Hij oogt vermoeid en zijn omgeving is verwarrend, maar Obama's officiële portret is nu al memorabel

Barack Obama moet toezien hoe de nieuwe tuinman zijn plantjes kapottrapt

Er zit vaak kraak noch smaak aan presidentiële portretten. Maar de onconventionele beeltenis van Obama die Kehinde Wiley schilderde, is een analyse waard.

Barack Obama door Kehinde Wiley, 2018. Beeld National Portrait Gallery

Er bestónd natuurlijk al een iconisch Obama-portret. Het werd ontworpen door kunstenaar Shepard Fairey voor de Democratische campagne van 2008 en u zag het waarschijnlijk al zo'n tienduizend keer voorbijkomen. Het toont de gestencilde beeltenis van de aanstaande president in grafisch rood, blauw en beige, het hoofd lichtjes geheven, de blik vastbesloten op de horizon gericht, daaronder in hoofdletters de woorden 'hope', 'progress' of 'change'. Het heeft de beklijvende eenvoud die goede propagandakunst, links of rechts, eigen is. Het door de Afro-Amerikaanse kunstenaar Kehinde Wiley (1977) geschilderde, vorige week in Washington door de Obama's onthulde, Obama-staatsieportret mag minder eenduidig zijn dan Faireys beeld, memorabel is het evenzeer.

Fotografie

Zulke portretten bestaan sinds de jongste jaren van de Verenigde Staten, maar zijn pas sinds halverwege de vorige eeuw een geïnstitutionaliseerde traditie. De meeste werden gefinancierd door particulieren, onder wie rijke senatoren, industriëlen en filmmakers. Men vindt ze verzameld in de zuidwesthoek op de tweede verdieping van de National Portrait Gallery in Washington (gescheiden van de first ladies, die geen vaste plek hebben) en over hun ontstaan circuleren verhalen die te goed zijn om ze kapot te checken, als dat al mogelijk was. Teddy Roosevelt (1858-1919) die overhoop ligt met portrettist Sargent en tijdens een woede-uitbarsting precies de gewenste pose aanneemt; Lyndon B. Johnson (1908-73) die indut tijdens het poseren (indutten is een constante in de geschiedenis van het presidentiële portret), maar vervolgens wel sommeert het resultaat ('The ugliest thing I've ever seen') op te bergen. Tevergeefs: het is het spul waarvan geschiedenisboeken en audiotours zijn gemaakt. Wileys Obama, die een stuk groter is dan de andere portretten, en kleurrijker, maakt sinds vorige week deel uit van deze illustere geschiedenis.

Vanzelfsprekend is het gewicht van zulke portretten in de loop der eeuwen veranderd. In de tijd van George Washington (1732-1799, een van zijn portretten door Gilbert Stuart siert nog altijd het Amerikaanse 1 dollarbiljet) was het presidentiële portret een van de belangrijkste beeltenissen van de potus, een beetje zoals de keizerlijke hoofden op munten bij de Romeinen. Maar dat belang verschrompelde door toedoen van de fotografie. Zegt u bijvoorbeeld: Franklin D. Roosevelt, dan verschijnt diens doorleefde, rokende, tussen Churchill en Stalin op de Jalta-conferentie ingeklemde verschijning voor het geestesoog, niet zijn degelijke portret van de hand van Everett Raymond Kinstler.

George Washington door Gilbert Stuart, 1796. Beeld National Portrait Gallery

Plichtsgetrouw naturalisme

Het officiële portret legt het in de moderne tijd vaak af tegen meer beklijvende beeltenissen (Ronald Reagan als pop in een videoclip; George W. Bush op 11 september 2001 voorlezend op een kleuterschool) en zijn functie is eerder ceremonieel dan praktisch.

Op een bitterkoude woensdagmiddag in januari, enkele weken voor de onthulling van de portretten van Barack en Michelle Obama, bekeek ik in Washington de 44 eerdere presidentiële portretten. De reeks, die begint bij Washington en eindigt bij Bush jr., laat zich in artistiek opzicht in twee woorden samenvatten: plichtsgetrouw naturalisme.

Elaine de Koonings expressionistische portret van John F. Kennedy en Chuck Close' mozaïekkop van Bill Clinton ('een gepixelde clown') waren de uitzonderingen op de regel: het gemiddelde presidentiële portret toont een man in donker pak met strik of das poserend bij een globe, stoel of tafel met daarop enkele te ondertekenen documenten. Die man en die spullen zijn geschilderd in een stijl waar, uitzonderingen daargelaten, kraak noch smaak aan zit. Van artistiek experiment getuigt het zelden. Van inwisselbaar decorum des te meer.

Symboliek

Het eerste presidentiële portret, Gilbert Stuarts ten voeten uit geschilderde Lansdowne portrait (1796) van George Washington, is in die zin een frappante uitzondering. Het toont de founding father ten voeten uit - een arm gestrekt als een tenor die op het punt staat te buigen - en staat bol van de symboliek. De tafelpoten in de vorm van fasces bijvoorbeeld, verwijzen naar de Romeinse republiek en de sabel naar het oud-Europese gebruik om staatsmannen in hun militaire persona te vereeuwigen. Maar zulke verwijzingen waren een kort leven beschoren, net als elke vorm van persoonlijke expressie. Veel eigenzinniger dan Jacksons Dracula-cape met wild stopcontactkapsel en Jimmy Carters beige jasje wordt het op dat vlak niet. Het is een duffe bedoening.

Wileys portret, daarentegen, is allesbehalve duf, en dat is geen verrassing. Zijn eerdere schilderijen zijn druk, barok, kleurrijk, theatraal, decoratief en artificieel. Ze zijn ook rijk aan ornamenten en verwijzingen naar oude meesters zoals Holbein, David en Caravaggio. Ze worden bevolkt door twee soorten modellen: enerzijds zijn er de anonieme Afro-Amerikaanse jongemannen uit de armere wijken van Amerikaanse steden, gekleed in camouflagebroeken en bergschoenen van Timberland en figurerend in heroïsche en edelmoedige constellaties: te paard, balancerend op een reusachtig zwaard. Anderzijds zijn er de beroemde leden van de zwarte pop-culturele elite: Michael Jackson, LL Cool J, Biggie Smalls, drummer Quest Love van The Roots. Obama valt in geen van beide categorieën. Hij is een categorie op zich.

George W. Bush door Robert Anderson, 2008. Beeld National Portrait Gallery

Selectie

Dat Obama koos voor een onconventionele portrettist is niet zo verrassend. De kunst aan de muur van het Witte Huis (veel abstract expressionisme, een abstract stilleven met potjes en vaasjes van de Italiaan Giorgio Morandi) die hij selecteerde in samenspraak met echtgenote Michelle, verraadde eerder al een voorzichtig progressieve smaak. Bovendien: hoe beter zijn status als eerste Amerikaanse president van Afro-Amerikaanse afkomst te onderstrepen dan door een portrettist te kiezen die qua afkomst, leeftijd, handschrift en impact verschilt van eerdere portrettisten?

Obama selecteerde Wiley uit een stuk of twintig kandidaten. Er gingen oriënterende gesprekken aan vooraf. Wileys gewoonte om anonieme, weinig kansrijke zwarte jongemannen een gezicht te geven door ze af te beelden als notabelen zou de doorslag hebben gegeven bij Obama's keuze. Vorige herfst zou hij hebben geposeerd (voor foto's). Hij viel, voor zover bekend, niet in slaap.

John F. Kennedy door Elaine de Kooning, 1963. Beeld National Portrait Gallery

Een blik als een tweesprong

Tijdens de onthulling vorige week grapte Obama dat hij Wiley had verzocht om zijn haar minder grijs te maken en zijn oren minder groot, en om de paarden achterwege te laten ('Ik heb genoeg politieke problemen zonder dat ik eruitzie als Napoleon'); ook verzocht hij de schilder het visuele theater binnen de perken te houden ('tone it down a bit'), hetgeen gebeurde, soort van.

Het Obama-portret toont de gewezen president zittend op een houten stoel, de ellebogen op de bovenbenen, de handen plat, de blik ernstig, afwachtend, borend, vragend, wellicht - een blik als een tweesprong: draai in gedachten de tijd een seconde vooruit en zowel een bedenkelijke frons als een geamuseerde grijns behoren tot de mogelijkheden. Hij heeft in de verte iets weg van de peinzende Lincoln op George P.A. Healys The Peacemakers, dat tijdens Obama's termijn in de State Dining Room van het Witte Huis hing.

Sadder but wiser-gevoel

Hij zit goed in de kleren, Barack. Een pak zonder das en manchetten die voldoen aan de Arno Kantelberg-stijlnorm - ja, de voormalige president ziet er patent uit, zij het niet vrij van zorgen. De lijnen in z'n gezicht zijn diep. Zijn haar is, jawel, grijs. Hij oogt vermoeid. Het portret ademt een, al dan niet geprojecteerd, sadder but wiser-gevoel. Faireys affiche gaf ons Obama-de-belofte; Wileys staatsieportret geeft ons Obama-de-realiteit.

Op Twitter maakte men zich vrolijk over de presidentiële handen (te groot) en vingers (er zou een zesde exemplaar uit zijn linker pink groeien), maar de criticasters gingen vooral los op de groene haag achter de president. Deze zou te fel zijn, te nadrukkelijk aanwezig, te raadselachtig. Hij is achtergrond, maar ook ondergrond, misschien wel geen van beide, wat zou betekenen dat Obama en zijn stoel in het luchtledige zweven als in een illusie van Hans Klok. Verwarring alom!

Andrew Jackson door Thomas Sully, 1845. Beeld National Portrait Gallery

Afkomst

Tenminste, als men die bladermuur letterlijk neemt. Zelf las ik hem vanaf het begin als symbolisch. De bloemen verwijzen, zoals alom is beschreven, naar Obama's afkomst - blauwe lelies voor Kenia (vaders geboorteland), jasmijn voor Hawaï (geboorteplaats), chrysanten voor Chicago (stad van zijn loopbaan en vrouw) - en de bladeren die hem dreigen te overwoekeren naar zijn baan als Tuinman van de Wereld die de president van de Verenigde Staten toch een beetje is. De tuin dreigt hem boven het hoofd te groeien, maar hij is er nog. Hij zit en kijkt en moet toezien hoe de nieuwe tuinman zijn plantjes kapottrapt.

Iets waaraan in de commentaren tot nu toe weinig aandacht werd besteed is de factor tijd. Immers, portretten hebben de neiging om het model te overleven. Ze sieren onze musea ook wanneer de zitter al lang en breed onder de grond ligt, sterker: ze schuiven voor die zitter, wórden hem of haar in zekere zin. Ook bij een staatsman als Obama. Ook hij eindigt uiteindelijk als de biografieën die men over hem schreef, de foto's die men nam, de portretten die men schilderde. Ook hij verwordt in de niet zo verre toekomst tot een man op een schilderij in de National Portrait Gallery.

Schoolreis

Daarom is het aardig om je bij wijze van gedachte-experiment een groep 8-jarigen op schoolreis voor te stellen die over een jaartje of vijftig, honderd, tweehonderd in de National Portrait Gallery langs die eenvormige stoet van dode, witte mannen lopen en dan opeens oog in oog staan met deze al even dode zwarte man in het groen. Zijn blik is indringend, zijn omgeving vreemd genoeg om voor een kort moment van verwarring te zorgen. Voelen die 8-jarigen dan dat ze naar een uitzonderlijk persoon staan te kijken? Dat lijkt me wel, ja. Is dat mede te danken aan het excentrieke karakter van Wileys portret? Daar ben ik van overtuigd.


Michelle Obama

Het Obama-portret is één deel van een tweeluik. Het andere deel bestaat uit het portret van first lady Michelle Obama door Amy Sherald (1973), een Afro-Amerikaanse schilder uit Baltimore. Pogingen om beide portretten in een stuk te bespreken, bleken vruchteloos: Michelle verdient een eigen beschouwing. Haar rol was een andere dan die van haar echtgenoot en haar portret verschilt stilistisch te zeer van het zijne om ze over één kam te scheren. Wat er hier, in steno, over opgemerkt moet worden, is dat het minder lijkend is dan dat van haar man in de strikte zin van het woord, maar gevoelsmatig zeer treffend: gratie, bedachtzaamheid, historisch bewustzijn, stijl. Haar portret, vermoedt men, zal nog toenemen in kracht.

Michelle LaVaughn Robinson Obama door Amy Sherald, 2018. Beeld National Portrait Gallery
Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met de Volkskrant?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van de Volkskrant rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@volkskrant.nl.