ReportageAls schrijver in China

Hoe een Nederlandse schrijver verzeild raakte in de culturele onderneming van China

Beeld Astrid Anna van Rooij

Als een Chinese uitgeverij interesse toont in de vertaling van zijn roman, voelt Daan Heerma van Voss zich vereerd. Tot bij de boekpresentatie blijkt dat er meer is veranderd dan alleen de taal.

Een geblindeerd busje komt voorrijden, mijn koffers worden aangenomen, ik stap in. We schieten door Guangzhou, de stad waar mijn Chinese avontuur vier jaar geleden begon en waar morgen de presentatie van de Chinese vertaling van mijn voorlaatste roman zal plaatsvinden. Een medewerker van de uitgeverij stopt me een exemplaar van mijn boek toe, dunner dan de Nederlandse editie. Volgens mijn uitgever krimpen westerse teksten als ze worden omgezet naar Chinese karakters. Of zou er toch misschien ook iets veranderd zijn in de tekst?

Wacht. Laat ik eerst opbiechten hoe willekeurig het is dat ik nu voor de derde keer in vier jaar op uitnodiging van een gerenommeerd instituut (eerst de Sun Yat-sen University in Guangzhou en nu de Lu Xun Academy in Beijing) een maand in China ben. Het begon in een koffiezaakje in een winkelcentrum in Jeruzalem, waar ik zat te werken. Dat werd opgemerkt door wat een in Canada wonende Nederlander bleek te zijn. Hij vroeg me de groeten te doen aan een Nederlandse dichter. Die dichter bleek werkzaam bij het Letterenfonds. Ik deed wat me gevraagd was, de dichter bedankte me. O, nu hij me toch sprak, hij had zojuist een collega gesproken die contact had met een Chinese universiteit: of ik als schrijver geïnteresseerd was in een mogelijke residentie (die bestond uit: kost, inwoning en schrijftijd), samen met een aantal internationale schrijvers. Dat was ik.

In China maakte ik kennis met een uitgever die eerder Mulisch had uitgegeven. Zij toonde interesse in mijn voorlaatste roman, De laatste oorlog, en vroeg een paar vertrouwelingen het te lezen. Hun rapporten bevielen kennelijk, ze zette door. En aangezien de universiteit tevreden over me was, vroegen ze me een jaar later opnieuw, nu om les te geven. Door weer ja te zeggen kwam ik (schijnbaar) definitief in de juiste Rolodex terecht: het jaar daarop nodigde de Lu Xun Academy me uit. Die uitnodiging viel samen met de publicatie van mijn roman – waardoor ik dit jaar niet alleen writer in residence in Beijing ben, maar ook een minitournee in Guangzhou maak. Mijn aanwezigheid in China is, kortom, het gevolg geweest van een volstrekt ongeloofwaardige keten van toevalligheden.

Er zijn relatief maar weinig Nederlandse romans vertaald in het Chinees (non-fictie en kinderboeken doen het beter). Dit is grotendeels het gevolg van het geringe aantal vertalers dat van het Nederlands naar het Chinees werkt. ‘Tot ongeveer vijftien jaar geleden was er maar een handvol Nederlandse romans verschenen in China’, zegt Mark Leenhouts, vertaler en kenner van de Chinese literatuur. Als voorbeelden noemt Leenhouts Multatuli’s Max Havelaar, Mulisch’ De aanslag en het dagboek van Anne Frank. ‘Max Havelaar kwam bijvoorbeeld in China terecht dankzij vertaler Jaap Sie. Toen die er net na de Culturele Revolutie mee naar een uitgeverij stapte, bleek het tot zijn verrassing op de lijst van ‘progressieve’ boeken te staan die de uitgever al wilde laten vertalen. Zoals De hut van Oom Tom de slavernij aan de kaak stelde, werd in Max Havelaar het kolonialisme aangevallen. Het paste in die tijd dus bij de socialistische moraal.’

Sinds 2011 komen er meer romanvertalingen tot stand. In dat jaar was Nederland eregast bij de boekenbeurs van Beijing. De aanwezigheid op de beurs, verzorgd door het Nederlands Letterenfonds (en dus indirect door de Nederlandse staat), leidde tot ophef. In NRC verweet Marcel Möring de afgereisde Nederlandse schrijvers, onder wie Ramsey Nasr, Adriaan van Dis en Kader Abdolah, ‘labbekakkerig cynisme’, omdat ze niet ingingen op het verzoek van Amnesty International om een speldje te dragen van ‘The Empty Chair’, het symbool voor de in gevangenschap levende Nobelprijswinnaar Liu Xiaobo. ‘Ik had niet verwacht dat schrijvers, zelden te beroerd om meningen te hebben over van alles, ineens meer leken op de nationale olieboer dan op de dominee van om de hoek’, oordeelde Möring. Henk Pröpper, destijds directeur van het Letterenfonds, vond de kritiek gratuit. ‘Hier in Nederland wat roepen is erg makkelijk.’ Dankzij het Letterenfonds werden de afgelopen vijftien jaar meer Nederlandse romans in het Chinees vertaald dan ooit tevoren (hoewel nog altijd niet veel) en meestal via een omweg (Duits of Engels). Daardoor hebben Hermans, Nooteboom en Mulisch, maar ook bijvoorbeeld Gerbrand Bakker en Anna Enquist een Chinees lezerspubliek gevonden.

Het Pröpper-Möring-dilemma werpt een indringende kwestie op: hoe in culturele zin om te gaan met problematische regimes? In zekere zin heeft zowel Möring als Pröpper gelijk. De schrijvers van 2011 lieten zich misschien wat makkelijk voor de Chinese kar spannen. Anderzijds ís de Nederlandse kritiek ook vaak gemakzuchtig, selectief of beperkt; want waar was soortgelijke kritiek bij Amerikaanse boekenbeurzen, ten tijde van mensenrechtenschendingen in de Abu Ghraib-gevangenis of Guantanamo Bay? En waarom zouden schrijvers zich moeten opstellen als martelaren, als het Nederlandse bedrijfsleven (en de regering) alles doet om een warme relatie met China te onderhouden? En de belangrijkste vraag: zouden we alle culturele banden met landen met problematische regimes dan moeten verbreken?

Toen de kans op vertaling van mijn roman zich voordeed, heb ik me vooral laten leiden door mijn nieuwsgierigheid – ik wist vrijwel niets van China. Met de hebzucht viel het mee: met de verkoop van de rechten van mijn boek kan ik twee weken huur betalen. Maar altijd spookte het Pröpper-Möring-dilemma door mijn hoofd.

Het bleek moeilijk te onderscheiden op welke momenten ik gehoorzaamde aan de wetten van de beleefdheid – ik was op bezoek – en wanneer aan de wetten van het regime. Ik heb honderden mensen de hand geschud, met tientallen gewichtige figuren gedineerd: bestuurders van universiteiten, partijorganen, vakscholen, commissies en schrijversverenigingen. In veel gevallen waren de bestuurders overigens ook dichter. Dus moesten de genodigden aandachtig naar de recitatie van de desbetreffende hotemetoot luisteren. (Waarbij ik het klaarspeelde om altijd net op het verkeerde moment te gaan zitten dan wel staan.) Maar omdat zulke bijeenkomsten en gebeurtenissen een absurdistische sfeer hadden, categoriseerde ik ze in gedachten vooral als ‘grappig om te vertellen aan het thuisfront’.

Die categorie kende steeds meer voorbeelden. Zo was er de ontvangst op scholen en universiteiten waar ik langskwam, die vaak even plechtig als bizar was; met erehagen en lintafzettingen, en traditionele gongspelers die begonnen te spelen zodra ons busje was gestopt. Tijdens interviews en gesprekken moest ik mijn mening geven over een recente winnaar van de Nobelprijs. Op een universiteit in de buurt van Guangzhou heb ik een kwartier lang vragen beantwoord over het tragische lot van Napoleon. Dagen voor mijn tweede verblijf in China werd me verteld dat ik les moest geven over Shakespeare. Een slecht idee, aangezien ik vrijwel niets van Shakespeare wist wat niet ooit in een Disneyfilm was verbeeld. Dat geloofden ze niet, ik was een westerling, ik zou er sowieso meer van afweten dan zij. Zo, door middel van zachte dwang, werd ik bewogen om in drie dagen alle werken van Shakespeare erdoorheen te rammen, koortsachtig las ik Macbeth voor het eerst in een vliegtuig van China Air. Ik ben er getuige van geweest dat een Amerikaanse dichter, hiertoe bewogen met eenzelfde soort zachte dwang, een prijs in ontvangst nam namens een andere dichter die hij nooit had ontmoet, want: allebei westers. Ik begreep de ceremonie – rode lopers en mistmachines – pas toen ik inzag dat hetgeen in het zonnetje werd gezet niet een buitenlandse dichter was, maar een gerenommeerde Chinese dichtersprijs. Wij waren westerse rekwisieten. ‘De Chinese cultuur bevindt zich in een spagaat’, zegt cultureel attaché Bart Hofstede. ‘Men smacht naar erkenning uit het Westen, maar het ideaal is een cultuur die geen andere cultuur nodig heeft.’

Voor veel Chinezen vertegenwoordigen westerse schrijvers iets moderns, iets opwindends. Nooit heb ik mezelf anders voorgedaan dan ik ben, maar men leek zo’n duidelijk beeld te hebben van wie ik moest zijn – een geslaagde westerse schrijver – dat ik me geregeld erg opgelaten voelde. Dat mijn nuanceringen van hun beeld steevast werden geïnterpreteerd als een vorm van bescheidenheid, die bewees dat ik precies was wie ze dachten dat ik was, hielp ook niet mee. Als ik niet succesvol was, zou ik toch niet zijn uitgenodigd? Die redenering hield een waar circus in stand, een circus dat niet wezenlijk met mij te maken kon hebben – het was onmogelijk voor hen geweest mijn boeken te lezen, niets was nog vertaald.

Dat ik me niet in de fantasie herkende, vond men niet zo relevant. Ik moest het spel meespelen. Dus dat deed ik, vaak verwonderd, regelmatig eenzaam, maar toch ook dankbaar. Ik had tijd om te schrijven, kreeg geen ge- en verboden opgelegd – al werden gespreksonderwerpen als homorechten en de Culturele Revolutie niet aangemoedigd, kwam er soms een mannetje langs om onze laptops te inspecteren en verdween er weleens een e-mail terwijl je hem las. Ik leerde een rijke cultuur kennen: smaken die ik niet kon thuisbrengen, landschappen die me als buitenaards voorkwamen. En de mensen op de universiteit met wie ik het meest te maken had, de studenten en professoren, waren interessant en geïnteresseerd, getalenteerd en gretig. Ze lieten me hun leven binnen, werden vrienden van me. In China maakte ik kennis met een staat van zijn die ik op het ene moment beschouwde als totale vervreemding en op het andere als totale vrijheid. Maar was die vrijheid wel zo totaal als ik hoopte?

Een half jaar geleden vroeg de uitgever of ik de religie van een moslimpersonage kon veranderen. Elke andere religie was in orde. (Als je je afvraagt wat er met de moslims in China aan de hand is: The New York Times publiceerde onlangs over de vierhonderd door hen bemachtigde Chinese staatsdocumenten waaruit bleek dat de regering de afgelopen drie jaar meer dan een miljoen islamitische minderheden, zoals Oeigoeren en Kazachen, in ‘heropvoedingskampen’ en gevangenissen heeft gestopt vanwege hun godsdienst.) Hoewel het niet ging om een hoofdpersonage, wees ik de suggestie toch van de hand. ‘Je kunt niet met religies gaan schuiven, dan verandert het hele boek’, schreef ik terug. Daarmee leek de kous af.

Enkele weken geleden vroeg ik de Chinese vertaler van het boek (door de uitgeverij aangedragen, vertalend vanuit mijn Duitse vertaling) naar eventuele veranderingen in de tekst van mijn boek. Ze reageerde geschrokken: ‘Zo gaan wij niet met boeken om.’ Oké, misschien niet. Maar de censuurvraag bleef door mijn hoofd spelen. Ik ging vragen stellen, aan officials, aan vertalers, aan uitgevers, aan schrijvers. Officiële, expliciete censuur – dat wil zeggen proactieve, preventieve inperking van expressie door de overheid – bleek niet het grootste probleem.

Beeld Astrid Anna van Rooij

Om dat uit te leggen moeten we naar de uitgeverijen in China kijken. Zijn die vrij? Cultureel attaché Hofstede: ‘In zekere zin wel, je kunt zomaar een uitgeverij beginnen. Maar het addertje: er is een zeer beperkt aantal staatsuitgeverijen dat ISBN-nummers aanvraagt bij de regering, en zo’n nummer heb je nodig om het boek in de winkel te krijgen.’ Vertaler Leenhouts: ‘Dan is er op ministerieel niveau een orgaan dat over boeken, pers, films en radio gaat. Vooral met films zijn ze streng, omdat er veel publiek voor is. De keuring van boeken is bewerkelijker, niet alles wordt gelezen voor het verschijnt.’

Op basis van welke criteria vindt die keuring plaats? Leenhouts: ‘In China werkt men met richtlijnen. Het culturele product moet de harmonie van het land bevorderen bijvoorbeeld, en niet alleen maar de donkere kant van het leven benadrukken. Behoorlijk vaag dus. Uitgevers, redacteuren en schrijvers moeten zelf afwegen of het boek daaraan voldoet.’ Sinoloog en vertaler Annelous Stiggelbout: ‘Die vaagheid zorgt ervoor dat Chinese uitgevers extra voorzichtig zijn met de boeken die ze aankopen en hoe ze omgaan met de tekst. Ze moeten wel. Zij dragen de verantwoordelijkheid.’ 

En de gevolgen kunnen verstrekkend zijn. Denk aan: 30 procent minder ISBN-nummers toegewezen krijgen, of een publicatieverbod voor langere tijd. Veel uitgeverijen overleven dat niet. Cultureel attaché Hofstede: ‘Er treedt een dynamiek in werking die in bestuurstermen creeping wordt genoemd: de geboden aan de top van de piramide zijn bewust vaag verwoord, waardoor lager geplaatsten, die bang zijn voor straf, des te strenger optreden. Die dynamiek van strengheid versterkt zichzelf dus in elke laag van de piramide, vaak zonder dat er ooit een keihard bevel is gegeven.’

Het gaat dus veelal niet om expliciete verboden, maar om een verstrekkende chilling of speech – op voorhand uit angst iets niet zeggen of schrijven, een vorm van zelfcensuur – of controle achteraf, zoals de Chinese sterschrijver Han Han het noemt. ‘Controle achteraf is een zwaarder instrument dan controle vooraf, het heeft een nog sterker effect.’ De Amerikaanse Chinageleerde Perry Link legt de voortdurende dreiging van de instanties uit aan de hand van de metafoor van een anaconda in een kroonluchter. Die anaconda hoeft nauwelijks te bewegen om zijn macht duidelijk te maken. Het is aan de mensen onder de kroonluchter, die lekker aan het dineren zijn, of ze de anaconda willen uitlokken of liever laten kronkelen.

En als een uitgeverij vermoedt dat een boek problematisch is? Leenhouts: ‘Bij twijfelgevallen kan een uitgever zich officieel bij de overheidsinstantie melden, die maakt een dossier aan. Sommige uitgevers hebben meer lef en gooien het boek op de markt. Dan kan het een half jaar in de winkel liggen voordat het uit de handel wordt gehaald, meestal met een reden die alleen de uitgever te horen krijgt. Er is, kortom, een groot grijs gebied, de betrokkenen moeten kansen en risico’s afwegen. Dat zijn menselijke afwegingen, die afhangen van de persoon.’

De volgende dag is het zover. In het financiële district van Guangzhou houd ik mijn Chinese boek ten doop, voor mij het hoogtepunt van de drie maanden die ik tussen 2016 en 2019 in China heb doorgebracht. De zaal is behoorlijk vol. Stapels boeken liggen uitgestald. Mijn boek, waarvan vierduizend exemplaren zijn gedrukt, kost omgerekend 5 euro. Uitgeverijen maken de beperkte opbrengsten van buitenlandse literatuur vaak goed met politieke boeken, zo wordt me verteld. Zoals het werk van president Xi Jinping bijvoorbeeld, waarvan miljoenen exemplaren over de toonbank gaan. (Maar hoe vaak ze gelezen worden, weet niemand.)

We gaan zitten. De uitgever spreekt van een belangrijk moment in de relatie tussen China en Nederland. De Nederlandse consul noemt het een eervol en heugelijk gebeuren. Dan leggen we onze handen op een glazen bol, waarin de titel van mijn boek wordt geprojecteerd. Camera’s klikken – we hebben zojuist op even formele als traditionele wijze de vriendschap tussen onze twee landen beklonken.

Maar die vriendschap steekt iets anders in elkaar dan ik hoopte, blijkt de volgende dag op een signeersessie in een winkelcentrum. Omdat ik vermoed dat zij met een in het Chinees geformuleerde vraag meer kans maakte dan ik in het Engels, vroeg ik een Chinese vriendin om bij de uitgeverij te informeren naar eventuele wijzigingen die zijn aangebracht in mijn tekst. De medewerker van de uitgeverij is bewonderenswaardig eerlijk. Het zou kunnen dat er minder seks in zit dan eerst. 

‘En de moslims?’, vraag ik. 

‘Welke moslims?’, vraagt ze terug. ‘Je bedoelt: mensen van een zekere religie?’

Op dat moment begint het me te dagen:  er staan helemaal geen moslims meer in mijn boek. De volgende dag vraag ik een Chinese lezer het boek erop na te slaan – ze bevestigt wat ik al vreesde. Mijn boek is moslimvrij gemaakt. En iedereen bij de uitgeverij wist ervan, maar ik niet. Het verwijderen van seksscènes is erg genoeg, maar het in mijn naam uitgummen van een in werkelijkheid door de Chinese staat sterk gemarginaliseerde groep vind ik onvergeeflijk. Het is trouwens ook in strijd met het contract, waarin staat dat de tekst niet gewijzigd mag worden zonder toestemming van de auteur.

Een land dat ik dankbaar ben, heeft me in een lastig parket gebracht. Met mijn contract gaan wapperen in hoop op verontschuldigingen? Haalt niets uit. De boeken uit de handel laten halen? Een lange, vermoeiende en vermoedelijk kansloze weg, als je geen partner on the ground hebt.

Desgevraagd laat het Letterenfonds, dat heeft meebetaald aan de vertaling, me weten de situatie ‘onacceptabel’ te vinden. Per e-mail kaart ik het aan bij de Chinese uitgever, ik zeg kwaad te zijn. Ze zeggen dat ze me niet bewust misleid hebben en blijven erbij dat het niet verstandig is om de islam direct te noemen.

Wat had ik gedaan als me de keuze was voorgelegd: je boek verschijnt op onze manier of helemaal niet? Ik hoop – en denk – dat ik dan had gezegd: ik zie ervan af. Maar niets is zo makkelijk als achteraf de moreel juiste keuze maken. En de waarheid is óók dat ik mijn tijd in China niet had willen missen.

Als ik me enkele dagen na de presentatie in Beijing bevind, op een bijeenkomst over fictie en werkelijkheid, met hoogwaardigheidsbekleders uit het literaire veld, kan ik me niet inhouden. Ik vraag hun wat in China hoger aangeschreven staat: fictie of non-fictie, waarheid of verzinsel. ‘Het beste is als het werk het algemeen nut dient’, luidt het eensgezinde antwoord.

‘Goed’, zeg ik, ‘maar dan is de vraag: wie bepaalt wat het algemeen nut is, de schrijver of iemand anders?’ Het antwoord dat ik krijg, is zo algemeen dat de woorden direct vervluchtigen. Het komt neer op: dat voel je aan. De opmerking lijkt ook aan mij gericht: read the room, knul. Vier jaar lang heb ik dat geprobeerd, met als gevolg dat ik nu Chinese lezers heb en zelf (vertaalde) Chinese literatuur lees, dat wat eens zwart-wit was nu grijs is.

En ik weet dat ik met dit artikel het risico loop geen visum meer te krijgen voor een land dat me dierbaar is. Binnen uitgeverskringen gaat het gerucht dat er volgend jaar 30 procent minder ISBN-nummers zullen worden vrijgegeven, om het aantal internationale titels terug te dringen. De reden daarvan? Misschien ter bescherming van het eigen cultuurgoed, misschien om buitenlandse invloeden te beperken, vermoedelijk gaat het om een combinatie van die motieven. Tiziano Perez, directeur-bestuurder bij het Letterenfonds: ‘We zien het aantal vertalingen al enkele jaren dalen, als gevolg van toenemende beperkingen opgelegd door de overheid.’

Op de ochtend van vertrek, dat weemoediger is dan normaal, bericht een andere uitgeverij me: ze zijn geïnteresseerd in een boek van me. Het kan geen kwaad in gesprek te blijven, antwoord ik, zolang we het over een paar principes eens zijn.

Recente censuur in China: Edward Snowden

Afgelopen november verscheen de Chinese editie van Permanent Record, de autobiografie van klokkenluider Edward Snowden. Die Chinese editie bleek gecensureerd. Snowdens gedachten over hoe het leven in een totalitair regime in veel gevallen zal leiden tot massaprotest, werden deels geschrapt. Ironisch genoeg werd ook Snowdens opvatting dat censuur een van de hoekstenen is van ondemocratische staten gecensureerd. Toen Snowden door lezers  werd gewezen op de verschillen tussen de Amerikaanse en de Chinese editie, plaatste hij een oproep op Twitter: of mensen hem wilden helpen tot een volledige Chinese vertaling te komen.

De laatste oorlog

In Daan Heerma van Voss’ roman De laatste oorlog (2016) komt hoofdpersoon Abel Kaplan in aanraking met een islamitische scholier, Ibrahim geheten. Deze Ibrahim, die nooit heeft geleerd voor zichzelf op te ­komen, wordt op school gepest. De twee sluiten een pact, dat niet lang zal standhouden.

Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met de Volkskrant?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van de Volkskrant rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright @volkskrant.nl.
© 2020 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden