Hoe dichter Baban Kirkuki naar Nederland vluchtte en hier de pen weer oppakte

Kirkuki schreef over de lelijkheid van het regime van Saddam Hoessein

Toveren met woorden vond hij altijd al fascinerend, als kind nog in Irak. Inmiddels woont Baban Kirkuki al zeventien jaar in Nederland en schrijft zijn gedichten in een nieuwe taal. De Volkskrant reconstrueert met hem zijn vlucht naar 'hier'.

Baban Kirkuki: 'Ik wilde mijn pen laten spreken, mijn inkt moest naar buiten.' Foto Linda Stulic

Baban loopt door de straten van Kirkuk, een stad in het noorden van Irak. Hij is opgewekt, het is donderdag 19 februari 1998, vandaag komt de landelijke krant Al Iraq uit. Drie weken geleden heeft hij een gedicht ingestuurd. Zou het erin staan?

Baban is een Koerdische student van 23 met een wilde bos zwart krullend haar. Hij heeft zijn halve leven in oorlog en onderdrukking geleefd. Sinds kort schrijft hij niet meer over de schoonheid van de rivier, maar over de lelijkheid van het regime van Saddam Hoessein. In verdekte bewoordingen natuurlijk, voor je het weet word je omgelegd.

Grote woorden

Bij de winkel trekt Baban de krant uit het rek. Hij vouwt de krant open en daar staat zijn gedicht, onderaan de voorpagina, zijn naam staat erbij. Hij kan het niet geloven, nu is hij werkelijk iemand. Eindelijk kan hij zijn ouders laten zien dat hij erkenning krijgt.

Opgetogen rent hij naar huis, de krant opgerold in zijn hand. Door de vervallen straatjes van zijn stad, langs het vijfduizend jaar oude kasteel. Thuis draagt hij het gedicht voor aan zijn moeder Kadam, die niet kan lezen:

Hoor de klachten van de honger / in de maag / en mijn lichaam trilt / onder de zweep / van het verstand / In jouw tijdperk / zijn zelfs de wolken / droog geworden.

Dat zijn grote woorden, zegt zijn moeder. Ja, denkt Baban, het zijn grote woorden en ik meen het, iemand moet opstaan tegen dit regime, dat alleen de taal van de oorlog spreekt. Kadam is trots op haar zoon, maar ook bang. Wat als Saddam dit leest?

Mei 2013

Het is 11 mei 2013 en het zaaltje waarin hij staat is typisch Nederlands. Strak, schoon, stoelen netjes op een rij. Baban is gespannen, maar vooral blij. Vandaag wordt zijn vierde Nederlandstalige dichtbundel, Licht onbekend, gepresenteerd in een vergaderruimte aan de Oudegracht. In Utrecht, de stad waar hij zo van is gaan houden en waar hij zijn vriendin Charlotte heeft ontmoet. Op het omslag zijn naam: Baban Kirkuki, hij vernoemde zichzelf naar zijn geboorteplaats, ruim vierduizend kilometer hiervandaan.

Het programma is indrukwekkend. Ellen Deckwitz, Dennis Gaens en Ingmar Heytze, gerenommeerde dichters, dragen voor uit Babans werk en uit eigen werk. Zelfs Kurdistan TV is er met een cameraploeg. De Koerdische zender maakt een item van zijn succes voor het journaal. Baban is de afgelopen jaren een 'BK'er' geworden, een Bekende Koerd. Hij heeft zijn mooie jasje aangetrokken, een sjaal om zijn nek. Hij is 39 nu en zijn krullen zijn nog even wild en zwart als toen hij 20 was.

Zelfs in een zaal vol mensen kan Baban zich eenzaam voelen. Een vloek en een zegen: het is de bron van zijn werk. Vlak voordat hij het woord neemt, denkt hij even aan Kirkuk. Aan zijn ouders, aan zijn acht broers en zussen die er in Utrecht niet bij kunnen zijn. Aan de warme zomerdagen dat hij bij de rivier speelde en 's avonds op het dak sliep onder de sterren, omdat het in huis te warm was.

Poëzie

Nu heeft het huis van zijn familie airconditioning. Dat weet hij van toen hij in 2009 terugging, voor het eerst in tien jaar. Saddam was al drie jaar dood. En Baban had al zeven jaar een verblijfsvergunning in Nederland. Het was veilig om terug te gaan. De eerste avond wilde hij niet in het gekoelde huis doorbrengen. Hij sliep op het dak.

Poëzie komt al vroeg het leven van Baban binnen. De eerste zes jaar van zijn leven zijn zonder oorlog, maar in 1980 begint het conflict tussen Iran en Irak. Die oorlog duurt acht jaar. Zijn broer Nawzad gaat het leger in. Dagelijks checkt zijn moeder waar er wordt gevochten, of haar zoon in de frontlinie zit. Een moeilijke tijd.

Maar er zijn ook dingen voor Baban om naar uit te kijken. Een bezoek van zijn oom Gafur bijvoorbeeld, zijn vaders broer uit het noorden, uit Iraaks-Koerdistan. Hij is arm, een man van het land, bezit alleen wat geiten. Gafur kan geen snoepjes meenemen voor Baban, zoals andere familieleden doen, maar de oom heeft wel iets anders bij zich: een dichtbundel.

De oom vertelt over de bergen in het noorden, die in de winter een witte jurk dragen. Hoezo een witte jurk, vraagt Baban. Dat is de sneeuw, zegt zijn oom. Magisch, vindt Baban. Toveren met woorden. Hij droomt 's nachts van dat soort zinnen, van bergen die witte jurken dragen. Zelf begint hij te schrijven over wat hij kent: de rivier de Khasa, die door Kirkuk stroomt.

Van Kirkuk naar Utrecht

Baban Kirkuki (1974) debuteerde in 2006 met de in eigen beheer uitgegeven bundel Op weg naar Ararat. In 2009 en 2011 verschenen bij uitgeverij P de bundels Lontananza en Territorium. Op zijn eerste drie bundels staat alleen de naam Baban (zijn echte naam is Ali Baban). Op zijn vierde bundel Licht onbekend (2013) stond voor het eerst zijn schrijversnaam Baban Kirkuki, als eerbetoon aan zijn Iraakse geboorteplaats Kirkuk. In 2011 ontving hij het C.C.S. Crone Stipendium, een aanmoedigingsprijs voor Utrechtse schrijvers. Baban is lid van het Utrechts Dichtersgilde, waar onder anderen Alexis de Roode, Ruben van Gogh, Anne Broeksma en Peter Drehmanns deel van uitmaken.

Talent

Baban leest veel, bundels van Roemi, de Perzische dichter en soefi-mysticus. Roemi is voor Baban een zaklantaarn die hem de weg wijst in poëzie en filosofie. Van Roemi leert hij over verdraagzaamheid, zelfontplooiing, bewustzijn en dat alles met elkaar verbonden is: het water, de aarde, de mensen.

Op school draagt hij eigen gedichten voor. En als Baban 18 is, gaat hij Arabische taal studeren. Zijn vader Ramazan, een marktkoopman, vindt het maar niets. Als schrijver kun je niets verdienen. Waarom wordt hij geen ingenieur?

Een docent op de universiteit ziet Babans talent. Hij neemt de jonge student mee naar het café, waar ze thee drinken, sigaretten roken en over schrijven praten. Met elk nieuw gedicht wordt Baban beter. Tegelijkertijd wordt hij steeds bozer op het regime. Hij kan niet in het openbaar zeggen dat hij atheïstisch is. Hij kan zich niet uitspreken, mensen die iets verkeerd doen verdwijnen en al zijn vrienden lijden honger.

Ik ga mijn pen laten spreken, besluit Baban. Mijn inkt moet naar buiten. Met trillende handen van de angst schrijft hij zijn eerste protestgedichten. Maar hij stuurt ze wel op naar de krant.

1999

Het is 1999. Om de week stuurt Baban gedichten in naar de krant, bijna altijd worden ze geplaatst. Hij begint bekender te worden. Aanhangers van de partij van Saddam spreken Baban weleens aan in de stad: wat goed, die gedichten van jou, ga zo door. Maar Baban vertrouwt het niet. Lezen ze dan niet dat hij kritiek heeft op hun leider?

Op een dag roept een bevriende dichter Baban bij zich. Je hebt een prijs gewonnen, zegt hij, je moet naar Bagdad. Wat voor prijs, vraagt Baban, maar de man weet het niet. Het ministerie van Cultuur wil je spreken, zegt hij. Oké, denkt Baban, als ze me willen spreken, moet ik gaan, anders heb ik een probleem.

Hij neemt de bus naar Bagdad, een rit van dik vier uur. Met zijn mooiste pak aan zit hij zwetend van de zenuwen in de bus. Zijn ouders hebben hem vooraf gewaarschuwd: het kan een valstrik zijn. In Irak zijn mensen voor minder vermoord.

In de binnenstad stapt hij uit de bus. Baban kent het gebouw van het ministerie; hij was er eerder bij de toekenning van een aanmoedigingsbeurs voor een bevriende schrijver. Nerveus meldt hij zich bij de receptie. Hij wordt meegenomen naar een mooie kamer, waar een lange man zit met een dikke zwarte snor, op zijn heup een pistool in een holster.

Propaganda

Ga zitten, zegt de man. Hij begint Baban te complimenteren: wat is hij goed met taal, wat een talent heeft hij, moet hij daar niet eens geld mee verdienen? Wil Baban niet voor het regime schrijven? Wij zijn oud, zegt de man, wij raken het gevoel voor taal kwijt, jij bent jong, jij weet wat er leeft onder de mensen, de jongeren moeten dit land weer opbouwen.

Of Baban dus in Bagdad wil komen wonen, vraagt de man. Het wordt tijd verantwoordelijkheid te nemen. De taxichauffeur rijdt de mensen rond, de dichter schrijft over zijn land. Zo draagt iedereen zijn steentje bij.

Het wordt niet met zoveel woorden gezegd, maar Baban weet wat de ambtenaar bedoelt: hij moet propagandagedichten gaan schrijven voor Saddam, de dictator die hij zo haat. Baban reageert gevleid, maar eigenlijk heeft hij zijn beslissing dan al genomen. De mannen schudden elkaar de hand en Baban zegt dat hij snel van zich laat horen.

Thuis in Kirkuk begrijpen zijn ouders meteen wat er moet gebeuren: Baban zal vluchten. Tegen het regime kun je geen nee zeggen, dat kost je je leven, daar twijfelt niemand aan. De hele familie zamelt geld in voor Baban, 8.000 Amerikaanse dollars in totaal. Naar Duitsland wil Baban, het land dat hij kent uit boeken van Hermann Hesse en Thomas Mann.

Midden in de nacht haalt een smokkelaar hem op in een busje. Baban heeft niet veel bij zich: wat kleren, wat brood. En één boek, de bundel van Roemi.

Winter

Het is winter, een paar weken voor het nieuwe millennium. In een klein rubberbootje steekt Baban de grens over van Turkije naar Griekenland. Hij slaapt in parken, zijn handen bevriezen bijna. De bundel van Roemi raakt hij onderweg kwijt. In Italië wordt hij aangehouden na te zijn opgelicht door een man van wie hij denkt een treinkaartje te kopen, maar de politie laat Baban weer gaan. In Nice eet hij voor het eerst van zijn leven McDonald's. Op veel andere dagen blijft het bij sardientjes uit blik.

Vanuit Parijs neemt hij met enkele andere Irakezen de nachttrein naar Den Haag, met korte stops in Antwerpen en Brussel. Familieleden hebben hem geadviseerd via Nederland naar Duitsland te reizen. Het is nog donker als Baban de Nederlandse grens passeert, op de ochtend voor Kerstmis. In Roosendaal stopt de trein langer, wel een half uur. Wat is er aan de hand, vraagt hij zich af. Misschien heeft iemand doorgegeven dat er illegalen in de trein zitten.

Politieagenten, grote Nederlandse mannen, komen de coupé binnen. 'Paspoortcontrole!', roepen ze. Baban is moe. Hij wil niet meer. Dit is waar hij wil blijven.

Drie jaar later, als hij in het opvangcentrum in Arnhem de taal in de vingers begint te krijgen, schrijft hij een van zijn eerste gedichten in het Nederlands, getiteld Hier.

Waar wil je zijn? / vroeg een agent aan mij / toen ik de grens overkwam / Hier, zei ik en gooide / mijn tas op de grond