Hoe een enorme hoeveelheid Nederlandse meesters in Rusland belandde

En waarom ze nu weer terugkomen naar de Amsterdamse Hermitage

Hoe kwamen al die prachtige Hollandse meesters toch in Rusland terecht? Een maand of acht lang kunnen 63 werken weer worden bewonderd in het land waar ze werden gemaakt. Een kans die u niet mag laten lopen.

Melchior de Hondecoeter, Vogels in een park, 1686. Beeld Hermitage, St Petersburg

En dan sta je voor De Baadster (1660-'65). Het toont een naakte jonge dame, wat je wist, wier blik het midden houdt tussen 'Wat mot je, viespeuk?' en 'Kom er toch gezellig bij'. Wat je óók wist - maar om het hier, in de Nederlandse vleugel van de Hermitage in Sint Petersburg, met eigen ogen te bekijken is bijzonder. Gerard Dous paneeltje overleefde een revolutie, twee wereldoorlogen en menig Russische conservator. Het behoort tot de hoogtepunten uit de Hollandse collectie van het museum.

Deze collectie behoort tot de gerenommeerdste ter wereld. Zij telt rond de vijftienhonderd stukken, daterend van de vroege 15de tot de vroege 20ste eeuw. Daaronder zijn drieëntwintig Rembrandts; meer dan in het Metropolitan Museum in New York (veertien) en, nu we toch bezig zijn, óók meer dan in het Rijksmuseum (tweeëntwintig, Marten en Oopjen meegerekend). En dat is nog maar het topje van de ijsberg: ook Ruisdael, Wtewael, Dou, De Gelder en De Hooch zijn goed vertegenwoordigd, sommige meermalen, vaak op topniveau. Dat er tussen al die schilderijen geen enkele van Jan Vermeer van Delft zit: het zou wat. Ilja Repin hangt ook niet in het Rijksmuseum.

Hollandse Meesters uit de Hermitage, oogappels van de tsaren. 7/10 t/m 27/5. Hermitage Amsterdam.

Drieënzestig schilderijen uit deze enorme collectie komen nu naar de Hermitage Amsterdam. Zevenenvijftig daarvan zijn afkomstig uit de vaste opstelling. Zes komen uit het depot. Portret, stadsgezicht, stilleven, Bijbels tafereel - alle genres zijn vertegenwoordigd. Rembrandts Flora, De Hoochs Concert, Van der Heydens St.-Anthoniespoort: de lijst met grote en kleine meesterwerken is lang. Hun aanwezigheid is een breuk met de eerdere belofte van de Hermitage Amsterdam om niet met andere Nederlandse musea voor 17de-eeuwse kunst te concurreren, maar tot wrevel lijkt dat niet te hebben geleid: de verloren zonen en dochters uit Petersburg krijgen gezelschap van familie uit het Rijksmuseum en het Haagse Mauritshuis. Zij werden gedurende zo'n dikke drie eeuwen bijeengebracht door een kleurrijke reeks tsaren, aristocraten en diplomaten. Hamvraag: hoe kon het dat De Baadster en al die andere werken zich zo makkelijk op de kop lieten tikken?

Het had te maken met de statuur van de Hollandse kunstenaar in de 18de eeuw, die achterbleef bij die van de Italianen en de Fransen, en ook met de inzakkende vaderlandse economie en het artistieke productieoverschot uit de 17de eeuw. Het had ook te maken met de eigenaren van die Hollandse meesters: voorname burgers, geen vorsten en aristocraten. Hun verwervingen waren recent en nog weinig verknoopt met de familiegeschiedenis en hadden derhalve, en nu speculeer ik, een beperktere gevoelswaarde. Nederlanders, voor alles kooplieden, deden relatief makkelijk afstand van hun kunstwerken. Russische verzamelaars deden daar hun voordeel mee.

Een van de eersten die profiteerden was Peter de Grote, tsaar van 1682 tot 1725; de vorst die het fundament legde voor wat uitgroeide tot de Hermitagecollectie. Dat was in de jaren 1696 en '97. Peter was 25 en wilde een stad laten aanleggen: Petersburg. Toen hij ter oriëntatie in Amsterdam was, raakte hij niet enkel enthousiast over de fonkelnieuwe grachtengordel (die hij kopieerde) en de scheepsbouw (die hij bestudeerde), maar ook over de 17de-eeuwse Hollandse schilderkunst. In 1696 kocht hij zijn eerste Rembrandt.

Peters verdere voorkeuren, vertelt Sergej Androsov, het in Torinotrainingsjack gestoken hoofd collecties West-Europese kunst van het museum, waren specifiek. Schilderijen met boten, daar hield de grootvorst van. Zeestukken die ook een praktisch doel dienden: ze stonden model bij de bouw van Peters vloot. De tsaar liet ze ophangen in Monplaisir, zijn zomerpaleis in Hollandse stijl aan de Neva, alwaar ze in de lente werden opgehangen om in de herfst weer te worden opgeborgen. Tot de hoogtepunten behoorden werken van Steen en Rembrandt. Zo begon het. Daarna bracht Catharina de Grote (1729-'96) het Russische verzamelen in een hogere versnelling.

Hollandse Meesters uit de Hermitage

Er komen 63 schilderijen naar de Amstelhof, waarvan 37 gemaakt in de bloeiperiode 1560-1670. Van de zes Rembrandts was er één eerder terug in Nederland, Flora, in 1985, in Museum Boijmans van Beuningen in Rotterdam. Vijftien andere stukken waren hier ook eerder, waaronder de Van Leyden. Het Mauritshuis leent Thomas de Keysers Portret van de vaandeldrager Loef Vredericx (1626) uit. Het hing ooit in de slaapkamer van tsaar Paul I, die het een mystieke betekenis toedichtte. Toen hij werd vermoord, keek dit 'portret van een ridder in oude kledij' toe.

Noem haar de Sheikha Al Mayassa van de 18de eeuw, naar de zus van de emir van Qatar, de vrouw achter de grote artistieke aspiraties van het Golfstaatje. Catharina had een netwerk van diplomaten die speurden naar kunstverzamelingen, die integraal werden opgekocht. In 1764: honderd Hollandse meesters van de koopman Gotzkowsky. In 1772: 415 schilderijen (Hollandse en andere nationaliteiten) van Louis Antoine Crozat, baron van Thiers. In Nederland verwierf zij via vermaarde verzamelaars als Cornelis Ploos van Amstel en Pieter Fouquet schilderijen van onder anderen Rembrandt, Ruisdael, Van Mieris, Dou, Metsu en Wouwerman. In deze niet te stelpen stroom aankopen liet een persoonlijke smaak zich maar moeilijk herkennen. Waarschijnlijk keek Catharina naar schilderijen zoals schrijver Anthony Powell keek naar boeken: they do furnish a room, en anders waren het wel beproefde prestigeobjecten, vergelijkbaar met paarden of buitenhuizen. Catharina wilde wedijveren met Frederik (de Grote) en al die andere vorsten. Een Rembrandt boven het biljart (of, preciezer: vijftig Rembrandts, de meeste inmiddels afgeschreven) kon je daar bij aardig op weg helpen. Speeltjes van de rijken, enzo.

Op De Baadster van Dou, echter, leek ze oprecht gesteld.

Beeld Martyn F Overweel

Wat Peter de Grote zag

Tsaar Peter de Grote hing zijn werken op in Monplaisir, zijn zomerpaleis in de Petershof, ontworpen door een Duitse architect in hybride Hollandse stijl, en deze plek is tegenwoordig toegankelijk voor publiek. Geblokte vloeren, bladgoud op het plafond, en een toilet dat bestaat uit een groene plank met een rond gat erin: tot zover de beschrijving van het interieur. Er hangen veel schilderijen, bruin uitgeslagen, schilderijen die eruit zien alsof ze uit een brandend pakhuis zijn gered, de meeste tweede garnituur, met af en toe een uitschieter.

De reis die het paneel, onderdeel van een serie van drie (de andere paneeltjes tonen een naakte man en nog een naakte vrouw), is te volgen van het moment dat het Dous atelier verliet tot dat waarop Catharina er de hand op legde. De Leidenaar Gerard Dou schilderde het triptiek voor zijn beschermheer, Johan de Bye, die het in 1665 verkocht, waarna het drietal werd opgesplitst, om na tachtig jaar door een andere Leidse verzamelaar te worden herenigd en, in 1768, per veiling aan Catharina verkocht. De tsarina hing het in de privévertrekken waar ze haar minnaars ontving. Ter seksuele educatie, zo is wel eens gespeculeerd.

Wat het werk daarna meemaakte is ongewis. Wie weet werd het door de nationalistische en vrome Paul I naar het depot verbannen, zoals gebeurde met Rembrandts Danaë; of het werd tijdens Nicolaas I gekopieerd naar vazen in de porseleinfabriek van het inmiddels tot museum omgedoopte Winterpaleis. Wat zeker is: het werd niet verkocht door het Sovjet Antikvariat in de jaren dertig, een triest lot dat veel Hollandse meesters ten deel viel. Thans deelt het een vitrine met onder meer een landschapje van Asselijn.

De Baadster was een van de hoogtepunten tijdens een rondleiding in de Hermitage afgelopen voorjaar door conservator Nederlandse kunst Irina Sokolova, een rondgang onder tijdsdruk: bijkans op een drafje ging het door de weldadig rustige (want: maandag) zalen. De Hooch: vink, Berchem: vink, Rembrandt, vink, vink, vink. Tussendoor werd het een en ander toegelicht over de opstelling (chronologisch, thematisch, traditioneel) en over de vervanging voor de werken die naar Amsterdam komen (Sokolova was al drie jaar bezig met het paraat krijgen, opschonen, restaureren), en toen was het alweer tijd voor een bezoek aan het restauratieatelier van het museum.

Konden we niet nog even een korte blik werpen op De Baadster? Goed - eventjes dan.

Gerard Dou, De Baadster, 1660-'65 Beeld Collectie Hermitage St. Petersburg

Het drieluik neemt een uitzonderlijke plek in binnen Dous oeuvre. Het zijn de fijnschilders enige naakten en ze zijn met raadselen omgeven. Voornaamste raadsel: horen ze wel bij elkaar? Daarvoor bestaat geen bewijs, maar de pose van de figuren doet het vermoeden. Badende Man en De Baadster nummer twee lijken elkaar te spiegelen. Het zou de andere baadster, die met de onbestemde blik en de krulletjes, tot het middenstuk, en dus tot hoofdwerk maken.

Het lijkt aannemelijk. Net als de pendanten getuigt het van fijnschilderen op de meest fetisjistische schaal (hoed, mantel, rokken, onderstukje, planten, boomstam: alles is even glad en gaaf), Dou doing the full Dou, maar het getuigt ook nog van iets anders: de schilder is zich bewust van een kijker (m/v) en van wat zijn werk in die kijker nog allemaal zou kunnen losmaken. Anders gezegd: de zijstukken zijn verdienstelijk geschilderde studies van lichamen. Het middenstuk is begraven dynamiet.

Een beetje tsaar houdt zo'n werk voor zichzelf.


Rembrandt van Rijn - Flora

Olieverf op doek, 1634

In het gezegende jaar 1634 trouwde Rembrandt van Rijn, kunstschilder te Amsterdam, met Saskia van Uylenburgh, burgemeestersdochter te Leeuwarden, in Sint Annaparochie in Friesland. Kort daarop schilderde Rembrandt Saskia in een gouden gewaad, oorbellen in de oren, een staf in de hand en een complete bloemenwinkel op het hoofd, een werk dat in latere eeuwen bekend stond als Portret van een jong meisje, maar dat u en ik kennen als Flora. Het portret, een van de drie waarin Rembrandt Saskia als de Romeinse lentegodin afbeeldde (de andere bevinden zich in onder andere in het Metropolitan Museum), oogt aandoenlijk - alle pracht en praal ten spijt. Het is moeilijk om je een benaderbaardere godin voor te stellen dan deze door rode konen en babyvet gekenmerkte verschijning. Komt door Saskia. Die heeft, al het poseren ten spijt, iets onwennigs. Een amateuractrice die samenwerkt met een sterregisseur, zoiets. Een pre, hier. Juist de combinatie van onschuld en onuitputtelijke visuele intelligentie maakt Flora memorabel.

Rembrandt van Rijn, Flora. Beeld Hermitage Museum, St Peters

Joachim Wtewael - Lot en zijn dochters

Olieverf op doek, ca. 1604

Sommige schilderijen hebben een leuke herkomstgeschiedenis. Lot en zijn dochters van Joachim van Wtewael is er zoeen. Het werd in 1988 bij toeval ontdekt in een oud theater, boven de trap. Daar hing het al in de 19de eeuw, toen het theater nog een Armeens herenhuis was en de Russische schilder Pjotr Toetoekin het interieur schilderde - door overmatig vernissen was het totaal zwart gekleurd en daardoor al die tijd over het hoofd gezien. Onterecht. Het is Wtewael in topvorm. Het schilderij toont eigenlijk drie genres ineen: landschap, stilleven en Bijbelstuk, alle even scherp geschilderd, en de Nederlandse (of Amerikaanse) bezoeker kan het bekend voorkomen. Het Los Angeles County Museum bezit een andere versie, een atelierkopie, die recentelijk te gast was op het Wtewaeloverzicht in het Centraal Museum in Utrecht.

Joachim Wtewael, Lot en zijn dochters. Beeld Hermitage Museum, St Petersburg

Bartholomeus van der Helst - De Nieuwmarkt in Amsterdam

Olieverf op doek, 1666

'Een harmonieuze combinatie van genretaferelen' staat in de catalogus over deze Van der Helst, maar dat moet een grapje zijn; het doek oogt alsof vrouw en varkenskarkas in een fotostudio voor een scherm staan; kunstmatig, niet harmonieus. Geeft niet. Het artificiële karakter is wat dit schilderij zo intrigerend maakt. Leuk is het 'groenwyf' met haar wortelgewassen, maar nog leuker zijn de varkensblaas opblazende kinderen, een vertrouwd motief op 17de-eeuwse genreschilderijen. Vanwege de vreemd afgesneden figuren werd lang gedacht dat het schilderij in de 19de eeuw was bijgesneden. Onterecht. Recent materiaaltechnisch onderzoek heeft uitgewezen: het huidige formaat is het originele en overschilderingen zijn schaars. Enkel in de lucht en aan de randen is wat geretoucheerd om beschadigingen aan het oog te onttrekken.

Bartholomeus van der Helst, De Nieuwmarkt in Amsterdam Beeld Hermitage Museum, St Petersburg

Karel Dujardin - Jonge boeren op een voorde

Olieverf op doek, 1657-'60

Karel Dujardin doet het wel vaker, wolken achter een rotskam tevoorschijn laten komen als was het een of ander reusachtig wezen, maar zelden leek een wolk zo op een vooroverbuigende schoolmeester ('Wat zijn we hier aan het doen?') als hier. Even dacht ik een Jan van Scorelwolk te pakken te hebben, een wolk die dienstdoet als cover-up voor een Godverschijning dus, tot ik zag dat het voorste deel van de wolk hartvormig is.

Toeval? Wellicht. Het zou ook een commentaar kunnen zijn op de flirt tussen het boertje en boerinnetje op de voorgrond. Love is in the air, letterlijk.

Karel Dujardin - Jonge boeren op een voorde Beeld Hermitage Museum, St Petersburg
Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met de Volkskrant?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van de Volkskrant rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@volkskrant.nl.