'Het was cool in de schuur'

- Ik eisch van den leeraar dat hij zich niet inleeft in het kind, dat hij niet daalt. Ik eisch van het kind dat het zich inleeft in den leeraar, dat het klimt....

WILLEM KUIPERS

'B INTS HAND kwam plat op tafel.

Er is een tijd geweest dat iedereen die had schoolgegaan, deze passage kende, uit zijn hoofd.

Nog steeds kan het gebeuren dat in een gezelschap van oudere lezers de naam Bordewijk valt en dat iemand dan moeiteloos, en misschien wel met instemming, dit stukje uit Bint, 'roman van een zender', citeert.

Soms bevinden zich in zo'n gezelschap zeer geslaagde lieden, mannen, die het bijvoorbeeld geschopt hebben tot staatssecretaris van cultuur, tot vermaard columnist, tot leider van Reed-Elsevier of tot bestuursvoorzitter van AKZO - nee, niet tot trainer van Ajax, want die dacht dat 'het kan verkeeren' van P.C. Hooft was - en die zouden je desgevraagd óók nog wel kunnen vertellen hoe het verder ging:

'De jeugd is bezig zich te constitueeren tot grote groepsverbanden die elken Zondag langs de straten gaan. Zij hebben een gevaarlijken schijn van schoonheid. Het individu gaat in hen onder, maar niet uit gehoorzaamheid. Het individu is mededrager van een collectief machtsvertoon. Het gaat op met de anderen in gelijken wil. En het gaat onder in macht. De groepsverbanden zijn de ontbinding van het individu, omdat het geen gehoorzaamheid leert, maar macht.'

Dat had die Bint, zouden genoemde mannen met tevredenheid constateren, goed gezien. Die kende zijn pappenheimers en spaarde bovendien zijn personeel de roede niet. 'Ik weet dat er onder jullie zijn die in de klas nog te veel spreken. Ieder woord in de klas moet bevel zijn. Het bevel is kort. Het woord in de klas kan korter. Wij moeten de spreekwoordelijke wijdloopigheid van den Nederlander bekampen, logenstraffen. De taal van de regeering, hoog en laag, de taal van de wetten, de taal van de kranten is mij een gruwel. Ik lees geen kranten meer omdat van de tien woorden er niet één is verantwoord. Wij misbruiken onze taal steeds roekeloozer. Wij prostitueeren haar.'

Er was een tijd, toen er nog ouderwets Nederlands werd gegeven, dat Bint er inging als koek. Niet vanwege de 'boodschap', want wat behelst die nou helemaal, maar vanwege de taal, met behulp waarvan hier weer eens een schok der herkenning werd bewerkstelligd. Hoe Bordewijk en andere grote schrijvers uit de vaderlandse literatuur je kunnen verplaatsen naar het domein van de 'onleefbare waarheden', zoals Arnold Heumakers het in zijn gelijknamige essaybundel heeft genoemd, daar kun je het tegenwoordig met leraren Nederlands nog steeds heel goed over hebben. Dat vinden zij ook. Maar hun leerlingen, hè, die zijn wel heel erg veranderd. En als zij het niet zijn, dan zijn het hun ouders wel, onrustige 'tweeverdieners', die zelf natuurlijk nooit tijd hebben om te lezen.

Omdat vandaag in Utrecht door Bulkboek en de Stichting Schrijvers School Samenleving de Dag van het literatuuronderwijs wordt georganiseerd, trok ik er een week lang op uit om zwartgallige verhalen over het lezen van de hedendaagse jeugd te horen. Ik ontmoette leraren Nederlands in Amsterdam, Rotterdam, Utrecht, Doetinchem en Middelburg, maar algauw bleek dat ik bij hen aan het verkeerde adres was als ik wilde horen dat de spes patriae (de hoop des vaderlands) geen boek meer aanraakt. Eigenlijk verschilden mijn gesprekspartners in menig opzicht nauwelijks van de man of vrouw voor de klas die mij indertijd - in de jaren vijftig - over Walewein, Beatrijs, Jozef in Dothan, 't Stokske van Oldenbarneveldt, Multatuli of Couperus vertelde.

Ze zien er, met hun Zeeman-truien en Amerikaanse werkbroeken, wat anders uit dan de dames en heren van lang geleden - en zijn op die manier wat meer op hun leerlingen gaan lijken, wat bij ons nog omgekeerd was - maar hun pedagogische zendingsdrang is er niet minder om. Daar steek ik mijn hand voor in het vuur. Zo bevlogen als zij nog steeds over hun vak en hun leerlingen praten - wat kunnen die kinderen er nu aan doen dat de tijd zo is veranderd? - dat was, oprecht, hartverwarmend. Is het bovendien niet waar dat vooral die jaren-zestig- en jaren-zeventig-ouders er een beetje een troep van hebben gemaakt?

Dat is een pijnlijke vraag, die niet op zichzelf staat. Ook degenen die in Den Haag 'het beleid maken', of de leerplanontwikkelaars die maar doorgaan met hun in een soort dieventaal gestelde richtlijnen op te leggen aan al die scholengemeenschappen, lycea en gymnasia, zijn voor de leraar Nederlands een geliefd object van agressie. Daarmee vergeleken zijn voor hen, deze bedreigde individuen in het koninkrijk van hun klas, de met honkbalpetten, kauwgum, walkmans, rugzakken en andere puberale uitrustingsstukken bewapende leerlingen lieve schapen van wie zij niets te vrezen hebben.

Maar, vroeg ik mij af, waar komen dan al die verhalen vandaan? Dat er op school niet meer gelezen wordt, dat kinderen tegenwoordig te stom zijn om voor de duvel te dansen en dat zij, eenmaal aangekomen op de universiteit, de meest eenvoudige woorden en begrippen niet blijken te kennen (zoals Kees Fens tot zijn verbazing moest constateren toen hij ten overstaan van zijn studenten Nederlands in Nijmegen zich het woord 'ontkerstend' liet ontvallen).

Overdreven?

Niet helemaal, maar voordat mij de gelegenheid geboden werd daar grondig op in te gaan, wezen mijn gesprekspartners steevast op de wapenfeiten uit hun dagelijkse praktijk. Een groepje leerlingen, op de onlangs tot Rietveld Lyceum herdoopte Scholengemeenschap Doetinchem, groef zo diep in De ontdekking van de hemel van Harry Mulisch dat de Grote Schrijver zelf er, bij zijn bezoek aan de school, danig van onder de indruk was. Een groot succes voor Arnold Slaghek, docent aan het Rietveld Lyceum, die zijn pupillen zelfs tot het schrijven van sonnetten à la Jacques Perk wist te brengen. Slaghek put zich uit in voorbeelden van enthousiasme voor de schone letteren. Maar dat is in Doetinchem, waar de school nog niet verworden is tot een 'gezinsvervangend tehuis', zoals een in het vak vergrijsde conrector zijn 'werkplek' een keer betitelde.

I N DE RANDSTAD is het beeld beslist anders: veel kinderen met een andere dan een Nederlandse achtergrond, in de merkwaardige taal van de onderwijshervormers aangeduid met 'allochtone onderinstromers', die vaak het Nederlands slecht beheersen en als ze zover zijn dat ze behoorlijk kunnen lezen, geen boodschap blijken te hebben aan Vestdijk, Bordewijk, Couperus of Multatuli. Het boek roept überhaupt vaak een golf van weerzin op. 'Dan heb je', zegt Ronald Neervoort, docent aan het Vellesan College in IJmuiden, 'van die Turkse mevrouwen in de klas, die alleen maar afkeer uitstralen en demonstratief hun lippen gaan zitten stiften.'

'Je moet', zegt Arjan Hollegien, docent aan het Caland Lyceum in Osdorp, 'je verwachtingen niet te hoog stellen. Je moet ze niet naar de hoogste toppen van het literaire genot willen voeren. Wat je zelf heel goed vindt, Frans Kellendonk bijvoorbeeld, zegt kinderen in de puberteit weinig. Het verstandigst is te luisteren naar waar ze zelf mee aankomen.' Die houding wordt ook door Ron Labordus en Thea van der Poel van het City College St. Franciscus in Rotterdam voorgestaan. Ron Labordus noemt als voorbeeld een boek over voetbal-hooligans waar leerlingen mee aankwamen. 'Ik laat ze dat lezen', zegt hij. 'Als ze maar eenmaal de smaak van het lezen te pakken hebben, kun je voorzichtig proberen verder te komen. Je wijst op andere boeken met een vergelijkbare inhoud, maar iets literairder van kwaliteit. Kijken waar je uitkomt.'

Het is een kwestie van 'trucs', zoals ze het zelf noemen. Met alle mogelijke middelen - middelen die de leerlingen aanspreken - zijn sommige leraren Nederlands voortdurend bezig hun cliëntèle tot lezen te verleiden. In de eerste klassen is dat nog steeds geen probleem. Kinderen die vers uit het basisonderwijs komen, lezen 'als gekken' en voorlezen vinden ze prachtig. Maar in de derde, vierde klas gaat het mis. Dan wordt lezen 'stom'. 'Literatuur', zegt Frank van Doeselaar, docent aan de Scholengemeenschap Middelburg, 'wordt een vies woord. Geen geil woord. Een vies woord. Een probleem is dat wij geen boek voor het grijpen hebben voor de leeftijd van 14 tot 17. Terwijl het daar moet gebeuren. Daar leg je de basis voor dingen waar ze hun leven lang op kunnen teren, een begin van een esthetisch besef, misschien.'

'Je daalt altijd een beetje, wat meneer Bint ook beweert', voegt hij er, haast verontschuldigend, aan toe.

De 'trucs' die de leraren, vindingrijk als ze zijn, in de praktijk op hun bruikbaarheid hebben getoetst, beslaan een heel arsenaal, dat varieert van het aanleggen van 'leesdossiers' en groepsgesprekken tot het leren gebruiken van de schoolbibliotheek - 'een goed voorziene bibliotheek is een absolute voorwaarde', zegt Thea van der Poel - het zelf laten schrijven van (cabaret)teksten, toneelspelen en het aanhoren van bandopnamen van auteurs of acteurs die teksten lezen. Belangrijk is het directe contact met bekende auteurs, waarbij de Stichting Schrijvers School Samenleving bemiddelt.

Het helpt. Menige docent wijst op aantallen leerlingen die gaandeweg steeds meer gaan lezen. Arnold Slaghek heeft een meisje in de klas dat nu al tachtig Nederlandse literaire werken op haar lijst heeft staan. Voor haar eindexamen wil ze de honderd halen. Ze wordt door haar klasgenoten niet eens voor 'stuud' uitgemaakt. Maar dat is in Doetinchem, waar moeders de kinderen thuis nog met een kopje thee opwachten als ze uit school komen.

'Mijn god', zegt Ronald Neervoort, 'wat je hier aan thuistoestanden te verwerken krijgt. Soms kun je niet eens met de les beginnen. Dan moeten er eerst maar eens, vaak zeer ernstige, huiselijke problemen worden opgelost.' 'Dat zijn de problemen', zegt Ron Labordus, 'waar de hele wereld mee kampt.' Gebroken gezinnen, geweld thuis, u noemt het maar. Van die probleemboeken van Lemniscaat uit de jaren zeventig lijken in zulke gevallen de oplossing, maar het gekke is dat sommige kinderen die het nogal moeilijk hebben, juist rust blijken te vinden met boeken die niets met hun eigen wereld te maken hebben. Ze vinden het heerlijk om, als hun de weg is gewezen, te verzinken in een wereld waarin nog orde heerst.

Het belangrijkste dat leraren Nederlands trachten over te dragen, is dat je leest voor je lol, voor je plezier, dat lezen iets is om van te genieten. Net als van een soap, maar dan op een andere manier, en met als didactische bijkomstigheid dat ze hun taal beter leren beheersen. 'Daar is het', zegt Ronald Neervoort, 'vaak bedroevend mee gesteld. Dat gaat van: 't Is cool, man, om in een plas te jumpen.' Hun emotionele expressiviteit, zegt Neervoort, verloopt via dit soort Engels. 'Je denkt toch niet dat ze, als ze verliefd zijn, zeggen: Ik hou van je. Dat is oubollig. I love you moet het zijn.' Een meisje schreef een beluisterde Nederlandse tekst over als: 'Het was cool in de schuur, want de fruitbomen wierpen er een schaduw op.'

Het literatuuronderwijs staat, ondanks de haast clichématige indruk dat er altijd een handvol leerlingen buitengewoon graag leest, dat een middengroep aarzelt en overgehaald kan worden en dat een restgroep eenvoudigweg als afgeschreven beschouwd dient te worden - die leest absoluut nooit - onder grote spanning. De spanning tussen 'plezier' en 'toetsbaarheid' (het cijfer!), tussen wat leraren zouden willen en wat realistisch is, tussen de tijd die deze vorm van onderwijs vergt en de ruimte die van overheidswege wordt toegestaan.

Schaarse middelen, slechte salarissen van leraren, weinig extra's voor bibliotheek en video - de leraren wijzen op een halfhartige houding van de bevoegde instanties, die lippendienst bewijzen aan het belang van literatuur en culturele vorming in het algemeen, maar in werkelijkheid alleen het 'nut' (het economische nut) van het onderwijs op het oog hebben. 'Een verzakelijking', zegt Ron Labordus, 'die je in de hele maatschappij ziet en die slecht is voor het onderwijs.'

Dat is al erg, maar het wordt nog erger. De tijd van de Mammoetwet en de vrije pakkettenkeuze van de leerlingen (de pretpakketten) nadert haar einde, want de bovenbouw van het voortgezet onderwijs staat aan de vooravond van een ingrijpende verandering: de invoering van de zogenoemde Tweede Fase. Op 1 augustus 1998 is het zo ver. Dan zullen de leerlingen moeten kiezen uit 'profielen' (cultuur en maatschappij; natuur en gezondheid; economie en maatschappij; natuur en techniek) en krijgt het 'studiehuis' zijn wettelijke grondslag.

A ANVANKELIJK bedacht men voor deze institutie, die bedoeld is om leerlingen zelfstandiger te laten werken - waardoor ze beter voorbereid het hoger onderwijs ingaan - de term 'leerhuis', maar dat woord werd geschrapt, toen de onderwijsbureaucraten doorkregen dat de adolescenten, voor wie dit allemaal bedoeld is, er misschien sadomasochistische associaties bij zouden krijgen. Ten slotte wordt er in de nieuwe opzet een 'studiebelastingssystematiek' geïntroduceerd, die inhoudt dat leerlingen een soort veertigurige werkweek krijgen.

Voor degenen die het vak Nederlands, zowel de kant van de taal, het leren lezen, schrijven, spreken en discussiëren als de kant van de literatuur - en vooral de integratie van beide - een warm hart toedragen, bergen de plannen voor de Tweede Fase en hoe daar nog steeds aan gesleuteld wordt, een paar grote gevaren in zich. Zo is voorgesteld literatuur bij de docenten Nederlands weg te halen en een nieuw vak 'wereldliteratuur' in het profiel cultuur en maatschappij op te nemen.

Dat klinkt weids, wereldliteratuur, maar de vraag rijst of op die manier de samenhang met taal en cultuur - de belangrijkste reden tot nu toe om letterkunde in het voortgezet onderwijs te doceren - niet verloren gaat. Leraren kunnen je nu al een allerzwartst scenario schilderen. Maar ze zijn, voorzover ik ze heb gesproken, niet tegen veranderingen die de leerling meer vrijheid geven om zelf de literatuur te ontdekken, een mogelijkheid die de Tweede Fase wel degelijk biedt.

Als het Nederlands, om met Bint te spreken, maar geen hoer wordt, die haar lichaam veil biedt aan naar instant bevrediging strevende onderwijshervormers.

Willem Kuipers

Wilt u belangrijke informatie delen met de Volkskrant?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van de Volkskrant rust uiteraard copyright.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright @volkskrant.nl.
© 2023 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden