Hitler zag Hollandse rijkdom over het hoofd

De nazi's hebben nooit lang nagedacht over de economische status van een vrij Nederland, zegt een Berlijnse historicus. Zo liepen ze de bodemschatten uit de overzeese rijksdelen mis....

'Wat hebben we aan de inlijving van een paar moestuintjes en kaaswinkelsals ons zo de invloed op het Nederlandse wereldrijk ontgaat?' Met dezeretorische vraag vatte Hitlers minister van Economische Zaken, WaltherFunk, in oktober 1940 kernachtig het dilemma van de Duitsebezettingsautoriteiten samen. Als Nederland over een zekere autonomie konblijven beschikken, zou de eenheid van het koloniale rijk mogelijk behoudenblijven en zou Duitsland economische betrekkingen kunnen blijvenonderhouden met de overzeese gebiedsdelen. Als Nederland echter totwingewest van het Derde Rijk zou worden gedegradeerd, zou het van de bronvan zijn welvaart worden afgesneden. Tot schade van het moederland en hetgrondstofarme Derde Rijk.

In het najaar van 1940 deed Helmuth Wohltat, de toenmalige Duitsetoezichthouder van de Nederlandsche Bank, nog een serieuze poging omcontact te leggen met het gouvernement in Batavia. Maar de toegang totNederlands Indië werd hem geweigerd. Op dat moment was het fiasco van deeconomische exploitatie van het bezette Nederland bezegeld. De Duitserskonden niet beschikken over de bodemschatten van Insulinde, maar slechtsover de door Funk versmade moestuintjes en kaaswinkels. Een mogelijkheiddie zij overigens uitputtend hebben benut.

Toen Funk kenbaar maakte dat Duitsland meer belang had bij een min ofmeer soevereine handelspartner dan bij een onderworpen vijand, was derichtingenstrijd over de economische toekomst van Nederland allang in zijnnadeel beslecht. Dat was feitelijk al het geval op 10 mei 1940, toen deWehrmacht het neutrale buurland binnenviel. Op dat moment was de deling vanhet koloniale rijk een feit, en hield Nederland op te bestaan alshandelingsbekwame handelsnatie.

Hitler heeft nooit de geringste belangstelling aan de dag gelegd voorde economische status die Nederland in 'zijn' nieuwe Europa zou genieten,zegt de Berlijnse historicus Christoph Kreutzmüller. En vóór deBlitzkrieg van 1940 is ook nooit uitvoerig over de toekomstige positie vanNederland gesproken. Duitse ondernemers zijn over het thema al helemaalniet geconsulteerd. In dat geval zouden zij mogelijk voor de respecteringvan de Nederlandse neutraliteit hebben gepleit. Ter voorkoming van eenvolledig economisch isolement van het Derde Rijk.

Het chemieconcern IG Farben - de vroegere werkgever van prins Bernhard - lijkt op deze optie te hebben ingezet. Vlak voor het uitbreken van devijandelijkheden bracht het zijn Amerikaanse vermogen onder bij eenNederlandse dochteronderneming. In de verwachting - of op zijn minst dehoop - dat Nederland zich, net als tijdens de Eerste Wereldoorlog, aan deworsteling zou kunnen onttrekken. Maar het nutsdenken legde het kansloosaf tegen de strategische overwegingen van Hitler.

Kreutzmüller heeft een boek geschreven over de economische betrekkingentussen Duitsland en Nederland van 1918-1945. Of over een belangrijk aspectdaarvan: de betekenis van het Amsterdamse bankwezen voor het Duitsebedrijfsleven. In de bestudeerde periode is die betekenis aanzienlijkgeweest. Na de Eerste Wereldoorlog vervulde de Amsterdamse geld- enkapitaalmarkt voor de Duitse banken een rol die voor Londen niet langer wasweggelegd, en waarvoor New York op dat moment nog niet was toegerust.

'De Duitse banken deden wat keizer Wilhelm II ook had gedaan: zijvluchtten naar het neutrale Nederland. En naarmate de mark aan krachtverloor, werden meer transacties in de stabiele gulden afgewikkeld.' Debelangen van de individuele kapitaalbezitters waren daar op korte termijnmisschien bij gediend. Voor de Duitse economie was de kapitaalvlucht naarNederland funest. 'De vlucht in de gulden droeg bij aan de verzwakking vande mark, en de verzwakking van de mark hield de kapitaalvlucht in stand.'

Deze beweging leidde tussen 1918 en 1923 tot de vestiging van ongeveerzeventig Duitse banken in Nederland. 'Deze werden aanvankelijk nauwelijksgeaccepteerd', zegt Kreutzmüller. 'Dit hing samen met het beslotenkarakter van de haute finance in Amsterdam. De belangrijkste bankiers,telgen van illustere calvinistische geslachten, duldden geen nieuwkomers.Zeker niet als deze een katholieke of - erger nog - joodse achtergrondhadden. En onder de Duitse bankiers bevonden zich relatief veel joden. Pasin het midden van de jaren twintig raakten de Duitse bankiers werkelijk inhet financiële centrum van Nederland geworteld. Maar niet voor lang: deeconomische wereldcrisis maakte vooral onder de Duitse banken veelslachtoffers.'

De machtsovername van Hitler in 1933 had een tweede kapitaalvlucht naarAmsterdam tot gevolg. Het betrof vooral joodse bankiers en particulierendie hun vermogen veilig wilden stellen. 'Vaak vertrouwden Duitse banken hunNederlandse vestiging of dochteronderneming toe aan de zorgen van joodsemedewerkers die zij op last van de nazi-regering hadden ontslagen. Eenenkele keer uit piëteit met de betrokkene. Meestal uit naakt eigenbelang.Met een joodse directeur van een buitenpost konden deze banken goede siermaken in het anti-Duitse buitenland.'

In 1940 bleek de vluchtroute echter in de letterlijke zin eendoodlopende weg te zijn. Vrijwel alle joodse medewerkers van de Nederlandsebanken waren binnen een jaar ontslagen. Met dit 'systeemconforme' gedraghoopten de bankiers hun branche voor een gedwongen nazificering tebehoeden. 'Om erger te voorkomen' - zo heette het.

Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met de Volkskrant?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van de Volkskrant rust uiteraard copyright.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright @volkskrant.nl.
© 2021 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden