BOEKRECENSIENobele wilden

Historicus Sarah Watling brengt de vier zussen Olivier glansrijk tot leven ★★★★☆

De zussen Olivier waren geen schrijvers, kunstenaars of publieke figuren. Met beperkte bronnen brengt historicus Sarah Watling deze vier vrijgevochten vrouwen glansrijk tot leven.

Beeld Claudie de Cleen

Voor biografen was Noel Olivier (1892-1969) lange tijd vooral het meisje dat de verloofde was geweest van de Engelse dichter Rupert Brooke, met wie ze zeven jaar lang brieven uitwisselde tot zijn vroege dood in 1915. Brooke en Noel hadden elkaar ontmoet in 1908, toen hij 20 was en zij 15 – geen biografie over de in Engeland zeer geliefde Brooke kon zonder een verwijzing naar Noel (en haar zussen, want Brooke was licht ontvlambaar en volgens een vriend verliefd geweest op alle vier).

Brooke had in de Eerste Wereldoorlog dienst genomen bij de marine en overleed al snel aan een bloedvergiftiging die hij in Egypte had opgelopen, waarna zijn vaderlandslievende poëzie en zijn bereidheid te sterven voor zijn land van hem een held maakten – onder meer door het postuum waarin Winston Churchill in The Times zijn verdiensten onder de aandacht bracht. Noel merkte hoe de jongeman die ze had gekend in de beeldvorming een halve heilige werd en ze besloot al vroeg, tot chagrijn van Brookes biografen, niet bij te dragen aan de legendevorming.

Vier zussen

De jonge historicus Sarah Watling begint Nobele wilden, haar biografie van de zussen Margery, Brynhild, Daphne en Noel Olivier, niet voor niets met een formidabele krachtmeting tussen Noel, dan 70, en Brookes biograaf Christopher Hassal. Hij wil de brieven, en krijgt ze niet. Wat Hassal zich niet voldoende realiseerde, schrijft Watling, is dat die brieven niet alleen iets over Brookes leven vertelden, maar ook over dat van Noel zelf en van haar zussen, levens die om veel meer hadden gedraaid dan hun relatie met de dichter die pas na zijn dood beroemd was geworden. 

Watling draait de zaken om. In haar boek is Rupert Brooke de bijfiguur. Zij wil het verhaal vertellen van vier vrijgevochten jonge vrouwen die studeerden in een tijd dat nog werd gedacht dat kennis de eierstokken aantastte, die hun eigen keuzes maakten toen vrouwen nog vaak niet voor vol werden aangezien en die er een seksuele moraal op na hielden die hun reputatie soms schaadde, zonder dat ze zich daardoor lieten weerhouden (de schrijver D. H. Lawrence noemde vrouwen als de Oliviers ‘afkeurenswaardig’).

Het is een enorme taak die Watling zich in haar eerste boek heeft opgelegd, ook doordat de zussen geen publieke figuren waren, geen schrijvers, dichters of kunstenaars, zoals de mensen in wier nabijheid ze verkeerden: de Neo-Pagans (het groepje jonge mensen rond Rupert Brooke) en de befaamde Bloomsbury-groep met wie ze van wat meer afstand contact hadden. Gedetailleerde getuigenissen over de zussen zijn er niet, Watling haalt haar informatie vooral uit correspondentie in privébezit en gepubliceerde dagboeken zoals die van Virginia Woolf, en ze permitteert zich invullingen als ‘ze moest wel’, ‘ze zal’, die ze haalt uit boeken over de tijd waarin de zussen leefden. Ze kiest ervoor zich te beperken tot zeven episodes uit hun geschiedenis en de leemtes daartussen te laten voor wat ze zijn.

Ze slaagt er desondanks glansrijk in de zussen tot leven te brengen en geeft bovendien een fraai beeld van het vroege feminisme in het begin van de 20ste eeuw, van de mogelijkheden en beperkingen waarmee vrouwen in het grootste deel van die eeuw te maken hadden.

Succesvol

De meisjes Olivier waren de dochters van een vooraanstaand socialist en werden vrijer opgevoed dan veel van hun generatiegenootjes. Ze waren avontuurlijk, klommen in bomen, zwommen naakt, ook met vriendjes erbij, kampeerden. Alleen Brynhild, de tweede zus, studeerde niet. Margery, de oudste, deed economie en later geneeskunde, Daphne, de een-na-jongste, studeerde moderne talen, Noel werd arts en was in professioneel opzicht de succesvolste van de vier.

Toch kon een kennis (de socioloog Beatrice Webb) bij de dood van hun vader in 1943 schrijven dat de vrouwen in hun leven niet veel hadden bereikt ‘behalve die ene die arts is geworden’. Dat was een wonderlijk hard oordeel voor vrouwen die naar de maatstaven van hun tijd privé wel degelijk succesvol waren: Brynhild, Daphne en Noel hadden alle drie een man en samen zestien kinderen.

Wel slecht was het Margery vergaan, de oudste en misschien wel de intelligentste. Zij had in haar jeugd gedemonstreerd voor vrouwenkiesrecht en was ervan overtuigd dat het huwelijk het einde betekende van de geestelijke ontwikkeling van de vrouw. Maar net als haar zus Daphne, die herstelde, kreeg ze een zenuwinstorting. Haar gedrag werd steeds onvoorspelbaarder en gewelddadiger, en op haar 37ste moest ze worden opgenomen in een inrichting waar ze nooit meer uitkwam. Het lijkt niet toevallig dat in de wanen die tot haar opname leidden allerlei mannen stapelverliefd op haar waren.

Voor de lezer van Nobele wilden is het opmerkelijk hoezeer de zussen ook succesvol waren naar de maatstaven van ónze tijd: zie hoe Noel de zorg voor haar vijf kinderen wist te combineren met een carrière als arts, lees hoe de zweverige Daphne, gegrepen door de antroposofische ideeën van Rudolf Steiner, verantwoordelijk was voor de introductie van de Vrije School in Engeland.

Brynhild, degene zonder baan, zou je van de drie kunnen beschouwen als de minst geslaagde zus, maar Watling legt zich daar niet bij neer. Op verschillende momenten legt ze uit dat Brynhild op haar manier een vrije geest was, omdat ze altijd vasthield aan haar eigen overtuigingen zonder dat ze de behoefte voelde die aan andersdenkenden te verklaren. Zo scheidde ze in 1924 van haar man om met haar minnaar verder te gaan, wat een schandaal veroorzaakte dat breed uitgemeten werd in de kranten van die tijd: een scheiding was vele malen erger dan overspel. Haar ex kreeg de voogdij over de kinderen. Brynhild was huisvrouw, maar een die zich volkomen gerechtigd voelde het geld van haar echtgenoot uit te geven, omdat ze, schrijft ze in een brief, er hard voor heeft gewerkt ‘door het huishouden te doen, voor de kinderen te zorgen & een, zij het niet geheel geslaagde, poging te doen het hem thuis naar de zin te maken’.

Zusterschap

Het is indrukwekkend hoe Sarah Watling het materiaal dat ze tot haar beschikking had, heeft weten om te vormen tot deze lezenswaardige geschiedenis van ‘de Oliviers’, zoals de vier zusters in hun jeugd bekendstonden, alsof ze geen individuele identiteit hadden. Uit de eerste episodes begrijp je inderdaad waarom ze werden gezien als een viereenheid. In hun volwassenheid beginnen hun levens uit elkaar te lopen, zoals dat gaat bij broers en zussen. Watling volgt ze daarbij, maar lijkt het jammer te vinden dat ze allengs minder contact hebben – het is duidelijk dat een van de kenmerken waardoor ze geïntrigeerd raakte in de Oliviers juist dat zusterschap is, dat voor haar ook een feministische connotatie heeft. ‘Alle interessante vrouwen (…) zouden zusters moeten hebben’, beweert ze in de inleiding van haar boek. ‘Voor een interessant leven (…) zijn medesamenzweersters – geestverwanten – onontbeerlijk’.

Of ze daar gelijk in heeft valt te betwisten, dat haar fascinatie geleid heeft tot dit mooie portret van vier zusters is plezierig. Je vergeeft haar dat ze, vooral voor Nederlandse lezers, die wat minder in hun Neo-Pagans en Bloomsbury’s zullen zitten dan haar Engelse publiek, wel heel uitputtend alle namen noemt die ze tegenkwam.

Beeld Athenaeum-Polak & Van Gennep

Sarah Watling: Nobele wilden – De Oliviers: Vier vrouwenlevens. Uit het Engels vertaald door Mariella Duindam. Athenaeum-Polak & Van Gennep; 552 pagina’s; € 27,50.

Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met de Volkskrant?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van de Volkskrant rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright @volkskrant.nl.
© 2020 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden