Het wezen van religie

Armstrong beschreef hoe in een tijdspanne van zeven eeuwen een revolutie plaatsvond in het denken van de mens over zichzelf en de wereld en hoe, onafhankelijk van elkaar, de grote religies ontstonden die ook vandaag nog dominant zijn en hun aard en origine gemeen lijken te hebben.

Het axiale uitstapje smaakte naar meer en deed de recensent van de Boeddha-biografie in deze krant destijds verlangen naar een gedegen studie over de achtergronden en ontwikkelingen die het ontstaan van deze prototypische vormen van religie zouden kunnen verklaren. ‘En’, besloot hij, ‘wie anders dan Karen Armstrong zou zo’n ambitieus en omvangrijk project succesvol kunnen voltooien?’

Een retorische vraag, blijkt achteraf. Want krap vier jaar later wordt de wens van de boekbespreker verhoord en overtreft de productieve Britse schrijfster zichzelf met De grote transformatie. Het is een monumentaal epos van de geest geworden, een intrigerende en fascinerende speurtocht naar de religieuze en filosofische wortels van de menselijke beschaving en een magistraal hoogtepunt in het toch al veelgeprezen oeuvre van deze auteur. Nederland heeft bovendien de primeur; de Engelse versie verschijnt pas volgend voorjaar.

Armstrong voert de lezer terug naar de duistere magie van de vroege oudheid – een statische, van cyclisch denken doortrokken periode die bol stond van oorlog en geweld – en vandaar via de apocalyptische visioenen van Zarathoestra naar het begin van de Spiltijd, toen nomadische ruitervolkeren de Kaukasische steppen verlieten en oostwaarts trokken. Zij legden de basis voor een nieuw Indo-Europees georiënteerd zelfbewustzijn dat zou uitgroeien tot wereldgodsdiensten als hindoeïsme en boeddhisme. Belangrijke stimulans daarvoor was de groeiende afkeer van het geweld waarmee de invasies van deze van oorsprong Arische volkeren en hun rituelen gepaard gingen, en de crises die er het gevolg van waren.

Crises en weerzin jegens geweld lagen ook ten grondslag aan drie andere, wel vergelijkbare revoluties in het religieuze denken die, los van dit eerste keerpunt in India, in dezelfde periode plaatsvonden in China, in het zuidoosten van Europa en het Midden-Oosten en die uiteindelijk zouden leiden tot respectievelijk confucianisme en taoïsme, het Griekse filosofische rationalisme en het joodse monotheïsme.

Dat deze definitieve breuken in het wereldbeeld zich onafhankelijk van elkaar op vier plaatsen in de wereld en in eenzelfde tijdvak voltrokken, bracht de Duitse filosoof Karl Jaspers er ooit toe te spreken van die Achsenzeit; Spiltijd dus, wat doeltreffender klinkt dan ‘het axiale tijdperk’, maar een voortdurend draaiende beweging suggereert die er niet is.

Want in De grote transformatie is de Spiltijd een eenmalig scharnierpunt in de geschiedenis van de mensheid, waarna een dimensie bleek toegevoegd aan het zelfbewustzijn, te weten die van het tragische besef van het menselijk tekort, het lijden daaraan, maar ook de ontdekking van transcendentie, het overstijgende dat te benoemen noch te bevatten, maar met wat moeite wel te ervaren is.

In een meeslepend relaas gaat Karen Armstrong op zoek naar oorzaken en gevolgen van die transformatie, en naar de overeenkomsten en de verschillen tussen de vier verschijningsvormen ervan. En het tekent de empathische instelling van de auteur, die sinds 11 september 2001 een graag geziene gast is op wereldfora om er de universele beginselen van religies te benadrukken, dat zij het werk besluit met de stelling dat de Spiltijd een voorbeeld en inspiratiebron kan zijn om uit de mondiale crisisspiraal van oorlog, armoede en milieuproblemen te geraken.

Die huidige situatie wekt soms de indruk dat godsdienst daarin vooral een negatieve rol speelt en vrijwel automatisch leidt tot gewelddadigheid en intolerantie. De oerversie van alle wereldgodsdiensten toont echter precies het tegenovergestelde: een grondige afkeer van wreedheid en bloeddorst. Zoals die waarmee rituelen en offerspelen in India gepaard gingen en waartegen de eerste verlichte geesten met succes ageerden.

Voor het joodse volk begon de Spiltijd pas goed nadat Jeruzalem verwoest was en het volk deels werd verbannen naar Babylonië. Daar formuleerden priester-schrijvers een ideaal van verzoening en vreedzaamheid, en beschreef een onbekend gebleven auteur in Genesis de Schepping nu eens niet als het resultaat van onderling slaags geraakte goden, maar als het initiatief van een vreedzame eenling.

In China brak de Spiltijd aan tijdens de periode van de Strijdende Staten, in reactie waarop confucianisten en taoïsten de tomeloze agressie trachtten te beteugelen. En ook bij de oude Grieken vormden verval en wetteloosheid de aanleiding tot een geestelijke revolutie, zij het dat de religieuze transformatie daar pas later plaatsvond toen het door Paulus uitgewerkte, aanvankelijk puur joodse christendom een verbond sloot met het filosofische rationalisme van de Grieken. Want die Grieken waren, anders dan hun Spiltijd-genoten, niet zo spiritueel.

Terwijl de grote roergangers van de Spiltijd in India en China de weg naar binnen zochten, waarbij onthechting, wereldverzaking en kenosis (leegmaking van de geest) de beproefde middelen waren, probeerden de Grieken juist hun verstand te gebruiken en een logos te ontwikkelen waarmee zij de mysteries van de alledaagse werkelijkheid rationeel te lijf gingen. Dat leidde onder meer tot de god van Aristoteles, de Onbewogen Beweger. Die god was de weinig spirituele uitkomst van de logische redeneerkunst van de Griekse wijsgeer. Als het enige vaste en onveranderlijke punt in het universum kwam hij desondanks de christenen, met hun behoefte aan een Schepper en omnipotente Voorzienigheid, naderhand nog goed van pas.

De Grieken hebben wel degelijk hun bijdrage geleverd aan de Spiltijd. Zij gaven niet alleen de stoot tot de ontwikkeling van de menselijke kennis, ze legden bovendien de basis voor democratie en individuele vrijheid. Maar ook de tragedies die dit volk, met zijn hang naar afgrondelijke depressiviteit, ten tonele voerde speelde een belangrijke rol. Want daarin werd de mens met de neus op het feit gedrukt dat het leven geen lolletje is – een besef dat in alle Spiltijd-religies nadrukkelijk is terug te vinden – en werd de toeschouwer geprikkeld kwesties van leven en dood vanuit het perspectief van de ander te bezien.

De Griekse tragedies waren bevorderlijk voor het aankweken van compassie, de mogelijkheid mededogen te voelen met de naaste, los van de vraag of het een mede- of een tegenstander betrof. Compassie, empathie, barmhartigheid en sociale rechtvaardigheid ontwikkelden zich tot cruciale principes in de Spiltijd. Zij zijn in enigerlei vorm terug te vinden in alle religies die wortelen in dat tijdvak, inclusief de nadien ontstane godsdiensten als christendom en islam, het nakomertje van de Spiltijd. Reden waarom Armstrong deze kenmerken tot het wezen van religie uitroept. De Chinese Spiltijd-wijsgeer Kong-qui – door zijn leerlingen Kongfuzi (‘onze meester Kong’) genoemd, wat in het Westen werd verbasterd tot Confucius – was degene die tegen het einde van de 6de eeuw voor Christus voor het eerst het empathische principe terugbracht tot het simpele maar doeltreffende motto: ‘Wat u voor uzelf niet wenst, wens dat ook een ander niet.’

De Spiltijd bracht dus meer teweeg dan transcendentie en spiritualiteit. De Spiltijd-mens was praktisch van aard en minder geïnteresseerd in theologie en dogmatiek dan in de vraag hoe te leven. De transformatie bracht ook het inzicht mee dat leven en lijden onlosmakelijk samengaan en dat alles betrekkelijk is. De mens werd op zichzelf teruggeworpen; het individualisme was geboren. Maar tegelijk werd met Confucius’ wat-gij-niet-wilt-dat-u-geschiedt-principe het ongebreidelde egocentrisme dat daaruit zou kunnen voortvloeien, een halt toegeroepen. En daarmee legde deze Kong Fu het fundament voor een universele (dat wil zeggen: een niet noodzakelijk religieuze) moraal. Hoewel mededogen in de afgelopen 2500 jaar nooit een populaire deugd werd, is een betere morele basis tot op heden niet gevonden.

Karen Armstrong: De grote transformatie – Het begin van onze religieuze tradities. Vertaald uit het Engels door Karina van Santen, Martine Vosmaer en Eelco Vijzelaar. De Bezige Bij; 544 pagina’s; ¿ 23,50. ISBN 90 234 1905 7.

Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met de Volkskrant?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van de Volkskrant rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright @volkskrant.nl.
© 2019 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden