Recensie De God van Galilea ***

Hoe een verboden religie de wereld veroverde is de officiële vraag in De God van Galilea, maar het boek biedt geen nieuwe inzichten


Foto Claudie de Cleen

Nadat de Romeinse keizer Valerianus in handen was gevallen van de Perzen, werd hij door de Perzische koning Shapur als een voetenbankje gebruikt. En toen dat bankje niet meer beviel, liet Shapur hem doden door zijn mond vol te gieten met gesmolten goud. Het verhaal over het einde van Valerianus is in elk boek over het late keizerrijk te vinden. Het is ook te mooi om te laten liggen. Het verhaal komt van de christelijke auteur Lactantius. In zijn boek De mortibus persecutorum beschrijft hij het gruwelijke einde van iedereen die het had gewaagd de christenen te vervolgen. Het is een werk dat qua sadisme De Sades 120 dagen van Sodom evenaart. Valerianus had tijdens zijn Perzische veldtocht (die zo schandelijk zou eindigen) maatregelen afgekondigd om christenen uit de Senaat te weren. Dus krijgt hij van Lactantius de volle laag.

Misschien was dat wel het geheim van die eerste christenen: ze hadden de beste verhalen. De Amerikaanse auteur Bart Ehrman is er in elk geval voor gevallen, voor die christelijke propaganda. Dat begint al bij de ondertitel van zijn boek: how a forbidden religion swept the world. Maar in al die eeuwen is het christendom nooit verboden. Hooguit een paar jaar, zo rond 300. Een paar keizers hebben de christenen weleens opgedragen in het openbaar eer te bewijzen aan de andere goden. Even een klein offer brengen, voor het welzijn van het Rijk. Was dat nou te veel gevraagd? Voor een handjevol christelijke fanatici wél. En in de loop van vier eeuwen is ook maar een handjevol christenen ter dood veroordeeld vanwege minachting van de keizer. Maar ondertussen hadden de christenen de mooie verhalen. Dat keizer Nero christenen voor de leeuwen had geworpen. Dat er in heel het Rijk ontelbare martelaren waren die rechtstreeks naar de hemel gingen, waar ze heerlijk verwend werden. En dat vervolgers altijd een gruwelijke dood stierven.

De God van Galilea – Hoe een verboden religie de wereld veroverde

***

Bart Ehrman

Vertaald uit het Engels door Ineke van den Elskamp en Pon Ruiter. 

Balans; 360 pagina’s; € 24,95.

Ehrman plaatst vraagtekens, zeker. Maar niet als het gaat om zijn grote held, keizer Constantijn, de man die er begin vierde eeuw voor zorgde dat het christendom een erkende godsdienst werd. Ze mochten voortaan, net als de joden, wegblijven bij openbare religieuze rituelen. Historici zijn er niet over uit wanneer Constantijn een christen werd. Laat, waarschijnlijk. Zijn bewind was een subtiele balanceeract waarbij hij de christenen steunde maar de traditionele goden in hun waarde liet. In zijn nieuwe hoofdstad, Constantinopel, ingewijd in 330, stonden talloze ‘heidense’ godenbeelden. Maar Ehrman twijfelt niet. Al in de eerste regel van het eerste hoofdstuk stelt hij simpelweg dat Constantijn van meet af aan een christen was. Een tolerante christen, dat wel. Hij noemt Constantijns besluit ‘het eerste officiële overheidsdocument in de westerse wereld waarin het principe van godsdienstvrijheid erkend werd’. Wat echt onzin is. Die vrijheid was er al eeuwenlang. Alleen gold toen, net als nu, dat een sekte niet staatsgevaarlijk mocht worden.

Ehrman viel voor de verhalen van Eusebius van Caesarea, de auteur van de Vita Constantini, een biografie die net zo betrouwbaar is als het werk van Lactantius. Het was Lactantius die verzon dat Constantijn, voorafgaand aan een beslissende veldslag, een kruis aan de hemel had zien staan, en daardoor christen werd. Eusebius voegt daar in zijn Vita aan toe dat de keizer diezelfde avond in een droom Christus heeft gezien, die nog enige toelichting verschafte. Hij durft zelfs te beweren dat hij dat van Constantijn persoonlijk heeft gehoord. Hij beweert dat Constantijn talloze ‘heidense’ tempels heeft verwoest. (Ehrman twijfelt, gelukkig). Stonden er heidense beelden in Constantinopel? Die had Constantijn laten plaatsen zodat de christenen iets te lachen hadden. Eusebius had gewoon de beste verhalen.

Officieel gaat dit boek over ‘hoe een verboden religie de wereld veroverde’. Het is een oude vraag. De opvatting dat de Romeinen hun oude goden ‘moe’ waren ligt inmiddels op de vuilnishoop der geschiedenis. Maar wat was het dan? Was het de naastenliefde? Waren het de vele verhalen over wonderen? We weten het niet en Ehrman biedt geen nieuwe inzichten. Eigenlijk is het een schijnprobleem. De christenen waren tot omstreeks 200 nauwelijks zichtbaar. Valerianus voelde in 260 dat er iets broeide, maar omstreeks 300 was nog maar hooguit 10 procent van de bevolking christen. De doorbraak kwam pas in de vierde eeuw, onder Constantijn. En daarna, onder Theodosius, die rond 390 met grof geweld de verering van de traditionele goden uitroeide. Rond 400 was de helft van de bevolking zo wijs om zich christen te noemen. Ehrman doet dat geweld af in een paar alinea’s. Zijn boek gaat vooral over die christelijke, tolerante Constantijn. Wie het laatste hoofdstuk heeft bereikt, weet dat christenen een voorbeeld zouden moeten nemen aan deze man. Ach, een lesje tolerantie kan nooit kwaad. Ook al klopt er weinig van. En Valerianus? Hoe liep het écht met hem af? Zijn zoon had geen zin losgeld te betalen. De Perzen hebben hem gehouden en uitstekend behandeld. Hij is, heel saai, in zijn bed gestorven.

Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met de Volkskrant?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van de Volkskrant rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@volkskrant.nl.