Hoe haal je de oorlog uit een kind?

In Noord-Oeganda lijkt een hele generatie voor het leven verwoest. Moses Isegawa verhaalt in zijn vierde roman over de kindsoldaten die in louter wreedheid worden grootgebracht....

Wereldwijd bestaan er ongeveer een half miljoen kindsoldaten, van wie er zo’n driehonderdduizend actief betrokken zijn bij gevechtshandelingen. Moreel mag dat een drama zijn, militair gezien is het – cynisch genoeg – alleszins begrijpelijk.

In veel opzichten zijn kinderen de beste soldaten die een krijgsheer zich maar kan wensen. Ze zijn snel, in staat tot een bijna blinde kadaverdiscipline, gemakkelijk manipuleerbaar en door hun geringe besef van de dood vaak uitgesproken moedig. Bovendien hoef je ze geen soldij te betalen.

Wie niet horen wil, de vierde roman van Moses Isegawa, vormt een heldere en veelvuldig meeslepende illustratie van deze werkelijkheid. Het boek speelt in het noorden van Oeganda, niet ver van de grenzen met Soedan en Congo (het vroegere Zaïre) en is geïnspireerd op de terreur van het rebellenleger van Joseph Kony, het Verzetsleger van de Heer, die in deze streek al twintig jaar huishoudt.

Isegawa vertelt zijn verhaal grotendeels aan de hand van twee personages: de 16-jarige Beeda en de 15-jarige Azizima. De twee kennen elkaar van jaren geleden. Ooit waren ze vrienden. Hun moeder hadden elkaar beloofd voor elkaars kinderen te zorgen, mocht een van hen iets overkomen. Op een dag wordt Azizima’s moeder vermoord en worden haar kinderen door rebellen ontvoerd en opgevoed tot soldaten. Azizima is inmiddels opgeklommen tot majoor in het ‘Leger van de Heilige Geest’.

Beeda is onderwijzer op de dorpsschool die zijn moeder heeft opgericht. Aan het begin van de roman is het de enige onderwijsinstelling in de wijde omgeving die nog niet door het rebellenleger in as is gelegd. Maar een brief van brigadier Balo, een jongen van 17 die zelf nog op de school heeft gezeten, maakt duidelijk dat er aan deze situatie een einde kan komen.

Het is een van de vele intimidatiepraktijken die de rebellen toepassen om de bevolking bang en gehoorzaam te houden, zodat het regeringsleger geen poot aan de grond krijgt.

De elkaar afwisselende vertellersstandpunten tonen twee geheel verschillende kanten van de Noord-Oegandese werkelijkheid. Beeda heeft een relatief beschermde opvoeding genoten. Hij geniet van het gezag dat hij heeft bij zijn leerlingen en heeft heftige seksuele fantasieën over zijn collega, juffrouw Alaso. Azizima vindt zijn bevrediging in het bevelen en vernederen van zijn ondergeschikten, luitenant Dagomin (15) en sergeant Kabalega (13), en het terroriseren van weerloze burgers. Het afsnijden van oren en het in brand steken van huizen zijn daarbij favoriete middelen.

Isegawa’s portretten van de kindsoldaten zijn overtuigend en voor de lezer allesbehalve comfortabel. Want hoewel de kinderen allemaal hun eigen dramatische levensverhaal hebben, dat alles in een breder perspectief plaatst, is hun handelen zo bruut en wreed, dat het buitengewoon moeilijk is empathie voor hen te ontwikkelen.

Wie niet horen wil moet het vooral hebben van zijn verhalende kracht. Stilistisch hapert het soms (‘Als een overbelast juk was de hitte van de dag gebroken en maakte plaats voor de koelte en het milde licht van de avond’), sommige zaken worden meerdere malen uitgelegd, en de manier waarop het perspectief van de twee hoofdpersonages hier en daar verschuift naar bijfiguren, is onhandig. Daar staat een goed gedoseerde couleur locale – inclusief trompetneushoornvogels, palmmarters, lantana camerastruiken en malachiet ijsvogels – tegenover.

Keer op keer maakt Isegawa duidelijk dat de wreedheid van zijn personages is terug te voeren op de trauma’s die ze zelf hebben ondergaan. Hij toont daarmee ook de uitzichtloosheid van de hele situatie in Noord-Oeganda aan, waar een hele generatie kinderen voor het leven geestelijk verwoest lijkt. Want inderdaad: je kunt een kind uit de oorlog halen, maar hoe haal je de oorlog uit een kind?

En als aan het slot, na een reeks bloedige gebeurtenissen, een woordvoerder van de regeringstroepen de gevangen genomen kindsoldaten een nieuw leven belooft, is het duidelijk dat zijn bedoelingen op zijn minst ten dele propagandistisch zijn. De rebellen zijn monsters, het regeringsleger is menselijk.

De hoop die aan het eind van deze roman gloort, is maar schijn. De wereld die hier wordt verbeeld, is er een waarin opportunisme en de wil tot overleven de centrale menselijke waarden zijn. Vitaal, maar keihard en amoreel. Hans Bouman

Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met de Volkskrant?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van de Volkskrant rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright @volkskrant.nl.
© 2020 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden