reportage festival berlioz

Hoe Frankrijk de componist Hector Berlioz eindelijk omarmt, en wel met een festival

Hoewel hij bij leven nooit erg populair was in eigen land, krijgt de Franse componist Hector Berlioz nu een prachtig festival in zijn geboortedorp La Côte-Saint-André. Wat zou hij daar zelf van hebben gevonden? 

Berlioz’ opera Benvenuto Cellini, uitgevoerd door het Monteverdi Choir en het Orchestre Révolutionnaire et Romantique, o.l.v. John Eliot Gardiner op het Festival Berlioz. Beeld Agence Iséroise de Diffusion Ar

Dit steile weggetje moet Hector Berlioz (1803-1869) vaak hebben beklommen. Het voert naar het kasteel van zijn geboortedorp, La Côte-Saint-André, halverwege Lyon en Grenoble. Had de componist hier eind augustus gelopen, hij zou hebben gevloekt. Heel zijn leven hebben de Fransen hem tegengewerkt. Pronken ze nu, in zijn 150ste sterfjaar, met een juweel van een Festival Berlioz.

Op het terras van Château Louis XI had Berlioz (spreek uit met zoemende z) bij kunnen komen met tapas en wijn. In de demontabele concertzaal (1200 stoelen, prima akoestiek) had hij zijn eigen revolutionaire symfonieën en opera’s kunnen horen. En dan niet uitgevoerd op z’n janboerenfluitjes, zoals hij in zijn autobiografie maar al te vaak klaagt.

Nee, naar de Dauphiné komen sterdirigenten op bedevaart. Zoals daar is John Eliot Gardiner, de gelauwerde Brit. Onderweg naar de podia van Berlijn en Londen poetst hij de opera Benvenuto Cellini in authentieke kleuren op. En zie Valeri Gergjev, de razenddrukke Rus. Hij doet alvast vingeroefeningen voor La damnation de Faust, de opera waarmee hij zaterdag in Rotterdam het Gergiev Festival afsluit.

Het publiek stroomt duizendvoudig toe. De klassieke radiozender France Musique brengt trouw verslag uit. En in dit jubeljaar jakkert door de nauwe straten ook een zwarte colonne met zwaailicht. Stapt uit: Franck Riester, de minister van cultuur. Persoonlijk komt hij verslag uitbrengen van een gewichtige kwestie: de panthéonisation van Louis-Hector Berlioz. Oftewel: het bijzetten van zijn stoffelijke resten in het Panthéon, de Parijse tempel waarin de natie zijn helden eert.

Horen we gekreun? Dat is dan Berlioz die zich omdraait in zijn graf op Montmartre. Geef hem eens ongelijk, de componist die zich afvroeg waarom het Onze-Lieve-Heer had behaagd zijn wieg in Frankrijk te zetten. Die sneerde dat het vaderland hem prima beviel – ‘vooral als ik er aankom op de vooravond van de dag dat ik moet vertrekken’.

Evaluatie 

Hoog tijd voor een evaluatie. Waar schuurde het tussen Berlioz en de Fransen? Wanneer kwam de omslag? En waarom profileert het festival in La Côte hem als een man van het terroir, onvertaalbaar Frans voor de karakteristieken van een landstreek?

‘Loop even mee’, zegt festivaldirecteur Bruno Messina, een gedrongen veertiger met pientere ogen. Hij toont het achteruitzicht van het Musée Berlioz. In dit pand aan de Rue de la République sleet de componist zijn kinderjaren.

Oogverblindend, inderdaad. In de verte de heuvels van de Vercors. Dichtbij de ‘tamelijk wijde vlakte’ die Berlioz beschreef in zijn memoires (‘rijk, goudgeel en groenend, waarvan de stilte een onbestemde dromerige verhevenheid heeft’).

‘Dit was zijn conservatorium’, aldus Messina. ‘Kijk hoe het landschap zich ontvouwt als een partituur, met kleurvlakken en objecten in de ruimte.’ Ja, zo bekeken vallen ze op hun plek, buitenissigheden als de vier kopersecties en zestien pauken die Berlioz in zijn Requiem over de concertzaal verspreidt.

Hier in de salon kreeg hij fluit- en gitaarles. Maar toen hij op z’n 17de vertrok naar Parijs, had Berlioz nog geen symfonieorkest gehoord, nog geen opera gezien. Officieel studeerde hij geneeskunde, maar liever verslond hij partituren in de bibliotheek. Met lessen bij een paar degelijke meesters – Lesueur, Reicha – verzamelde hij genoeg techniek om zijn klankvisioenen op papier te zetten.

Eerste succes, in 1830: de Symphonie fantastique, omverwerpende muziek die de opiumtrip verklankt van een artiest met liefdesverdriet, compleet met heksensabbat en een orkest dat het baf! van de guillotine imiteert.

Ook privé was Berlioz een expert in gefnuikte hartstocht. Op z’n 12de raakte hij voor het leven verliefd op Estelle, een 17-jarige streekgenoot met roze rijglaarsjes. Hoteldebotel werd hij van Harriet Smithson, een Ierse actrice die hij in Parijs zag schitteren in Shakespeare.

‘Berlioz kon niet niet-verliefd zijn’, zegt Bruno Messina. ‘Muziek en liefde waren voor hem de vleugels van het leven.’

Beeld Agence Iséroise de Diffusion Ar

Eigen regels

Na de Symphonie fantastique zat het Berlioz soms mee, maar meestal tegen. Parijs moest hem niet, zegt de 93-jarige meesterbiograaf die het heeft uitgeplozen. David Cairns, een kwieke Brit in zomerkostuum, duidt op een terras in La Côte-Saint-André de weerzin.

‘Punt een: Berlioz trok zich niets aan van regels. Hij vond liever zijn eigen regels uit. En je kent de Fransen: cultuur is heilig, maar o wee als je afwijkt van de traditie.’

Verder kluste de componist noodgedwongen bij als recensent. ‘Hij schoot met scherp en spaarde niemand’, zegt Cairns. ‘Hij haatte bijvoorbeeld het Italiaanse hopfaldera dat destijds Parijs veroverde, van componisten als Rossini en Donizetti.’

Berlioz zocht zijn heil steeds vaker in het buitenland. Met koffers vol muziek reisde hij door Engeland, Duitsland en Rusland. Na aankomst in een stad vroeg hij steevast om zich heen. Welk orkest kan ik dirigeren? Wat is de beste zaal? En wat kan ik voor een toegangskaartje rekenen? 

Londen waardeerde hem, Duitsland hield van hem, maar alleen Sint-Petersburg overlaadde hem met goud. Zijn boek over instrumentatiekunde lag bij generaties componisten op het nachtkastje. Samen met Glinka werd Berlioz de grondlegger van de kleurrijke Russische school.

Maar in eigen land bleef het tot op het laatst behelpen. Manmoedig schreef hij: ‘Je moet de stenen die ze naar je gooien verzamelen. Ze vormen het begin van een voetstuk.’ En hij kreeg gelijk. In zijn honderdste geboortejaar, 1903, waren al standbeelden verrezen. In zijn honderdste sterfjaar, 1969, circuleerde het eerste Panthéonplan. En vandaag de dag zijn 880 Franse straten en pleinen vernoemd naar Hector Berlioz. De enige musicus die hem voorgaat is de chansonnier George Brassens.

Het is dan ook een mythe, zegt festivaldirecteur Messina, dat Frankrijk nog steeds een hekel heeft aan Berlioz. ‘In de panthéonisation komt eindelijk schot. En zoals je hier op de campagne ziet: gewone Fransen dragen zijn muziek op handen.’

Berlioz’ opera La damnation de Faust besluit zaterdag het Gergiev Festival in Rotterdam. 

De Franse componist Hector Berlioz (1803-1869). Beeld Gamma-Rapho via Getty Images

Ook Jongkinds dorp

Hector Berlioz is niet de enige jubilerende kunstenaar op wie La Côte-Saint-André trots is. Op het dorpskerkhof ligt de Nederlandse schilder Johan Barthold Jongkind (1819-1891) begraven, hij staat te boek als wegbereider van het impressionisme. Jongkind, een stevige drinker, streek er in 1878 neer als een halve vagebond, samen met zijn levensgezellin Joséphine Fesser. De dorpelingen verbasterden zijn naam algauw tot het beter bekkende jonquille (narcis). In zijn laatste jaren schilderde Jongkind menig aquarel in de velden rond La Côte-Saint-André.

Gijs Groenteman gaat in onze illustere archiefkast in gesprek met mensen die hem hebben verwonderd. Rapper Pepijn Lanen, schrijver Paulien Cornelisse en kunsthandelaar Jan Six passeerden al de revue.

Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met de Volkskrant?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van de Volkskrant rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright @volkskrant.nl.
© 2019 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden