Profiel Alexander McQueen

Hoe de doorgedraaide mode-industrie het leven eiste van geniaal ontwerper Alexander McQueen

De documentaire McQueen vertelt het verhaal van de geniale modeontwerper Alexander McQueen. IJzersterk, hoe de makers erin slagen zijn waanzinnige talent én zijn diepste verdriet haarfijn te ontleden. 

Alexander McQueen houdt de hand vast van een model in een van zijn shows.

Het akelige is dat je wéét dat het fout gaat, en grondig ook. Al is Alexander McQueen in het begin van de documentaire nog een schattige jonge hond – tikje vadsig, met een hooligankapsel en aandoenlijke konijnentanden – er hangt hem iets vreselijks boven het hoofd. Wie het nog niet wist die vóélt het wel, dankzij de macabere stills van schedels en bloeddruppels die filmmaker Ian Bonhôte tussen de scènes heeft geplakt.

Die mollige jonge McQueen dendert levendig en gretig binnen in de keurig chronologisch vertelde documentaire. Er is uitgebreid geput uit homevideo’s en andere filmpjes waar McQueen, door familie en intimi bij zijn eerste naam Lee genoemd, aan het woord is, in zijn sappige Eastend-lingo. Ontwapenend en eerlijk, enerzijds zonder enig idee wat hij aan het doen is, of nog moet doen, en anderzijds totaal vastberaden: het moet iets met kleren zijn, want hij deed op school tijdens biologie en scheikunde niets anders dan kleren tekenen.

Savile Row

Ga naar de kleermakersstraat Savile Row, tipte zijn moeder, daar hebben ze altijd wel iemand nodig. Klop gewoon ergens aan. En aldus geschiedde: de piepjonge Lee leert kijken, knippen, rijgen, passen en meten van de beste klassieke kleermakers van Londen, verkast via het atelier van Koji Tatsuno en punklabel Red or Dead naar Milaan, waar hij tot ieders stomme verbazing terechtkan bij Romeo Gigli. Weer terug in Londen meldt hij zich in 1990, twintig jaar oud, op kosten van zijn spaarzame tante Renée aan bij Saint Martin’s School of Art and Design. Het is de meest prestigieuze modeacademie ter wereld, waar hij zijn vakmanschap leert inkleuren met creativiteit en kunstzinnigheid. Zijn fascinatie voor dood en verderf en zijn hang naar woestenij en fetisjisme sijpelen daar voor het eerst door, in zijn eindexamencollectie: ‘Jack the Ripper Stalks His Victims’.

Het is daar ook dat zijn grootste fan en muze in zijn leven komt: Isabella Blow, moderedacteur, lekker gek mens en levend kunstwerk. Alles wat hij gemaakt heeft zal ze kopen en dragen. En met alles wat ze in zich heeft zal ze hem pluggen bij haar belangrijke modecontacten. Dankzij háár gaat hij zich Alexander noemen (veel chiquer dan het volkse Lee) en krijgt hij een eigen logo.

Een jonge McQueen en Isabella Blow.

McQueen gaat na zijn afstuderen linea recta naar de sociale dienst om een werkloosheidsuitkering aan te vragen. Hij leeft op bonen en brood. Hij maakt zijn tweede show, Highland Rape, met modellen die eruitzien alsof ze zojuist ergens in de bosjes van de Schotse hooglanden verkracht of bruut aangerand zijn, gehuld in flarden van jurken en bumster-broeken, zo laag gedragen dat bilspleet en schaamhaar eruit piepen. Schande!, schrijven de kranten, hoe durft iemand vrouwen zo seksistisch als slachtoffers neer te zetten? Niet goed begrepen, verdedigt McQueen zich. Hij laat juist sterke vrouwen zien.

Highland Rape Show. Beeld Metropolitan Museam of Art

Seksistisch en misogyn of niet, vijf jaar later kan McQueen, wellicht dankzij goede fee Blow, bij het deftige Parijse modehuis Givenchy aan de slag als hoofdontwerper van de pret-à-porter én haute couture-collectie – zeg maar gerust het summum van de mode. De 27-jarige volgt dat andere Britse supertalent op, John Galliano, die zijn zegetocht mag voortzetten bij Dior. In McQueens slipstream komt een hele roedel jonge internationale assistenten naar Parijs. Dronken van de voor hun doen torenhoge budgetten en eindeloze mogelijkheden zijn ze. Ze communiceren met handen en voeten met de Franse naaisters, maar zijn niet te beroerd om gewoon in de kantine te lunchen, zowel Queen Bee Alexander als zijn werkbijen.

Drugs

Met de positie en de roem komt uiteraard ook de verantwoordelijkheid voor een team en de druk om te presteren, zo’n tien collecties per jaar – zijn eigen McQueen-collecties erbij opgeteld. Met de druk en het geld komen helaas ook de drugs. In een geluidsfragment vertelt McQueen: ‘Cocaïne. Daardoor ging ik de dingen in een heel helder licht bekijken. Een eerlijk licht. Ik zei tegen mezelf dat dit te veel werk was. Er moest íéts gebeuren.’ In een woordenloze scène in de documentaire zien we hoe McQueen zich tijdens een interview niet kan concentreren op de vragensteller. Hij wrijft koortsachtig over zijn voorhoofd, wurmt met zijn vingers in zijn nek, neemt een grote slok water, lijkt moeite te hebben zijn hoofd overeind te houden, wakker te blijven, erbij te blijven. 

De drug zal zijn creativiteit en fantasie ongetwijfeld nog verder opgestuwd hebben, maar ontketent ook zijn weggestopte kwelgeesten en zijn woede, die wortelen in zijn jeugd. Als jonge jongen werd McQueen seksueel misbruikt door de man van zijn vijftien jaar oudere zus Janet, die zelf ook werd mishandeld. Daarom, zo verklaarde McQueen zelf, toonde hij op de catwalk vrouwen die niet zozeer sensueel en lieflijk oogden, maar licht afschrikwekkend, wild en stoer. Geen slachtoffers, overlevers. Ander oud zeer dat meespeelde in zijn fascinatie voor geweld is de familiegeschiedenis van de Schotse McQueen-clan en meer specifiek de bloedige slag tussen Jacobieten en Britten bij Culloden in 1567. In zijn eigen woorden: ‘I tell it the way it is, not lovey-dovey.’

Geniale waanzin

McQueens vakmanschap was altijd evident: zijn kledingstukken zaten meesterlijk in elkaar, waren zowel ontroerend mooi als verfrissend nieuw en pasten als handschoenen. Zijn fantasie deed de rest: schouders werden uitgebouwd, er werden veren, haren en schelpen aangebracht op lijfjes en rokken, kapsels en hoofddeksels werden complete tooien, door make-up leken de modellen op buitenaardse wezens of roofdieren. De futuristische hakken waren soms hoger dan de benen van een Shetland pony – wie werk van de Nederlandse ontwerper Iris van Herpen ziet, zal beseffen dat ze schatplichtig is aan McQueen, bij wie ze stage liep.

Naast McQueens stille verdriet, toont de film ook de geniale waanzin van een perfectionistische schepper die geen genoegen neemt met het vormgeven van kleding alleen. Zijn shows – eerst voor Givenchy en later onder zijn eigen naam voor de Gucci Group – waren visuele spektakels met lichteffecten, windtunnels, een doos met een blote gemaskerde dikke vrouw en tientallen panisch fladderende motten erin, een hologram van Kate Moss en robots die een witte jurk bespoten met verf. Dit waren geen modeshows meer, het waren performances. Spektakels waarin technologie, videokunst en design naadloos aansloten bij de vervreemdende schoonheid van zijn kleding. De modewereld kwam superlatieven te kort. McQueen was geen enfant terrible meer, maar een ster, die meermaals gelauwerd en zelfs geridderd werd. De simpele ziel die nooit een boek las, geen kaas had gegeten van cultuur en op school niet wilde deugen, was uitgegroeid tot een artiest die inspiratie vond in zijn diepste angsten en wildste dromen. Hij werd in één adem genoemd met de bevriende gebroeders Chapman en andere Young British Artists.

De Kate Moss hologram bij McQueens AW show van 2006. Beeld WireImage

Zichzelf kwijt

Ergens tussen al die spektakels en die roem, vertellen vrienden en familieleden, is Lee McQueen zichzelf kwijtgeraakt. De ‘hooligan met de naald’ evolueerde tot een gestileerde golden boy. De mollige ontwerper onderging liposuctie, liet zijn haar bleken, droeg gekleurde lenzen en hulde zich in pakken van Comme des Garçons. Zijn lieve moeder steunde hem in alles wat hij deed. Zijn vader, een taxichauffeur, snapte geen biet van het werk van zijn zoon. McQueen werd in 2003 door koningin Elizabeth benoemd tot commandeur in de orde van het Britse Rijk. Ondanks zijn weerzin tegen het koningshuis nam hij die onderscheiding in ontvangst, omdat zijn ouders dat wél begrepen en het ze vervulde van trots.

Alexander McQueen en zijn moeder Joyce. Beeld Dan Chung

De gevoeligheid waardoor McQueen zo goed was, maakte hem ook uitzonderlijk kwetsbaar voor alles wat het fragiele evenwicht in zijn hysterische leven verstoorde. Toen Isabella Blow in 2007 eierstokkanker kreeg en een einde aan haar leven maakte, verloor McQueen zijn grootste fan en platonische geliefde. Blow had een unieke plek in zijn leven, ergens dicht bij zijn moeder en zijn zus. Op Blows begrafenis verscheen hij, kapot van verdriet, gehuld in traditioneel Schotse McQueen-kilt. Hij hoorde stemmen, vertelt zijn assistent Sebastian Pons aangedaan, hij dacht dat hij achtervolgd werd. En hij bleek seropositief. Hij wilde ontsnappen uit de achtbaan van zijn leven. Hij fantaseerde hoe hij zichzelf in de mond zou schieten op de catwalk aan het einde van Plato’s Atlantis, zijn laatste show. Toen niet veel later zijn moeder overleed, gleed hij weg in een peilloos diepe eenzaamheid. Hij vroeg zijn creatieve neef een monumentale grafzerk te ontwerpen, maar kreeg die nooit te zien. Op de avond voor de begrafenis verhing hij zich in zijn huis.

Onmogelijk

Het modehuis Alexander McQueen bestaat nog, onder leiding van zijn rechterhand Sarah Burton, en doet goede zaken tot in het Britse koningshuis aan toe. De hoogtepunten uit McQueens oeuvre werden in 2011 groots tentoongesteld in het Metropolitan Museum of Art in New York en vier jaar later in het Victoria & Albert museum in Londen. Niet alleen zijn werk maakt diepe indruk, ook zijn droevige einde. Na McQueens dood barstte de discussie los over de onmogelijke eisen die de doorgedraaide mode-industrie stelt aan ontwerpers. Voorbeelden genoeg: John Galliano ging stevig aan de drank, Tom Ford en Raf Simons verlieten de mallemolen – voor een tijdje. McQueen maakte er op zijn 40ste een einde aan. Hoe dat heeft kunnen gebeuren, wordt helder bij het zien van de documentaire, die boven alles haarfijn belicht hoe dicht McQueens ambacht kunst benadert. En al is mode kunst noemen tricky business, niemand zal na het kijken betwijfelen dat McQueen een kunstenaar was. Eentje die het einde van zijn eigen leven net zo dramatisch en effectvol regisseerde als zijn spektakels. Zoals de motten aan het einde van zijn show de doos uit fladderden, zo konden nu de demonen eindelijk McQueens bomvolle hoofd verlaten.

Alexander McQueen (1969 - 2010). Beeld Film Beeld

Lees ook de recensie van de documentaire ‘McQueen’:

In McQueen worden mythes ontkracht en nieuwe verhalen gecreëerd (vier sterren)
De documentaire is een ode, maar ook het verhaal van een onvermijdelijke neergang.

Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met de Volkskrant?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van de Volkskrant rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright @volkskrant.nl.
© 2019 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden