Hoe Amsterdam zich ontwikkelde tot metropool

In 1900 groeit de hoofdstad voor de ogen van Amsterdamse fotografen uit tot moderne metropool. Niet alleen de grote drie (Olie, Breitner en Eilers), ook onbekende vastleggers van het stadsleven zijn een monument waard, toont het Stadsarchief.

Zuurverkoper in de Jodenbuurt, 1899.

Waar moest de fotograaf op letten, als hij rond 1900 Amsterdam in liep om wat sfeerbeelden te schieten? J.E. Rombouts waarschuwde in zijn in 1906 verschenen Handboek der practische fotografie: 'Over het algemeen is het fotografeeren in bewoonde streken niet heel aangenaam. Zoodra het toestel is opgezet bevindt men zich in een kring van toeschouwers.' En dat was niet de bedoeling van de heer Rombouts: 'Zijn er slechts een paar personen, dan gelukt het wel eens ze een bepaalden stand te doen innemen en ze zoo te plaatsen dat ze een goed effect te weeg brengen.'

Amateurfotograaf Rombouts, opgeleid als apotheker en later scheikundeleraar, schreef zijn handleiding op het moment dat de techniek van het fotograferen, en daarmee de fotografie zelf, razendsnel aan het veranderen was. De fotograaf die zijn toestel, een zware doos geplaatst op een statief, op straat moest opzetten, kon inmiddels ook kiezen voor de handcamera. Diezelfde Rombouts: 'Als men, met een hand-camera wandelende, iets waarneemt, dat men fotografeeren wil, dan moet op het zelfde ogenblik de opname plaats hebben.' Een revolutionair idee, dat Rombouts aan de jacht deed denken: 'Dan moet men met de camera werken als een jager met het geweer, n.l.: aanleggen en afdrukken.'

(Tekst gaat verder onder foto).

Amsterdam 1900

Foto's van Olie, Breitner, Eilers en tijdgenoten is een vervolg op De eerste foto's van Amsterdam 1845-1875, expositie en boek uit 2010 van Anneke van Veen, conservator fotografie van het Stadsarchief Amsterdam.

De Dam, circa 1905.

Die eerste foto's leggen een stad in stilstand vast, een 17de-eeuws decor, niet alleen doordat de eerste fotografen zich aansloten bij de schilderkunstige traditie, maar ook doordat de lange sluitertijden elke beweging, passerende paardentram of flanerende Amsterdammer wegvaagden of reduceerden tot een geestachtige verschijning.

De technologische revolutie in de fotografie vanaf 1880 - lichtgevoelige negatieven, belichtingstijden van 1/100, de komst van de eerste, draagbare, Kodakcamera in 1888, en autochrome als het eerste kleurenprocedé - veranderde het beeld van de stad en haar inwoners volkomen. Al was het maar omdat nu voor het eerst dynamiek, de essentie van het stadsleven, kon worden vastgelegd.

Dit op hetzelfde moment dat ook de stad zelf op de schop ging en een aantal van de grote werken werden verricht die het beeld van het stadscentrum nog altijd bepalen: de drooglegging van een aantal grachten, de bouw van het Centraal Station en de Nicolaaskerk, de Beurs van Berlage, het postkantoor achter de Dam.

(Tekst gaat verder onder foto).

Spelende kinderen.

In 1913 fotografeert een onbekende fotograaf de bouw van het nieuwe warenhuis Hirsch & Cie aan het Leidseplein. De werklieden hebben zojuist de koepel bovenop het gebouw voltooid; een dappere poging van Amsterdam een klein Parijs te maken. Acht mannen in hun werkplunje hebben plaatsgenomen in de omlijsting van de koepel, onderaan de koepel liggen stapels planken, mogelijk de zojuist afgebroken steiger. Het is de Nederlandse voorloper van Lunch atop a skyscraper, de ook al anonieme New Yorkse klassieker uit 1932 waarin elf mannen op een hoog boven de stad zwevende stalen balk zitten.

De bekendste beelden uit de periode rond de eeuwwisseling komen van de Grote Drie van de vroege Nederlandse fotografie: Jacob Olie, George Hendrik Breitner en Bernard F. Eilers.

Met een jaren durend onderzoek in het eigen stadsarchief en ver daarbuiten heeft Anneke van Veen het beeld bijgesteld. Zo kon ze niet alleen ruim baan geven aan meesterwerken van anonieme of minder bekende fotografen, maar ook nieuwe aspecten toevoegen aan bekende oeuvres.

Soms doet ze dit door een bekende foto eindeloos te vergroten. In de entree van de expositie is een panoramafoto van Jacob Olie, een zicht op het nieuwe Centraal Station van 1890, uitvergroot tot een beeld waarin je zelf zou kunnen verdwijnen. Rechts in de verte de mistige contouren van de ook al gloednieuwe Sint Nicolaaskerk. Olie, voormalig directeur van een ambachtsschool, legde na zijn pensionering in 1890 tot aan zijn dood in 1905 de stad vast in duizenden foto's, met nadruk op de bouwkundige aspecten. Hij wist waar hij zijn camera moest neerzetten: het station op de achtergrond, het haventje daarvoor en helemaal voorin de straatlantarens.

Maar het is fotografie, 1/100ste seconde in het jaar 1890, met mensen verspreid over het hele panorama die hun gang gaan. Het uitvergrote beeld maakt het mogelijk iedere gedaante te bekijken. Aan de rand van het water staat een vrouw, een dienstmeisje, te herkennen aan haar witte schort en mutsje. Ze kijkt naar iets dat ze in haar hand houdt , een briefje, een bestemming, een boodschap. 'Als je niet beter zou weten', zegt conservator Anneke van Veen bij een rondleiding, 'zou je denken dat ze haar telefoon checkt.'

(Tekst gaat verder onder foto).

Weteringsschans, 1893.
Stereofoto's - twee foto's tegelijk gemaakt met een stereocamera vanuit een iets ander perspectief, apart bekeken met linker- en rechteroog - waren populair in de 19de en vroege 20ste eeuw. De techniek gaf foto's diepte. (Hiernaast: Sientje, visch bakkend, Jodenbuurt, ca. 1895, foto K. Job jr.) Met de opkomst van de cinema raakten deze procedés, die speciale stereokijkers vergden, uit de mode. Bewegend beeld was immers nog spectaculairder.

De uitvergroting biedt nog een verrassing, die op de kleine vintage print die om de hoek hangt, nauwelijks op te pikken valt: een vlek op de zijkant van het Centraal Station blijkt een vingerafdruk, vermoedelijk van de fotograaf zelf, 126 jaar na de opname reusachtig bewijsmateriaal van het handwerk van Olie.

Ook in het oeuvre van schilder-fotograaf Breitner doken nog verrassingen op. Breitner was bij leven bekend als schilder, maar in zijn nalatenschap doken zijn foto's op, waarvan drieduizend negatieven bewaard zijn gebleven. Van Veen kwam een groep van tien grote afdrukken van Breitnerfoto's tegen in een particuliere collectie, waarvan de herkomst is terug te voeren op de weduwe Breitner.

De expositie toont er vier, waarvan er twee de fotografische missing link met bekende schilderijen vormen. Breitner gebruikte zijn camera als een schetsboek: in 1896 of 1897 maakte hij een foto van de Dam vanuit een bovenverdieping recht tegenover de Nieuwe Kerk. Op de voorgrond twee paardentrams en centraal op het plein een kiosk waar allerlei mensen rondhangen. Het is exact het perspectief van het schilderij De Dam te Amsterdam uit 1901, een groot werk van de schilder in de collectie van het Rijksmuseum.

Autochromes

Autochromes, kleurenbeelden op een glasnegatief, zijn berucht kwetsbaar en komen daarom zelden uit het depot. Voor de expositie in het Stadsarchief worden een paar beelden een weeklang tevoorschijn gehaald: de eerste autochrome is van 18 t/m 23/10 te zien, hiernaast afgebeeld: Jan Zeegers: Marietje Zeegers in de tuin, circa 1912. Andere autochromen die later worden tentoongesteld zijn de Oudezijds Achterburgwal uit 1912 en een portret van Bernard Eilers: Atelier Gesina Maria Eilers in het atelier aan de Amstelveenseweg, eveneens 1912.

In dezelfde vondst een tweetal paardenfoto's, die Van Veen vergelijkt met het werk van een moderne dierenfotograaf als Charlotte Dumas. Aan de Cruquiusweg in Oost, de plek waar de slachterijen van de stad lagen, fotografeerde hij twee magere witte werkpaarden, een voorstudie van het schilderij Twee witte paarden, dat zich in het depot van museum Boijmans Van Beuningen bevindt. Aangezien de foto volgens Van Veen uit 1888 dateert, kan Boijmans zijn datering (ca. 1896) aanpassen.

Amsterdam 1900 voegt met zijn scherpe en originele selectie een aantal werken aan de canon van de Nederlandse fotografie toe, van een landschapsfoto van Gustaaf Oosterhuis van de Gemeente Waterleidingen tot aan het werk van de anonieme politiefotografen die de crime scenes van het fin de siècle vastlegden.

Tolstraat, 1907.

Op de laatste pagina's van het begeleidende fotoboek van Anneke van Veen staat een kaart van de stad uit het begin van de eeuw. Het half miljoen inwoners van Amsterdam woonde in een gebied dat ruim 'binnen de ring' viel. Bij de Amstelveenseweg, aan het eind van het Vondelpark, begonnen de weilanden.

Een foto van een onbekende fotograaf van de Tolstraat in 1907 (nu midden in De Pijp) laat een scheefgezakte houten woning zien, die ogenschijnlijk midden op het platteland ligt.

De stad stond op het punt uit zijn voegen te barsten. Dat is exact het moment dat de fotografen in Amsterdam 1900 hebben vastgelegd.

Amsterdam 1900. Foto's van Olie, Breitner, Eilers en tijdgenoten. 14/10 t/m 5/2. Catalogus Amsterdam 1900, uitgeverij Thoth, 29,95 euro.

Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met de Volkskrant?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van de Volkskrant rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright @volkskrant.nl.
© 2020 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden