REPORTAGE

Hoe een auto-ongeluk je leven kan redden

De poëzie van Mustafa Kör

De gevolgen van een bijna fataal auto-ongeluk zetten de Vlaams-Turkse ondernemer Mustafa Kör op het spoor van het geschreven woord. De dichter is een sensatie in Vlaanderen.

Foto Stephan Vanfleteren

Het leven van dichter Mustafa Kör begon toen-ie voor dood lag in een greppel op de Duivelsberg, in Belgisch Limburg. Hij was door het schuifdak van zijn gecrashte, nachtzwarte Mercedes gekatapulteerd en op zijn rug terechtgekomen. 'Het voelde alsof een sabel uit de hel mijn lichaam doorboorde', vertelt hij. 'Tegelijkertijd, schoten er rustieke scenes voorbij, van mijn Anatolische geboortedorp, van ruisende populieren met in de verte blaffende herdershonden.' Hij was op weg naar Grimbie 69, zijn oude voetbalclub. Hij droeg een leren jack, een goudkleurige zonnebril in het haar en luisterde naar de Fun Lovin' Criminals. Als uitbater van döner-kebabzaak Pinar sponsorde hij het lokale eerste team en hij wilde op de club die dag zijn gezicht laten zien. Voor voetballen had-ie geen tijd meer, als zakenman die ook nog een constructiebedrijf runde. Een mooie, gulle jongen voelde hij zich, deze omhoog geklommen mijnwerkerszoon.

In zijn hoofd speelde een plan om naar Nieuw-Zeeland te emigreren. Dat was de plek voor hem, amper mensen en vooral schapen. En hij zou contact leggen met de Maori's. Natuurlijk lukte het 'm daar, hij was een en al talent, wat-ie ook aanraakte. 'Ik was een zomerkind, altijd turend naar de sterren en de maan.'

Niet voor niks stond-ie in Grimbie 69 al op zijn 16de in het eerste, hij voelde zich 'de componist van het team'. 'Ik zag mezelf als een granaatappel, een goddelijke vrucht die op de hoogvlakte groeit. Want hé, je kent toch dat Turkse gezegde: Als je een granaatappel op een zadeldier eet zonder te morsen, kom je in de hemel.'

In zijn Mercedes was hij achter het stuur in slaap gevallen en net voorbij een kapelletje tegen een boom geknald. Zijn moeder zou deze lap aarde later verdoemen, vanwege het ongeluk van 'haar lammetje'. Als een schone slaper lag hij in de greppel, nog geen bloedneus had hij. 'Mijn vel had alle botten bij elkaar gehouden.' De arts stelde later vast dat zijn rug was gebroken en dat er sprake was van 'een dwarslaesie uit het boekje'.

'Loop je al?'

'Loop je al?', was bij elk gesprek het eerste wat zijn moeder, tot aan haar dood in 2011, aan hem zou vragen.

'Nee moeder, ik ga nooit meer lopen', herhaalde hij dan maar.

'Hoe kan dat nou?', zei ze. 'Als Allah een eierdooier leven kan bieden, moet-ie jou toch kunnen laten lopen?'

'Het was het echte begin van mijn bestaan', zegt hij. 'Het is goed om de dood in de ogen te kijken, als een stier in een stierengevecht. Als je rock-bottom gaat, dan kun je alleen maar omhoog. Ik had een uniek talent, maar ik was daar niet van doordrongen. Lezen en schrijven was me vreemd. Nu zou ik mijn benen niet willen terug hebben, als ik de kunst en literatuur zou moeten afstaan. Ik kan nu vliegen.'

ls hij praat, komen er met rococokrullen gevulde tekstballonnen uit zijn mond. Ook het veelgeprezen poëziedebuut Ben Jij Liefde van Mustafa Kör (40) staat vol eigenzinnige, barokke bespiegelingen. Nu hij de taal heeft gevonden, wil hij elke zin 'konfijten', en dient elk woord te worden geoogst op 'de akkers van zijn ziel'. Kör geldt als een van de grootste poëzietalenten van België. Ook werd hij bekend met zijn 'bedevaart op wielen', door voor het Vlaamse dagblad De Standaard als rolstoeler met het openbaar vervoer het land te doorkruisen.

'De belichaming van mijn leven is de taal. Mijn ouders waren simpele, godvrezende mensen die nooit een boek lazen - en ik ook niet. Mijn ware god heb ik na het ongeluk in de literatuur gevonden, terwijl ik godslasterlijker ben dan ooit. Mijn blik is verruimd, vooral door de poëzie. Alles wat je ziet, daar moet je poëzie in zien, het is als het leven zelf. Deze gehandicapte mijnwerkerszoon weet daarom dat er nog meer gaat komen. Met de juiste begeleiding hoop ik nog op een paar bundels die ertoe doen.

Mustafa Kör Foto Stephan Vanfleteren

Flamencodanseres

Kör zit in een rolstoel in zijn vrijstaande huis in een buitenwijk van Leuven, en zijn lyrisch uitgesproken optimisme hangt boven de tafel. Gebeurtenissen in de up- en downswing van zijn leven tilt hij op om ze in al zijn breedsprakigheid in een treffend literair verband zien.

Dus dat uitgerekend hij een vrouw heeft die als flamencodanseres haar benen laat spreken en dat zij de dochter is van zijn revalidatie-arts, moet je zien als bloemrijke bouwstenen van zijn bestaan. Inmiddels hebben ze een zoontje en is er een tweede op komst.

'Ze zag me zitten op een dichtersavond, in 2008. Ik was bleekjes en mager. Ik zat in het midden aan een lange tafel als een messias tussen een groepje mensen van de cultuurdienst die me tot de nieuwe stadsdichter van Genk hadden benoemd. Ik deed haar een poster cadeau met daarop mijn gedicht. Zij dacht dat dichters stoffige oude mannen waren, en toen zag ze mij. Ze werd op slag verliefd. Met die man wil ik trouwen, wist ze. Dat ik in een rolstoel zat, had ze niet eens gezien.'

'Ik was toen niet in een goeie periode: donker van geest, ziek en ik had doorligwonden en aanhoudend pijn. Ik zorgde niet goed mezelf, alsof ik vond dat ik het gebroken lijf nog meer moest teisteren. Die ravissante, prachtige danseres schonk me terug aan het leven. Hoe contrair kan het bestaan zijn, voor mij die alleen in zijn hoofd kan dansen. In jazzcafé Take Five kuste ik haar voor het eerst.'

Vaderloos migrantengezin

Zijn vader was een arme sloeber uit Anatolië die begin jaren zestig 'voor melk en honing' naar Wallonië ging. Met de trein vertrok hij vanuit Istanbul, om meer dan twintig jaar daar diep in de mijnen in Marchiennes-au-Pont de door boerenpaarden voorgetrokken wagons met steenkool te vullen.

Mustafa, het nakomertje uit 1976, werd een pendelende jeugd geboden, 'heen en weer tussen soep en patatten'. Naar België op zijn 3de, en terug naar Turkije zes jaar later, om vanaf zijn 11de kwakkelend te aarden in Maasmechelen, Belgisch Limburg. Zijn ouders keerden definitief terug naar Turkije, en de absentie van vader en moeder bedrukte zijn gemoed. Hij woonde bij zijn broer Ilyas, die de vaderrol overnam.

'Het was een grauwe periode. Ik was een tiener uit een vaderloos migrantengezin en mijn hoofd snakte naar verlichting. Mijn broer Ilyas, de coole gast die naar Kool & the Gang luisterde en motor reed, werd door mijn ouders in een keurslijf geduwd, op afstand. Hij had een fatsoenlijk gezin, maar hij wílde geen gezin, en vond zijn leven uitzichtloos. Hij vluchtte in de cocaïne.'

Op 11 mei 1994 kwam Mustafa thuis, er stonden veel mensen voor de deur. Zijn oudste broer stapte op 'm af, in tranen: Ilyas is dood, hij is uit het leven gestapt. 'Hij kon niet leven met die wroeging dat hij zijn gezin liet lijden en zijn ouders teleurstelde. Zijn belangrijke vijand was zijn intelligentie, hij kon alles bedenken. Dus bedacht hij dat hij zijn shit niet in orde had en niet verdiende verder te leven.'

'Ik ben er drie jaar kapot van geweest. De dood van mijn broer heeft me tien keer meer pijn gedaan dan mijn eigen ongeluk. Dat ongeluk was een incident en ik beschouw het als verloren energie daar bij stil te staan. Maar mijn broer. Zo'n toffe gast, echt van zielenadel. Pas door het te verwerken in mijn roman De Lammeren, ben ik enigszins geheeld, als ik het zo mag zeggen. Mijn moeder zei altijd: 'Jullie zijn offerlammetjes geweest, als naweeën van een vreemd leven.'

Foto Stephan Vanfleteren

Eerste Vlaamse allochtone schrijver

Kör zit achter het stuur van zijn speciaal geoutilleerde Volvo, op weg naar de binnenstad van Leuven, en hij vertelt hoe hij, als nazaat van Mustafa de dorpsoudste in de ene familielijn en van de blinde Osman aan de andere tak, zich ontpopte als literator. Er was voor hem als invalide een vrijwilligersbaantje bij de gemeente Maasmechelen en daar hoorde hij van een schrijfcursus 'voor jonge allochtonen'. Hij had zeeën van tijd, dus waarom niet, en werd uitverkozen om mee te doen.

'Wat ik begon te proeven, raasde daarna als een bezetene in mijn binnenste', zegt hij, soepel door het verkeer manoeuvrerend. 'Een waaier van gedachten werd in mij aangewakkerd. Als een bloeddorstige begon ik te lezen, springend door al die klassiekers. Op school had men gezegd dat ik een natuurtalent had voor taal, dat ik het niet moest verspillen, maar ach, ik was een dromer. Nu was daar het moment, ik sprong als een klein kind omhoog.'

Na drie maanden cursus kreeg hij te horen dat hij echt moest publiceren en hij ging aan de slag. Met zijn verhaal De uitverkorene won hij in 2003 de El Hizjraprijs en in 2007 verscheen zijn debuutroman De Lammeren, waarmee hij ook in de prijzen viel. 'In Vlaanderen was men op zoek naar een witte raaf. In tegenstelling tot Nederland kende men hier in de literaire wereld niemand met een vreemde afkomst. Ik had geen spitsbroeders, zoals jullie in Nederland al jaren hebben. Ik was de eerste Vlaamse allochtone schrijver.'

Nomade in hart en nieren

'Man, ik ben invalide, allochtoon, moslim en kunstenaar. Als ik ook nog homo was geweest, dan had men een standbeeld voor me moeten oprichten. Maar mij zegt het niets, identiteit. Trots is de voorbode van het kwaad. Ik ben geen vlag of volk. Identiteit is een obstakel om door te kunnen groeien. Je kunt jezelf beter zien als een stofdeeltje in het universum, als een zaadje dat een adelaar zal verspreiden. Een nomade in hart en nieren voel ik me.'

Nederlands is zijn taal, zegt hij, om zo nu en dan van de exotische bron te proeven. Want 'o mijn Anatolische leeuw' klinkt toch beter dan 'ach mijn lief keuteltje'. Het Turks heeft aan één woord genoeg, waar in het Nederlands een hele zin nodig is. Voorbeeld: bogabogan betekent in het Nederlands een man die een stier wurgt.

Hij parkeert de auto en pakt zijn in-geklapte rolstoel van de achterbank. 'Kutkasseien', klinkt het iets minder prozaïsch als hij door de Leuvense binnenstad koerst.

'Ik zit een meter lager, dus ik beschouw alles vanuit een kikkerperspectief', zegt hij achter een pintje, in café De Libertad. 'Dat doet iets met je brein. Iedereen gedraagt zich paternalistisch tegen je, zo van ach gossie. Als je niet oppast, ga je je als een gehandicapte gedragen. Wist je trouwens dat ik mijn mooiste amoureuze escapades had in mijn rolstoel? Oef! Vrouwen en hun moederinstinct! Er was er een die alles wilde opgeven, me wilde meenemen naar Aruba. Ik zou dan in alle rust kunnen schrijven, en zij zou voor me zorgen.'

Hij pakt een pen en schrijft met krullende letters het gedicht Genker Liefde dat hij voor zijn vader maakte. Over de kolenmijn waar hij 'vol overgave' naar binnen drong als was het een 'ontvankelijke deerne', wiens stofdeeltjes hem 'lieflijk wurgde'. 'Het was geen lachertje, die mijnen. Als hij na twaalf uur zwoegen, duizend meter diep, naar boven kwam, dan was-ie roetzwart. Hij waste zich met waspoeder, zijn haar en lichaam, zo vuil was hij. Door die bijtende waspoeder verloor hij al zijn haar. Ik denk weleens: ik moet het leven van mijn vader en van al die vaders eens in een boek gieten, de eerste echte Limburgse mijnwerkersroman.'

Foto Stephan Vanfleteren

Onrustige ziel

Eén keer was zijn vader erbij geweest, toen hij op een literaire avond in Antwerpen moest voordragen uit eigen werk. Zijn moeder vertelde Mustafa later dat-ie had zitten huilen. Voor zijn dood in 2008 had zijn vader het opeens scherp gezien wat er in zijn leven was misgegaan. 'Waarom hebben we niet meer tijd gestopt in onze kinderen?', had hij gezegd. 'Ik heb me te veel bemoeid met dat dorp in Turkije. En nu heb ik een kind moeten begraven en zit de ander in een rolstoel.'

Ach, had zij hem gezegd, met dit lammetje komt het wel goed, hij komt op zijn beentjes terecht.

'En wie ben ik om haar teder moederhart tegen te spreken', zegt hij. 'Ik heb in de poëzie mijn bestemming gevonden. Maar dat wil niet zeggen dat ik geen onrustige ziel heb. Mijn vrouw noemt me een mysterie. Soms vraag ik me wel af waarom ik niet gewoon trots kan zijn, op vrouw en kind, vrede kennen en dankbaar zijn. Kom op Turkse lul - denk ik dan. Ik kan echt met mezelf opgescheept zitten, verdwalen in gedachten of melancholie. Dan voel ik zo'n excessieve drang naar een hogere ervaring. Poëzie is dan de ideale manier om zo'n gevoel te kanaliseren.'

Op zoek naar het zoete

In jazz- en bluescafé De Blauwe Kater speelt het LVP New Quartet, volgens Kör, voor 'een pintje en een kroket'. 'Ja, zegt hij, nadat hij Izich met de rolstoel met pijn en moeite bij het café naar binnen heeft gewurmd. 'Deze Turkse mijnwerkerszoon heeft ook de jazz ontdekt. Want je kan wel denken dat poëzie schrijven iets bijzonders is, zo'n saxofonist die misschien van twee dorpen verder komt, zit met twee keer blazen in je hoofd. Doe dat maar eens na, met een zin.'

Lang gebruikte hij de datum van zijn ongeluk, 20 september 1998, als pincode voor zijn smartphone: 2009. Om zo nooit zijn big bang te vergeten. Want nu luistert hij hier in de binnenstad van Leuven naar hoe een funky organist een Beatlesnummer door de jazzwringer haalt, met een pintje in de hand, en daarvoor nog pratend over poëtische alinea's van Vladimir Nabokov, de Russisch-Amerikaanse schrijver.

Maar stel je toch eens voor, dat hij niet in slaap was gevallen, achter het stuur van zijn nachtzwarte Mercedes. Hoe had hij er dan voorgestaan? In dat 'achtergelaten leven' had hij vier kinderen gehad, en in zijn armetierige döner-kebabzaak gestaan. 'Ali, Mehmet en Achmed hadden bij mij aan een tafel gezeten, en hun sympathie uitgesproken voor Erdogan. Mijn leven speelde zich af op een vierkante kilometer, en aan leed geen gebrek. Dan zou ik nooit op zoek zijn gegaan naar het zoete. Had ik mezelf nooit ontdekt.'

Mustafa Kör, Ben jij liefde. Uitgeverij Vrijdag, 64 pag, €17,50

Meer over