Hippocratisch leed onder de bezetter

De 534 Joodse artsen die Nederland bij het begin van de bezetting telde kwamen voor onwaarschijnlijk aangrijpende en heftige dilemma's te staan.

'Het lijkt soms wel of de Tweede Wereldoorlog elk jaar een beetje dichterbij komt', schrijft Abram de Swaan in zijn bijdrage aan de bundel over fysisch antropoloog ('rassenkundige') Arie de Froe - die een groot aantal Nederlandse Joden met wetenschappelijke middelen heeft 'ontjoodst' dan wel 'ontsterd'. Inderdaad zijn bij de nadering van 70 jaar bevrijding opnieuw tientallen titels, in alle soorten en maten, toegevoegd aan de toch omvangrijke oorlogshistoriografie.

Op enkele uitzonderingen na, zoals het vuistdikke naslagwerk van Nikolaus Wachsmann over de naziconcentratiekampen, hebben de meeste boeken betrekking op de lotgevallen van individuen, families, beroepsgroepen, dorpsgemeenschappen of - in het geval van Aan de Maliebaan van Ad van Liempt - een straat tijdens de Duitse bezetting.

De grote verhalen zijn onderhand verteld. Nederlanders hoeven er niet meer van te worden doordrongen dat ze destijds niet het heldenvolk waren waarvoor koningin Wilhelmina hen hield, maar weten ook dat die vaststelling heldendom niet uitsluit. De geschiedschrijving in grijstinten is niet grensverleggend meer. De historicus gaat op zoek naar de laatste witte plekken op de kaart van de Tweede Wereldoorlog en vindt die vaak dicht bij huis.

Kleine oorlogsgeschiedenissen - voor zover daarvan kan worden gesproken - zijn zeker zo indringend als de grote omdat ze de enormiteit van de Tweede Wereldoorlog tot meer bevattelijke proporties terugbrengen. Hoeveel we ook over de oorlog hebben gehoord en gelezen, de verhalen van de individuele slachtoffers, uit de eerste of de tweede hand, verbijsteren ons nog altijd.

Neem de wederwaardigheden van de 534 Joodse artsen die Nederland bij het begin van de Duitse Bezetting telde. Zij probeerden onder uitzonderlijke omstandigheden zolang mogelijk in de geest van de hippocratische eed te handelen - met alle wrange dilemma's van dien. Moesten ze medewerking verlenen aan het klemmende verzoek van Joodse patiënten om hulp te verlenen bij zelfdoding? Moesten ze valse attesten uitschrijven om hen van 'tewerkstelling' in het oosten te vrijwaren? Mochten ze met hetzelfde motief 'in gezond vlees snijden'? Mochten ze Joden met een niet-Joodse partner steriliseren - een medische handeling die enige bescherming bood tegen deportatie? En waren ze het niet aan hun patiënten verplicht om 'bovengronds' te blijven?

Valse hoop

Het verhaal van de Joodse artsen, grondig gedocumenteerd en gewetensvol opgeschreven door de 31-jarige arts/historica Hannah van den Ende, is ook het verhaal van de mensen die hun hoop op hen hadden gesteld. Patiënten die hoopten door de dokter, een academicus tenslotte, te worden gerustgesteld over de ernst van de situatie. Joden die smeekten om een attest of die in het ziekenhuis meenden veilig te zijn. Al diegenen, kortom, die zich in de maalstroom van de tijd vastklampten aan elk stuk drijfhout. Steeds kleiner werd het aantal houders van een Sperre - een tijdelijke vrijstelling van deportatie. Steeds ongewisser werden de vooruitzichten van de achterblijvers. En steeds machtelozer werden de artsen.

Uiteindelijk hebben ze bitter weinig voor hun patiënten kunnen betekenen. Van de 110 duizend gedeporteerde Nederlandse Joden overleefden slechts vijfduizend de oorlog. De artsen zelf, die nog een zekere professionele waarde voor de nazi's vertegenwoordigden, brachten het er met 86 overlevenden op 253 gedeporteerden beter van af. Zonder aanwending van literaire middelen maakt Van den Ende de valse hoop voelbaar die de nazi-bureaucratie bij de vervolgden wekte. Ze laat zien hoe sterk mensen, ook in uitzichtloze situaties, hechten aan vertier en aan normaliteit. En ze maakt en passant duidelijk hoe weinig de bezettingsautoriteiten hebben kunnen uitrichten tegen de Nederlandse artsen die zichzelf en masse buiten 'de nieuwe orde' plaatsten.

Portugezenrazzia

Waar artsen poogden Joodse landgenoten in individuele gevallen te helpen, deed de fysisch antropoloog Arie de Froe (1907-1992) dat met alle Sefardische (van het Iberisch schiereiland afkomstige) Joden. Na schedelonderzoek van 375 zogenoemde 'Portugese Joden' uit Amsterdam stelde De Froe, die zich mede beriep op de inzichten van Duitse 'rassenkundigen', vast dat deze groep niet als Joods kon worden aangemerkt. Deze vaststelling ging gepaard met de toeschrijving van uiterlijke en sociale kenmerken waarmee zij zich zouden onderscheiden van de 'levendige, gebarende, joviale, naar buiten gewende, mededeelzame, emotioneele, actieve, primaire, practisch-intelligente Askenasim'.

Door toedoen van De Froe werden inderdaad honderden Portugese Joden bijgeschreven op de begeerde 'Calmeyer-lijst', vernoemd naar de Duitse ambtenaar Hans Georg Calmeyer (1903-1972) die genereus vrijstellingen verleende aan Joden die, al dan niet met vervalste documenten, meenden te kunnen aantonen dat ze meerdere niet-Joodse voorouders hadden. Als deze 'ontlastende' documenten er degelijk uitzagen, wilde Calmeyer - een 'goede Duitser' - hun best ter wille zijn. Hun plek op de Calmeyer-lijst gaf de Portugese Joden zo'n sterk gevoel van veiligheid dat de meesten zich niet inspanden een onderduikadres te vinden. Ten onrechte, zo bleek in februari 1944, toen de meesten tijdens de zogeheten 'Portugezenrazzia' alsnog werden opgepakt. In Westerbork werden ze aan een vernederende 'rassenkundige schouw' onderworpen, die bij de verantwoordelijke Obersturmbahnführer leidde tot de 'Gesamteindruck: Rassisches Untermenschentum'. Via Theresienstadt werden de Portugese Joden afgevoerd naar Auschwitz.

Mislukte reddingspoging

Na de oorlog liet De Froe zich niet voorstaan op de honderden Joden die hij mogelijk heeft gered. Het waren er tenslotte te weinig. 'Weinig genoeg', schrijft De Swaan in Ontjoodst door de wetenschap, het eerbetoon aan De Froe - die van 1972 tot '76 rector magnificus was van de Universiteit van Amsterdam. Enigszins onwillig heeft hij zich in de jaren zestig door de historicus Jacques Presser over de, in zijn ogen mislukte, reddingspoging laten interviewen. Bij die gelegenheid verzette hij zich krachtig tegen de suggestie dat hij wetenschappelijke sabotage zou hebben gepleegd.

'Ik heb werkelijk weinig of niet gelogen', zei hij. 'Het moest volstrekt wetenschappelijk blijven.' Niet alleen in de ogen van de Duitsers, maar ook in de ogen van de betrokken Joden. Hij kon de vijand alleen met zijn eigen middelen verslaan als hij niet, of niet te veel, met die middelen knoeide. 'Het is blijkbaar niet zo voor de hand liggend dat ook de waarheid ons weleens in de kaart speelt.' En die waarheid was, meende De Froe ruim twintig jaar na dato nog steeds, dat de Portugese Joden eigenlijk geen Joden waren.

De persoon van Arie de Froe wordt er alleen maar fascinerender door. Het is jammer dat hij niet met een biografie is geëerd, maar met een bundel opstellen van uiteenlopende kwaliteit die elkaar inhoudelijk ook nog overlappen. Deze formule stelt een van de auteurs, emeritus hoogleraar antropologie André Köbben, echter wel in staat om een heerlijk tegendraadse opvatting te ventileren over de modieuze zelfkastijding van Nederlandse historici. 'Het is jaren bon ton geweest om te roepen dat de ondergang der Joodse Nederlanders vooral te wijten zou zijn aan de miserabele houding van bestuurlijke slapjanussen.' Die zienswijze bevat volgens Köbben echter 'niet veel meer dan kruimels van de waarheid. (...) De Duitse nazi's beschouwden ons land als een raciaal broedervolk. Dat wilden ze zo snel en zo radicaal mogelijk afhelpen van zijn Joodse bewoners. Gewoon om ons, niet-Joden, een dienst te bewijzen.'

Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met de Volkskrant?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van de Volkskrant rust uiteraard copyright.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright @volkskrant.nl.
© 2021 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden