?

'Bach hoefde niet te noteren wat voor zijn musici zonneklaar was. Daarom moeten we erachter komen wat de conventies waren in zijn plaats en tijd.'

We rijden Leipzig binnen. Natte sneeuw. Je zou denken dat Bijma hier de afgelopen jaren vaak is geweest, maar nee: bijna alle relevante bronnen zijn online te raadplegen. Het enige waarvoor hij naar de Thomaskirche ging, was een meting op de galerij bij het orgel, om te zien hoe Bachs muzikanten in de ruimte stonden opgesteld.

De kerk binnenlopen is een ontnuchterende ervaring. Voor ons tweeën is Bach de grootste componist aller tijden, maar de sobere voormalige kloosterkerk, gebouwd in de late 15de eeuw, heeft niets groots. In veel vensters zit slecht doorzichtig flessenglas. 'Het schip is inwendig 39,5 meter lang en 24,7 meter breed', doceert Bijma. 'De hoogte van het schip is 17,6 meter tot boven in het gewelf.'

Onder een bronzen plakkaat in het koor ligt het skelet dat wordt toegeschreven aan Bach. Een groepje Japanse toeristen buigt zo ver mogelijk over het koord om maar zo dicht mogelijk bij Hem te komen.

Toen Bach hier nog levend ronddoolde, was de kerk ingebouwd door privékapellen van families. Aan de noordkant kwam daardoor nauwelijks zonlicht binnen. Andere tijden: er was ook een getralied Narrenhäuschen (narrenhuisje) waar godslasteraars werden opgesloten.

Van het interieur uit Bachs tijd is vrijwel niets over, maar de Renaissance-galerij van rood zandsteen is er nog. Daarop had je dwars staande houten galerijen. Daar zaten en stonden de musici. Vanuit de kerk gezien zaten de strijkers links, de blazers zaten ertegenover, zegt Bijma. De zangers, die voor veel kerkbezoekers niet of nauwelijks te zien waren, stonden bij de balustrade, zegt hij. 'Er konden er maximaal twaalf op een rij staan.'

Toen de kerk in neogotische stijl werd verbouwd, zijn alle barokke elementen verwijderd. Er moeten hier overal houten borden hebben gehangen met Bijbelspreuken, evenals portretten en tapijten. Door al dat geluidabsorberende hout klonk de kerk eerder als een concertzaal dan als de galmbak die ze nu is. De nagalmtijd moet bij een volle kerk onder de 2 seconden zijn geweest, tegen bijna 6 seconden nu.

Want vol was het. Meer dan tweeduizend gelovigen, mannen en vrouwen gescheiden, zaten hier op een zondag. Wat hoorden zij?

Jongens- en mannenstemmen dus. Destijds kregen jongens later de baard in de keel, zo rond hun 16de, dus konden ze tot hogere leeftijd hoge sopraan- en altpartijen zingen. Het orgel werd nog door menselijke balgentreders van lucht voorzien.

Maar hoorden de kerkgangers ook de barokke, met darmsnaren bespannen cello, zoals veel gespecialiseerde gezelschappen die nu gebruiken? Of had Bach toch kleinere cello-achtige instrumenten die je als een gitaar vasthoudt en horizontaal aanstrijkt? 'Dat is heel goed mogelijk, zeker in zijn vroege jaren in Leipzig.'

Tekst gaat verder onder afbeelding.

Standbeeld van Johann Sebastian Bach voor de Thomaskirche in Leipzig. Beeld thinkstock
Standbeeld van Johann Sebastian Bach voor de Thomaskirche in Leipzig.Beeld thinkstock

Bach moet het ensemble hebben geleid vanachter het klavecimbel. Een instrument dat in zijn tijd zeker níét meespeelde in de begeleidingspartij (de basso continuo) is de theorbe, een luit met een extra lange hals voor de lange bassnaren, die je tegenwoordig juist vaak ziet bij uitvoeringen van Bachs passies. Gewone luiten gebruikte Bach ook niet als begeleidingsinstrumenten, evenmin als de viola da gamba (een meestal zevensnarig strijkinstrument met het formaat van een cello). De fagot daarentegen was volgens Bijma veel prominenter aanwezig dan we nu vaak denken.

Over het aantal zangers dat Bach gebruikte, is Bijma na zijn metingen stellig. De ruimte voor de verzamelde zangers en muzikanten was krap. 'Alles wijst erop dat Bach in principe één zanger per partij gebruikte. Er was geen sprake van een koor zoals wij dat nu kennen, maar van solisten die soms vocale versterking kregen van extra zangers, ripiënisten.'

Dat standpunt is niet onomstreden. Bach schreef in 1730 een brief aan het kerkbestuur waarin hij noemde hoeveel zangers hij nodig had: twaalf, liever nog zestien. 'Maar hij heeft het daar over motetten, niet over cantates', zegt Bijma. 'En mogelijk overdreef hij een beetje. Hij wilde er gewoon zeker van zijn dat hij altijd goede mensen tot zijn beschikking had. Dat deze kwestie veel weerstand oproept, is begrijpelijk. Al die koren die zo mooi Bach zingen in ruime bezetting, voelen zich in hun bestaansrecht aangetast.'

En die tempi, ja, die tempi, die moeten véél langzamer zijn geweest, mijmert Bijma als we naar de Nikolaikirche lopen, de plek waar Bach zijn Johannes-Passion (1724) in première bracht. Hoewel het inmiddels ongenadig hard sneeuwt, bedankt Bijma voor een Bach-paraplu. Je kunt haast geen voorwerp bedenken dat niet met Bach-bedrukking te verkrijgen is in Leipzig, hoofdstad van de Bach-industrie.

Vanbinnen heeft de Nikolaikirche wel wat weg van een Jamin-filiaal. De ruimte, in pastelroze en mintgroen, is in de late 18de eeuw in classicistische stijl verbouwd. 'Kijk', zegt Bijma als hij het blinkende, met financiële hulp van autobouwer Porsche gerestaureerde Ladegast-orgel heeft bewonderd, 'artiesten en dirigenten moeten hun eigen keuzes maken. Ze hoeven niet precies te doen wat Bach deed. Maar ook de ensembles die Bach authentiek zeggen uit te voeren, gaan aan zo veel zaken voorbij. We weten een hoop niet, maar ook zo veel wel.'

Binnen in de Nikolaikirche te Leipzig. Beeld thinkstock
Binnen in de Nikolaikirche te Leipzig.Beeld thinkstock
Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met de Volkskrant?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van de Volkskrant rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright @volkskrant.nl.
© 2021 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden