VoorpublicatieHomers vlucht

Hoe het zwartste deel van de menselijke ziel als schilderijtje in de woonkamer kan hangen

De fictieve woonkamer uit de roman Homers vlucht, met in de illustratie het werk Gaskamer van Luc Tuymans uit de collectie Over Holland. Beeld Michel Keppel

Een voorpublicatie uit Rutger Pontzens nieuwe roman Homers vlucht.

Ze waren nu zeven, acht uur onderweg en vlogen geruisloos door de nacht, boven het Europese continent. Homer zat in zijn lederen businessclassfauteuil, genietend van het glas wodka dat een van de stewardessen had ingeschonken. Onder hem, 13 kilometer lager, mocht de wereld dan in brand staan met, als je de nieuwsberichten mocht geloven, constante stromen vluchtelingen, een voortdurende economische malaise en naar het scheen onomkeerbare klimaatveranderingen, hierboven was daarvan niets te merken. De vlucht was tot nu toe zelfs uiterst comfortabel verlopen, hoewel de babbelzieke Oriana Fattorini in de stoel naast hem de ene na de andere indringende anekdote wist te vertellen.

Homers vlucht

Vliegen om je aan de aardse besognes te onttrekken. Dat wil de hoofdpersoon in Homers vlucht, de nieuwe roman van Rutger Pontzen (1957). Op 13 kilometer hoogte zal zijn compassie met het wereldnieuws niet aldoor op de proef worden gesteld. Mis! Hij heeft niet gerekend op rie medepassagiers die hem het failliet van zijn gevoelens inwrijven: de flamboyante Italiaanse Oriana Fattorini, de vervilte zonderling Likey en de Ierse zadenboer ­Geoffrey O’Donoghue.

Nu weer over een vriendin die zich ergens op het platteland had teruggetrokken, in een afgelegen polder, achter een drietal dijken, waar niemand wilde wonen omdat die polder altijd een paar keer per jaar overstroomde. Een vriendin die een hoge functie had uitgeoefend, als geweldspecialist of conflictmanager of vredesregisseur, zoiets dergelijks, want echt duidelijk was haar beroep of bezigheid niet, en die ook over de hele wereld had gereisd, in net iets luxueuzere omstandigheden; in privévliegtuigen en limo’s met geüniformeerde chauffeurs, van de ene vergadering naar de andere, veelal op een ver afgelegen eiland, waar het aldoor kreeft en kaviaar eten was en champagnes en grand cru wijnen drinken.

Het was een leven waarvan deze vriendin zo gedeprimeerd was geraakt dat ze van de ene dag op de andere het besluit had genomen achter die drie dijken een landhuis te kopen, met uitzicht over kilometers rivierlandschap en een ruim assortiment van flora en fauna, met overvliegende watervogels en rijen knotwilgen, waar Fattorini haar was gaan opzoeken, na eerst wekenlang vruchteloos contact te hebben gezocht, telefonisch, per brief, mail, op elke denkbare manier, en toen maar op de bonnefooi was afgereisd naar het betreffende polderadres en daar aanbelde. Iets waar die vriendin niet op had gerekend, toen ze die ochtend op roze slippers en in een donzige badjas opendeed in de veronderstelling dat het de postbode was of iemand van de riolering, want het riool was eerder die dag ergens in huis verstopt geraakt, terwijl daar dus niet de postbode of rioolontstopper voor haar neus stond, maar haar vroegere vriendin, die ze toen maar verbaasd binnen had gelaten.

Even verbaasd als Fattorini zelf was geweest, vertelde ze, toen ze door het gigantische, maar karig gemeubileerde buitenhuis werd geloodst, trapje op, trapje af, de ene deur door na de andere; totdat ze tenslotte in de zitkamer aankwamen, waar, het viel haar onmiddellijk op, naast een bank en bijzettafeltje, een lage kast met een paar boeken en in de hoek een gigantische vetplant, enkel een schilderijtje was te zien. Een onooglijk geval feitelijk, in haar herinnering niet veel groter dan een opengevouwen boek, even krakkemikkig van verf voorzien als dat het slordig was opgespannen en met zwarte kopspijkers vastgenageld, op een spieraam waarvan geen enkele hoek recht was, zodat het geheel een paar graden uit het lood stond, en waarop, dat verbaasde haar nog het meest, niet meer dan een paar abstracte vlakken stonden, in witte, beige en bruine tonen; kleurtinten die een verschoten indruk maakten alsof het te lang in de zon had gehangen of, zo meende ze, in plaats van met olieverf met bleekwater was geschilderd. Een mistig tafereel waarin nauwelijks iets herkenbaars te ontdekken was dan de fletse aanduidingen van een vloer, een paar muren en een plafond, alles opgetrokken, zo leek het, uit ruw beton, met een afvoerputje in de grond, enkele niet nader te duiden zwarte vlekken aan het plafond, een deurtje op de achtergrond.

Een schilderijtje waar je, bekende ze, zo aan voorbij zou zijn gelopen, als het daar niet pontificaal midden in de woonkamer tegen de muur had gehangen, in een loodlijn recht tegenover een bank die daar speciaal voor leek te zijn neergezet, waardoor het gewoon onmogelijk was het schilderijtje níét te zien; ook omdat het in al zijn onbestemdheid zo contrasteerde met de omgeving, die weliswaar sober was, maar niet zonder enige luxe, met een, herinnerde ze zich, ruime minimalistische driezitsbank, een koffietafeltje met ingelegd tropisch hardhout, vlekkeloos gestucte muren en glimmende parketvloer; een omgeving die evenwel, hoezeer ook daarvoor speciaal geënsceneerd, niet de vreemde aantrekkingskracht van het schilderijtje kon verklaren, totdat die vriendin haar de titel van het doekje in het oor fluisterde.

Gaskamer.

Toen leek het toch even of ze met haar vingers in het stopcontact had gezeten, had Fattorini toegegeven. En begreep ze in een halve seconde wat het allemaal voorstelde, die verschoten kleuren en vage contouren, dat deurtje op de achtergrond, die vlekken tegen het plafond, het gaatje in de vloer, maar ook waarom het linnen zo krakkemikkig om het spieraam gespannen was, alles uit het lood stond en de verf zo spaarzaam was gebruikt. Dat het toch meer was dan een verlaten fietskelder of een lege opslagplaats voor gerooide aardappels.

En dat ze ook meteen begreep waarom die vriendin dat schilderijtje niet alleen had gekocht, maar ook zo had opgehangen. Omdat iemand zich van de wereld kon afkeren, uit het oogpunt van frustratie, en zich achter een aantal dijken en plassen water kon terugtrekken, met kippen en geiten en een valse hond, stapels puzzelboekjes en een schuur vol tuingereedschap voor het onderhoud van het gazon en de rozenstruiken, in totale afzondering, in een solitair leven, teruggetrokken van alles en iedereen, en vooral van alle mistroostigheid die de wereld haar te bieden had, omdat ze haar eigen gevoelloosheid niet langer kon aanzien, dat die haar naar de keel greep; ze op den duur gedeprimeerd raakte van haar eigen teruglopende meelevendheid, terwijl de schrijnende nood om haar heen alleen maar toenam, ook dat.

Dat had die vriendin zonder blikken of blozen allemaal toegegeven, omdat ze van al die rampspoed elk detail kende, en omdat haar gereduceerde meelevendheid en tanende betrokkenheid in geen enkele verhouding meer stonden met wat er in de wereld gebeurde, wat volgens haar niet wegnam dat ze altijd nog ergens in haar achterhoofd, in die drie of vier hersencellen waar zich een weliswaar opgedroogd geweten had verstopt, wist dat ze toch altijd nog een aandenken uit die wereld moest hebben dat dat verschrompelende geweten van tijd tot tijd eens flink op zijn lazer gaf. En dat was in haar geval dat gaskamerschilderijtje.

Het was een indrukwekkende uiteenzetting geweest, van Fattorini, waarna ze hem vertelde hoe ze enkele jaren geleden tijdens een korte, welverdiende vakantie in haar huurauto over de vierbaans autobaan tussen Praag en Wenen reed, door het onbespoten Oostenrijkse weidelandschap, met langs de weg rijkversierde huizen met uitbundig houtsnijwerk en balkons vol rode en witte geraniums, waar je verwachtte dat iedereen rondliep in diep uitgesneden dirndljurken en strakzittende lederhosen. Een sprookjesomgeving die evenwel een stuk minder feeëriek werd onderbroken door de plaatsaanduiding ‘Mauthausen’, wat toch even schrikken was, omdat ze dromend tussen de frisgroene dennennaalden was vergeten dat zich hier inderdaad een concentratiekamp bevond, dat ze niet eerder had bezocht, maar waarvan ze de verhalen wel kende en zich de foto’s herinnerde van wat zich daar destijds had afgespeeld, veelal vastgelegd door de Duitsers zelf en later tijdens de bevrijding door de Amerikanen, ruim 75 jaar geleden.

Foto’s van een kamp dat zijn weerga niet had gekend, zoals je dat eigenlijk van alle nazikampen uit die tijd wel kon zeggen, hoewel Mauthausen een onderscheidende, gespecialiseerde doodsmachine was geweest, wist ze te vertellen. Foto’s die haar, al rijdend over die vierbaans autoweg, ineens weer glashelder voor ogen stonden en haar deden beslissen om in deze landelijke omgeving, waarin overigens veel van dit soort kampen hadden gestaan, want de Duitsers hadden destijds een goed oog voor de verkwikkende en gezondheid bevorderende omgeving waarin ze deze kampen hadden geplaatst, om tussen dit groene loof en de gemaaide grashellingen toch de beslissing te nemen niet verder te rijden maar de afslag te nemen, warm croissantje en espresso of niet, omdat ze zichzelf anders niet meer dagelijks in de spiegel kon aankijken, besefte ze.

Temeer omdat dat kamp een zekere reputatie had, dankzij zijn wereldberoemde trap, waarover iedereen haar had verteld, inclusief het advies dat je daarover naar beneden moest lopen om iets van de authentieke kampervaring te voelen van de honderdduizenden dwangarbeiders die over diezelfde Todesstiege van welgeteld 186 traptreden van natuursteen – graniet om precies te zijn, want het was vanouds een granietgroeve –, die over die granieten traptreden naar beneden waren gelopen en weer naar boven.

Want dat was de bedoeling van deze marteltrap, had ze gelezen, dat de gevangenen met stukken natuursteen, meestal van meer dan 15 kilo, op hun nek omhoog moesten lopen, terwijl ze ook nog werden afgebeuld, geslagen, met de zweep bewerkt en uiteindelijk aan uitputting bezweken, mede dus onder de last van die tientallen kilo’s graniet, die eenmaal boven gewoon weer door de Duitsers naar beneden werd gekieperd, waarna het werk weer van begin af aan kon worden uitgevoerd, wat het tot een van de meest volstrekt zinloze strafkampen ooit maakte, wat je waarschijnlijk van elk strafkamp kon zeggen.

Een zinloze marteling die Fattorini als een bedevaart wilde ondergaan, daarvoor de Mauthausen-afslag nam, haar auto op het parkeerterrein achterliet en de ingang binnenwandelde, precies op het moment dat het, toeval of niet, begon te miezeren. Een zomerbuitje afkomstig uit een paar wolken die zich lange tijd achter de bergtoppen hadden schuilgehouden en nu door een warme windvlaag waren losgerukt, waarna ze hun inhoud als een zachte douche lieten neersijpelen, niet verontrustend en aangenaam verkoelend tijdens deze zomertijd, hoewel Fattorini er binnen de kortste keren zeiknat van was geworden, zoals ze zich herinnerde.

Doorweekt tot op de huid stond ze daar aan het begin van die wereldberoemde trap, waarop zovelen een vroegtijdige dood hadden gevonden, bij de eerste van de 186 treden naar beneden, waarvoor echter iemand een bordje had gehangen met de tekst WEGENS REGEN VERBODEN TE BETREDEN, om te voorkomen dat iemand op de glad geworden trap zijn been zou breken of zijn enkel verstuiken, waarna hij de kampdirectie ter verantwoording zou roepen; dat het zo geen doen was met die trap, zonder antislip op de treden, en dat het kamp aansprakelijk was voor dit lichamelijke letsel, wat in deze tijd van verzekeringen en rechtszaken de gewoonste zaak ter wereld was, maar natuurlijk in schril contrast stond met het ongemak dat de gevangenen destijds overkwam, die deze trap hadden moeten afdalen en beklimmen, miezerregen of niet, zonder zich bij de directie te kunnen beklagen over de slechte arbeidsomstandigheden.

Het was voor Fattorini al met al een teleurstelling geweest dat die paar regendruppels haar die authentieke kampsensatie hadden onthouden. Haar ouders hadden in het verzet gezeten, vertelde ze later, drukten in oorlogstijd illegale krantjes en er hadden in huis altijd een half dozijn onderduikers gebivakkeerd. Het was een verleden te midden van zwijgzame volwassenen, waarin Fattorini, thuis op kousenvoeten lopend alsof ze zelf voortvluchtig was, op veel te jonge leeftijd volwassen was geworden. Een verleden dat ze overigens deelde met de schilder van het gaskamertje, had ze achterhaald, een kettingrokende Vlaming die altijd in een zwart vormloos pak en T-shirt gekleed ging, als een begrafenisondernemer, met een gepijnigde kop en diepliggende, zwart omrande ogen. En die als kind, had Fattorini ergens gelezen, was opgegroeid in een grote Vlaamse familie met een collaborerende vader en een moeder die in het verzet had gezeten, of andersom, je verzon het niet.

Beeld Michel Keppel, schilderij: Collectie Over Holland

Een getroebleerd gezin, dat in zijn gemêleerde samenstelling het dilemma van de oorlog aangaf, van elke oorlog trouwens: dat het altijd weer een raadsel was waarom het ene familielid zich aansloot bij de agressor en mogelijke overwinnaar, en de andere bij het verzet. Een gespleten mensbeeld, dat misschien ook verklaarde waarom hij al op relatief jonge leeftijd, aan het begin van zijn carrière, zo’n gezellig onderwerp als een gaskamer had weten te penselen, en nadien andere afbeeldingen die het optimisme over het mensdom niet bepaald uitdroegen, zoals het indringende portret van Himmler, een landschap met een wandelende Hitler of stilleven met een lampenkap van mensenhuid. Waar het volgens Fattorini allemaal op neerkwam: dat het maar mondjesmaat lukt om de geschiedenis levend te houden. Het was haar bevattingsvermogen al zoveel keer te boven gegaan, door alle malheur die ze in dit soort kampen had gezien. Misère die voor haar een bevestiging was geweest, tegen wil en dank, van de troebele droesem van de menselijke ziel en de even menselijke opgewondenheid om anderen om zeep te helpen, met steeds weer nieuwe middelen en methoden, andere wapens en een gevarieerd aanbod aan marteltechnieken.

Want, zo luidde haar conclusie: naast het penselen van een schilderijtje of het hakken van een beeldhouwwerk was er volgens haar geen enkele andere menselijke activiteit zo inventief als iemand de dood in knuppelen. Martelen scheen de creativiteit behoorlijk te prikkelen. Om steeds weer een nieuwe methode te verzinnen; andere, fijnzinnigere manieren, die tot dan toe nog niemand had bedacht. De ware kunstenaars waren niet de schilders en beeldhouwers, maar degenen die de zweep, knoet, vingerklem en vaginale elektrode hadden bedacht, het aan- en uitknippen van een lamp in iemands cel of het laten druppelen van water op iemands hoofd. In vergelijking met hen waren de Rembrandts, Picasso’s en Pollocks van deze wereld kleine jongens, infantiele krabbelaars, amateurs.

Wie had kunnen vergeten, memoreerde Fattorini, dat Hitler kunstenaar wilde worden? Dat zijn ware kunstenaarschap niet lag in het bewerken van verf of marmer, maar van de menselijke geest en het kneden van vlees. Hij mocht dan in Wenen op de academie zijn geweigerd, tot tweemaal toe, deze miskenning moest met alle denkbare middelen gewraakt worden; met een tot dan toe ongekende vorm van terreur, die alle verbeelding te boven ging, experimenteel en buitensporig inventief.

Een creatieve manier die hem tot een van de meest radicale, misschien wel dé radicaalste vernieuwer uit de geschiedenis maakte; een groot kunstenaar, volgens Fattorini zelfs verreweg de grootste kunstenaar die de wereld ooit had voortgebracht, ongeëvenaard door de manier waarop hij dat levenswerk van hem op het scherpst van de snede had bedacht en uitgevoerd, compromisloos, avant-gardistisch; zonder terughoudendheid, alsof zijn leven ervan af hing. En dat hij daarbij een oeuvre opbouwde, dat tot dan toe niet bestond, met vergezichten die niemand voor hem in het vizier had gehad. Het waren de kenmerken van een waarachtig kunstenaarschap en een even revolutionaire geest. Origineel. Zonder precedent, gaf Fattorini toe.

Hoe vindingrijk was het niet om mensen in de laadruimte van een rijdende vrachtwagen of in een omgebouwde douchecel op te sluiten en te vergassen? Jarenlang had Fattorini de gedachte niet willen toelaten, maar gaandeweg kon ze niet langer ontkennen dat de geschiedenis van het folteren even rijk en gevarieerd was als de geschiedenis van de schilderkunst; en dat het onderscheid tussen beide metiers nihil was, wat misschien wel een iets te boude bewering was, moest Homer toegeven.

Of Fattorini zelf iets met kunst had gehad, was moeilijk te peilen. Waarschijnlijk net zomin als met martelen. Ze bezat wél voor beide een even ontnuchterende interesse, getuige wat ze over het gaskamerschilderijtje te vertellen had dat bij haar vroegere vriendin tegen de muur hing, en waar die vriendin dus de godganse dag naar moest kijken, wat Homers fantasie toch te boven ging: dat iemand een afbeelding van een gaskamer tegenover de bank aan de muur had hangen. Een gaskamer die in alles naar de dood rook, naar verderf stonk, maar die in zijn geschilderde vlekken ook weer in niets op een gaskamer leek, hoewel het natuurlijk volstrekt onduidelijk was waarop een gaskamer dan wel zou moeten lijken, want dat weten we nu, maar dat wist niemand toen.

Hoe kon iemand daar een vermoeden van hebben, degenen die er destijds naar binnen werden geleid met smoesjes en vage beloften; niemand wist wat daar zou gaan gebeuren, misschien op een paar na, die het door hadden, maar die het nooit hebben kunnen navertellen, want du moment dat ze wisten in wat voor omgeving ze waren beland, waarvoor die betonnen kelderruimte was ontworpen en gebouwd, en wat er binnen, tussen die kale muren zou plaatsvinden, op dat moment van hoger en desastreus inzicht werd de deur in het slot gegooid en stonden ze naakt in een wasruimte, want dat was het aanvankelijke idee, met leidingen en douchekoppen, hoewel er geen water te bekennen was, wel gas, uiteindelijk, een dikke wolk, waarna al snel niemand meer in leven was en feitelijk elke getuigenis de mond werd gesnoerd, letterlijk.

Even zwijgzaam was Fattorini bij haar vriendin op de bank gaan zitten, had ze verteld, haar blik gericht op wat daar in al zijn onbestemde bleekheid aan de muur hing, dezelfde onbestemdheid waarin de Joden destijds dus diezelfde ruimte binnen werden geslagen, en niet alleen Joden, ook zigeuners, homo’s, krijgsgevangenen, gehandicapten, wie al niet. Zo liep ook die vriendin elke dag haar eigen zitkamer met driezitsbank en bijzettafeltje binnen, had ze gezegd, elk uur van de dag, met een kopje lindebloesemthee en een madeleine, om naar dat schilderijtje te kijken, dat elk moment uit elkaar kon vallen, waarvan de stank van destructie en ontbinding haar tegemoet walmde, en dat ook bij Fattorini een ranzige geur in haar neus had achtergelaten en een walgende smaak in haar mond die maar niet verdween; dit ongewisse, maar dwingende tafereel dat Fattorini bij de keel had gegrepen, zoals vermoedelijk haar vriendin, elke keer dat zij die kamer binnenliep, om oog in oog te staan met een gaskamer, en daarmee met een naderende, onontkoombare dood; de ondergang, haar ondergang, de ondergang van iedereen, want zo voelde dat, had die vriendin gezegd, alsof ze oog in oog stond met de totale catastrofe.

Hoewel deze dagelijkse confrontatie die vriendin ook gelukkig maakte, legde Fattorini uit, omdat ze weliswaar elke keer dat ze daar binnenkwam haar ondergang tegemoet liep, maar ’s avonds, bij het verlaten van diezelfde ruimte, ook het opgeluchte gevoel had dat haar die ondergang bespaard was gebleven, dat ze niet was vergast, weer levend de kamer had weten te verlaten, en naar haar slaapkamer kon lopen en in bed kon stappen met het gevoel dat ze het had overleefd.

Het schilderijtje bleek, elke dag dat die vriendin de kamer verliet, haar leven te bevestigen. Dat ze nog leefde, ademde, niet was vermoord, niet deze keer, niet deze dag en daardoor misschien ook niet de volgende dag, of een week later, en dat ze met haar leven wellicht nog een tijdje voort kon. Het was zoveel anders geweest in vergelijking met wat de kampgevangenen destijds was overkomen, zij die ook zo’n ruimte waren binnen geloodst en het niet hadden overleefd. Elke dag liep ze dus die kamer verschillende keren binnen om te kijken of ze die kamer ook weer zonder kleerscheuren zou kunnen verlaten; wat tot nu toe was gelukt. En elke dag had die geschilderde gaskamer haar weer optimistisch weten te stemmen, gelukkig.

Dit is een aangepast fragment uit de roman Homers vlucht van Rutger Pontzen die op 21 april bij Uitgeverij Querido verschijnt.

Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met de Volkskrant?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van de Volkskrant rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright @volkskrant.nl.
© 2020 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden