Column In het spoor van de jonge Rembrandt

Hoe de passie van Christus ook voor Rembrandt een lijdensweg werd

Hoofd van Christus door Rembrandt, 1648. Beeld Museum Het Rembrandthuis

Rembrandt woonde de eerste 25 jaar van zijn leven in Leiden. Onno Blom werkt aan een biografie van die jaren en doet daarover hier een jaar lang verslag.

Als ongelovige jongen maakten christelijke feestdagen nooit echt deel uit van het ritme van mijn jaar. Wat er nu eigenlijk werd gevierd – ik had geen idee. Als biograaf van de jonge Rembrandt kan ik mij die onwetendheid niet meer permitteren. Inmiddels tel ik de veertig dagen tussen Pasen en Hemelvaart en staan Rembrandts schilderijen van de lijdensweg van Christus mij glashelder voor ogen.

In de jaren dertig van de 17de eeuw schilderde Rembrandt op verzoek van stadhouder Frederik Hendrik en zijn secretaris Constantijn Huygens De passiereeks: vijf boogvormige panelen waarop de kruisoprichting, kruisafname, graflegging, wederopstanding en hemelvaart van Christus zijn verbeeld.

In 1633 leverde Rembrandt de eerste twee schrijnend realistische schilderijen af en liet niet na daarop zelf een prominente rol te spelen. Op De kruisoprichting staat de schilder – blauwe baret op – naast de doorspijkerde, bloedende voeten van Christus. Het lijkt wel een confessie.

Op De kruisafname heeft één van de helpers die Christus voorzichtig van het kruis laten zakken het gezicht van Rembrandt. Zijn wang houdt hij teder tegen de buik van het looiige, dode lichaam. Hier speelt de schilder geen schuldige rol, maar een ondersteunende. In beide gevallen toonde hij zijn persoonlijke betrokkenheid. Het lijden van Christus was in zijn wereld een actuele gebeurtenis. Geloven en leven liepen vanzelfsprekend in elkaar over.

Tevreden met het resultaat bestelde de stadhouder drie nieuwe schilderijen. Maar daarmee gebeurde iets vreemds. Rembrandt deed er maar liefst zes jaar over om ze af te maken. Vond hij de vorstelijke opdracht minder belangrijk dan de profijtelijke portretten van burgers die hij in zijn nieuwe woonplaats Amsterdam moest maken? Pas in 1639, toen hij een peperduur huis had gekocht en geld nodig had, stuurde hij ze naar het hof in Den Haag. De verf was nog nat.

De kruisoprichting, 1633. Beeld Rebecca Simons

Het getreuzel en het financiële gezeur vormden een pijnlijke kwestie voor de schilder, maar zijn een zegen voor zijn biograaf: hierdoor beschikken we over zeven brieven van Rembrandt aan Constantijn Huygens, van begin 1636 tot eind 1639. Het zijn de enige brieven die we van hem hebben. Hoewel ze zakelijk van aard zijn, laat hij zich in een handvol woorden echt kennen.

Op 12 januari 1639 meldde Rembrandt dat De graflegging en De opstanding gereed waren gekomen door studieuze vlijt. De hemelvaart liet nog altijd op zich wachten. Het had zo lang geduurd, schreef Rembrandt, omdat hij ‘die meeste ende die naetuereelste beweechgelickheijt’ tot stand wilde brengen.

Wat betekenden die woorden? Wilde Rembrandt zo natuurlijk mogelijk beweeglijkheid suggereren? Zeker: op De opstanding tuimelen de bewakers van het graf van schrik en verbijstering alle kanten op als een engel het deksel van de sarcofaag oplicht en Christus uit het graf verrijst.

Of bedoelde hij het figuurlijk? Streefde hij ernaar om de emotie van de kijker te bewegen? Dat lijkt me óók waar.

Hoewel Rembrandt er meesterlijk in slaagde om iedereen diep te ontroeren, had hij met zijn onhoffelijke gedrag de wrevel van Constantijn Huygens gewekt. Het kwam tussen de schilder en de machtige secretaris niet meer goed.

Voor Rembrandt was de passiereeks een lijdensweg geworden.

Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met de Volkskrant?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van de Volkskrant rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright @volkskrant.nl.
© 2019 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden