rubriek in het spoor van de jonge rembrandt

Het wiegje van wilgentenen van de familie Van Rijn

Rembrandt van Rijn, De heilige familie met engelen (1645). Beeld Album / Prisma

Rembrandt woonde de eerste 25 jaar van zijn leven in Leiden. Onno Blom werkt aan een biografie van die jaren en bericht daarover een jaar lang wekelijks in de Volkskrant.

In een van de Getuignisboeken die worden bewaard in de Leidse stadsarchieven, is op 26 oktober 1612 een verklaring opgetekend van Rembrandts vader. Harmen Gerritsz van Rijn, ‘molenaer’, verklaarde die dag dat een ‘kinderwiechgen, van witte thienden gebreyt’ uit de boedel van schipperszoon Gerrit Pietersz hem toebehoorde.

Harmen was de oom en voogd van Gerrit. De schipperszoon stond op het punt failliet te gaan en zijn bezittingen zouden verbeurdverklaard worden. Om zijn wieg terug te krijgen moest Harmen de schepenen van de stad duidelijk maken dat hij die louter aan zijn neef had uitgeleend, zodat hij niet beschuldigd kon worden van het onrechtmatig onttrekken van goederen aan een failliete boedel.

Als je door de juridische terminologie heen kijkt en tot je laat doordringen hoe de omstandigheden in de familie Van Rijn precies waren, dan dringt zich een prikkelende gedachte op: in dit ‘kinderwiegje, gevlochten uit witte wilgentenen’ moet ook Rembrandt gelegen hebben.

Waarom wilde Harmen het wiegje zo graag terug hebben? In de herfst van 1612 zullen zijn vrouw en hij geen kinderen meer hebben verwacht. Neeltgen was al 43, de kans op een nakomertje was klein. Ze hadden tien kinderen gekregen. Drie waren er jong gestorven. Rembrandt was zes jaar ervoor geboren en Elisabeth, hun jongste kind, was de laatste die in het wiegje zou liggen.

Hoewel een wiegje van wilgentenen – een sterk en soepel materiaal, waar ook geen houtwormen in gingen zitten – een zekere financiële waarde vertegenwoordigde, zal dat toch niet de belangrijkste reden zijn geweest voor de gang naar de stadsrechtbank.

Wat deze getuigenis vooral duidelijk maakt, is dat Harmen grote emotionele waarde aan het wiegje hechtte. Natuurlijk: elk kind had er één, al was het maar een ‘stijfselkissie’, maar in dit wiegje hadden zijn eigen kinderen gelegen. Het vertegenwoordigde de liefde voor zijn gezin.

In 1645 schilderde Rembrandt de heilige familie. Niet in een stal om de kribbe of in een arcadisch landschap, maar in een Hollandse huiskamer. Jozef, de timmerman, bewerkt met een bijl een stuk hout. Maria zit aan het knapperend haardvuur een boek te lezen, haar voeten op het stoofje. Ze stopt even met lezen om naar haar kind te kijken. In een werveling van licht tuimelen engelen nieuwsgierig de huiskamer binnen.

Karl Marx heeft eens geschreven: ‘Rembrandt schildert de moeder van God als een Hollandse boerin.’

Marx zat er voor de verandering niet heel ver naast. Dat is juist het mooie van dit schilderij: het is geen pompeus tafereel. Madonna is van een bedrieglijk eenvoudige schoonheid. Het hemelse en aardse vallen samen, de heiligheid zit in het alledaagse.

Rembrandt betovert je met het hemelse licht waaruit cherubijntjes vallen, dat over Maria’s witte kraag en hoofddoek strijkt en weerkaatst op haar opengeslagen boek.

Maar Rembrandt ontroert je door dat ene, tedere, liefdevolle gebaar. Het gebaar van een moeder die, om te zien of haar zoontje nog slaapt, met al dat getimmer in de kamer, even de sluier oplicht die is gedrapeerd over de kap van het uit wilgentenen gevlochten schommelwiegje.

Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met de Volkskrant?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van de Volkskrant rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright @volkskrant.nl.
© 2019 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden