Reportage Bushcraft

Hoe je als stadsmens het bos overleeft

Hoe maak je een kampvuur zonder lucifers? Over de edele kunst van het bushcraften ofwel: hoe een stadsmens in de bossen rond Leersum leert thuis te zijn in de natuur.

Deelnemers aan de cursus Bushcraft leren een pothaak snijden. Foto Marcel Wogram

‘Ziet iemand weegbree staan?’ Een man met een baard stapt uit de bosjes. Hij zou het goed doen in een reclame voor een kruidig IPA-biertje, achter een drumstel of in een aflevering van Game of Thrones. Hij houdt z’n arm vast. Niet zo heel ver van de polsslagader een snijwond. Het bloed druppelt eruit. Even is er in zijn ogen iets te zien van een angstig stadsmens, maar snel is daar weer de rustige blik. Het lichaam is sterk. Een bos is een levende EHBO-kist. Met weegbree, een plant met vlezige bladeren, kun je een wond bedekken om bloed sneller te laten stollen en bacteriën te doden.

De man met de baard kan het weten, want hij is een van de docenten van de Introductiecursus Bushcraft, waar ik zal leren hoe ik een veilige slaapplaats kan maken in het bos, hoe ik zonder lucifers vuur kan maken en hoe ik eetbare planten kan herkennen. Bushcraft kun je vertalen met de ‘kunst van het thuis zijn in de wildernis’. Anders dan bij survival gaat het niet om overleven, maar om je thuis voelen in de natuur. Bushcraft is de natuur zien als een enorme voorraadkamer waaruit je kunt kiezen, en waarvan je gebruik kunt maken dankzij de kennis van indianen, de cowboys en de Sami, de rendierhouders uit het noorden van Scandinavië. Een wonderlijke mix van militairen, mystici en zelfvoorzienende idealisten verzamelde deze technieken en deelde ze van mond tot mond. Met de komst van YouTube werd de kennis snel verspreid. Ook de televisieprogramma’s van de Britse overlevingsdeskundige Ray Mears, die de afgelopen jaren furore maakte op Discovery Channel, spelen een rol in de groeiende populariteit van bushcraften.

Als hardcore stadsjongen, opgegroeid in de jaren zeventig en tachtig, associeerde ik het buitenleven altijd met padvinderij, marcheren door de modder en paranoïde preppers die gevriesdroogd voedsel en wapens verstoppen. Als de temperatuur lager is dan 20 graden heb ik het al koud. Bij het kamperen staat mijn tent nooit strak, is mijn luchtbed altijd lek en mijn slaapzak te dun. Ik kan één knoop leggen - maar die moet ik wel altijd met een schaar weer kapotknippen. En zelfs met aanmaakblokjes kost het me moeite om een barbecue aan te steken. Mijn favoriete outdoorplekken zijn terrassen van horecagelegenheden. Toch gebeurt het onvoorziene: door de filmpjes op YouTube over het maken van vuur zonder lucifers komt er op een dag een Robinson Crusoëgevoel bij me naar boven. Ik geef me op voor een introductiecursus bushcraft.

Op een vroege ochtend eind april sluit ik me aan bij een groepje mensen in de boswachterij van Leersum. Dertien mannen en vrouwen, klaar om het bos in te verdwijnen. De een draagt een camouflageprint, de ander felgekleurde vrijetijdskleding. Ik maak kennis met een chauffeur van de burgemeester van een grote stad, drie jonge vrouwen van een buitenschoolse opvang, een leraar Duits en een muskusrattenjager van twee meter lang. Het is ongeveer een half uur lopen naar de locatie waar we mogen bivakkeren. De jager blijft onderweg even staan. Hij steekt zijn neus in de lucht.

‘Een vos’, zegt hij, ‘ik ruik een vos.’

Ik ruik niks.

Bij het basiskamp, een tent met een kampvuur, staat de leider van de workshops, Siegurd van Leusen (47). Hij heeft een rossig baardje en een bril. Hij groeide op in Italië. ‘Daar liep ik altijd buiten’, zegt hij met een zangerige intonatie, ‘meestal op blote voeten. Druiven, amandelen en vijgen hingen aan de bomen en het konijn dat langshuppelde, lag twee dagen later op je bord.’

Instructeur Siegurd van Leusen geeft uitleg over de verschillende messen. Foto Marcel Wogram

Al acht jaar verzorgt hij bushcraftcursussen, van houtsnijden en eetbare planten zoeken tot het uitbenen van bosdieren, waarbij het belangrijk is dat alles wat je kúnt gebruiken ook gebruikt wórdt. Hij raakt in vervoering als hij praat over de hersenen van een hert, hoe gelatineachtig ze eruitzien als je ze goed doorroert en hoe ongelooflijk mooi je er de hertenhuid mee kunt looien.

Siegurd deelt messen en zagen uit en we gaan op pad.

Een wandeling met Siegurd schiet niet op. Om de twee meter ziet hij iets wat je kunt eten, waar je iets van kunt maken of wat je in de fik kunt steken. Hij zegt: ‘Een bos is een Gamma en een Albert Heijn tegelijk.’ Met een mes verwijdert hij de bast van de tak van een lindeboom. Aan de binnenkant van de bast zitten vezels. Siegurd draait wat met de vezels en heeft dan een stukje touw in zijn hand, als een goochelaar. Mooi stevig touw trouwens. ‘Dit gebruikten de Noormannen vroeger voor hun schepen.’

Hij plukt jonge bosbessenblaadjes en de uitlopers van sparrentakken, die opvallend smaken en best goed vullen. Met de punt van zijn mes wipt Siegurd een klont hars van een sparrentak en legt uit dat je die met een beetje as kunt mengen om goede lijm te maken. En dan de berk! De godinnenboom. Siegurd rekt zich uit naar een takje dat hij af wil snijden om er berkensap uit te laten druppelen. ‘Het hangt te hoog’, zegt Siegurd. ‘Jij bent te klein’, zegt de jager.

Berkenbast is prima voor een vuurtje. Foto Marcel Wogram

Een ervaren bushcrafter wil iedere berk knuffelen. Een stukje berkenbast is perfect om een vuurtje mee te beginnen. Als je berkenbast in een blik in het vuur gooit kun je berkenolie maken, waarmee je je mes kunt insmeren zodat het niet gaat roesten. De olie helpt ook tegen de muggen, die hier overigens in grote hoeveelheden zijn en niet veel goeds beloven voor de nacht. We slapen in de open lucht, slechts onder een zogenoemde tarp, een stuk zeil van zo’n drie bij vier meter. Het is het draagbare huis van een bushcrafter. Als je hem strak opspant, lig je droog. Haringen kun je maken van scherp gesneden takken van de Amerikaanse vogelkers, een woekerplant waar iedere boswachter vanaf wil. Belangrijk is wel om goed te kijken waar je je tarp opspant. Als je op een wildspoor, het voetpad van wilde dieren, gaat liggen, loopt een das gewoon over je heen. Een optocht van mieren neemt ook geen omweg. ‘En o ja, kijk ook even of er geen widow makers in de buurt staan’, zegt Siegurd - dode bomen of takken die op de tarp kunnen vallen.

Een zeil als tentje. Foto Marcel Wogram

Harde cijfers over het aantal bushcrafters zijn er niet. Er is geen landelijke bond van bushcrafters. Maar Siegurds cursussen zitten steeds vaker vol. ‘In 2016 hadden we 250 deelnemers, in 2017 hadden we er 400 en dit jaar zitten we nu al op 550.’

Inmiddels zijn er bushcrafters in soorten en maten. De hardcore bushcrafter loopt naakt het bos in en komt er in een hertenleren pak en met een zelfgemaakte speer weer uit. De ‘gewone’, ervaren bushcrafter, zoals Siegurd, draagt kleding van de dumpstore en herken je aan de hangmat die hij onder een tarp tussen twee bomen hangt. Beginnende bushcrafters, zoals ik, liggen op de grond op een matje.

Steeds meer mensen slapen zo nu en dan in het bos. Thijmen Apswoude (27) van ‘wildernisschool’ Living By Nature, woont in de binnenstad van Deventer, maar is meestal op blote voeten in zelfgelooide hertenvellen in het bos te vinden. Hij slaapt 250 dagen per jaar in de buitenlucht. Linda Welgraven, een van de assistenten van Siegurd, heeft een verantwoordelijke baan bij een bouwbedrijf, maar woont sinds kort met haar vriend in een tipi in de buurt van Renkum.

De koningin van de bushcrafters is de Nederlandse Miriam Lancewood. Ze werkte in het onderwijs in Nieuw-Zeeland, en trok in de weekenden met haar man Peter de bergen in. ‘Op een zondagmiddag wilde ik niet terug naar huis’, mailt ze me vanuit een internetcafé in Turkije. ‘Ik had geen zin om te werken zodat ik in een huis kon wonen, in een auto kon rijden en op de computer kon kijken. Waarom werken voor de dingen die ik helemaal niet wil hebben?’

Ze trok definitief met haar man de bossen van Nieuw-Zeeland in, gewapend met pijl en boog naar ‘de bergen en valleien waar nooit een mens geweest is. De pure wereld. De wereld zoals hij altijd was en altijd zal zijn.’ Nu loopt het tweetal ergens door de binnenlanden van Turkije, als moderne nomaden. Soms bezoeken ze een dorp om hun mail te lezen en om wat inkopen te doen. ‘Als we bij vrienden in de stad zijn, dan kruipen we achter de computer of kijken televisie. Daarna kunnen we niet in slaap komen. Als je een paar uur naar een beeldscherm kijkt, verlies je de connectie met de echte wereld. Het duurt daarna uren om de wereld weer goed te kunnen zien. Na twee dagen in de beschaving ben ik moe, duf en chagrijnig. Dan ben ik blij om weer in onze tent in de bossen te kunnen slapen. We slapen enorm veel, in de winter wel 14 uur per nacht. Dat maakt een wereld van verschil.’

De cursisten leren houtsnijden.

Bushcraftinstructeur Siegurd herkent het verhaal: ‘Veel mensen willen meer rust. Maar als ze in het bos voor zich uit gaan zitten staren, worden ze gek. Ze willen in de natuur zijn, maar ze willen ook bezig zijn met iets wat totaal anders is dan wat ze normaal doen op kantoor. Een van mijn cursisten is cardioloog. Die gaat graag mee het bos in, omdat hij dan eindelijk een keer vies kan worden - normaal zit hij binnen vooral hartfilmpjes te bekijken.’

Tijdens de cursus leren we vuur maken door met een vuursteen tegen een stukje ijzer te slaan. Een vonkje dat op verkoold katoen valt, maakt een klein rood vlekje dat blijft gloeien. Mocht je nog geen verkoold katoen hebben, dan zul je op zoek moeten naar de tonderzwam, de schorskleurige zwam die op boomstammen van dode en zieke bomen groeit en al sinds de prehistorie gebruikt wordt om vuur mee te maken.

Als ik blaas, gloeit het vlekje helderrood op en als ik er een ‘vogelnestje’ van droog gras omheen vouw en nog een keer blaas, vlamt het gras plotseling groots op. Een beetje te groots. Een meter of twintig verderop staat een enorm veld met ditzelfde droge gras.

Deelnemers verzamelen droog gras voor hun eigen vuurtje. Foto Marcel Wogram

Een bushcrafter neemt vuur bloedserieus. De hitte van een kampvuur kan meters diep in de bodem doordringen. Tijdens de bushcraftcursus komt verscheidene malen de anekdote langs van een bushcraft-expeditie op een eiland in Zweden, waar de hitte van een vuur zich via wortels van bomen tot aan de andere kant van het eiland wist te wurmen. Gelukkig zag iemand bij een checkronde wat rook uit de grond kringelen. Ternauwernood wisten Siegurd en zijn leerlingen te voorkomen dat het hele eiland platbrandde. Siegurd legt uit dat je na het doven van een kampvuur altijd met een scherpe stok diepe gaten in de grond moet steken en die met water vullen, tot er geen hitte meer te voelen is.

Mede om bosbranden te voorkomen is vrij kamperen in Nederland verboden, met uitzondering van een paar zogenoemde paalcampings: plaatsen in het bos die je aan de hand van gps-coördinaten kunt vinden en waar je van de boswachter 72 uur vrij mag kamperen.

De echte wildernis is iets verder weg. Met zeven uur rijden ben je in de Franse Vogezen, een uitgestrekt gebied met bergen en meren, maar vooral veel bos. Het bushcraftwalhalla is Scandinavië, waar je dagen kunt lopen zonder iemand tegen te komen.

Wij moeten het doen met de bossen rond Leersum. De laatste wandelaars hebben het bos verlaten. We eten soep met zelfgeplukte brandnetels. Ik zie een beetje op tegen de nacht. Goddank gaan bosmuggen ’s nachts ook slapen. Maar bosmuizen niet. Zijn het wel muizen? De volgende ochtend word ik vroeg gewekt door de vogels. De meeste cursusleden zitten bleekjes in het vuur te staren. Een trillende ketel met kokend water hangt erboven. ‘Ja, de eerste nacht in de natuur slaap je altijd slecht,’ zegt Siegurd.

De laatste les is het snijden en kerven van een pothaak, een tak waaraan je een pot boven het vuur kunt hangen. We moeten een geschikte tak van de Amerikaanse vogelkers afzagen en vervolgens inkepingen kerven. Niks mooiers dan op een boomstronk zitten en fijn motorisch werk doen met een scherp mes, merk ik.

‘Geloof me, je zult nooit meer hetzelfde naar het bos kijken’, zegt de jager tegen me, en verdomd. Op de terugweg kost het me moeite om door te lopen. Om de twee meter zie ik een handige tak.

Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met de Volkskrant?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van de Volkskrant rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@volkskrant.nl.