Recensie Tentoonstelling Modern Perspectives

Het vroege werk van foto- en filmgrootheden als Eva Besnyö en Joris Ivens is schitterend en verrassend fris

Hoek Rusland met een politieagent, ca. 1935. Beeld Mark Kolthoff / Stadsarchief Amsterdam

In de jaren twintig was Amsterdam het brandpunt van de nieuwe media film en fotografie. De tentoonstelling Modern Perspectives is van revolutionair elan doortrokken.

De namen van 35 fotografen en filmers wier werk in het Stadsarchief van Amsterdam wordt getoond, zijn allang beroemd en opgenomen in de denkbeeldige eregalerijen van hun vakgebied. De loopbaan van die grootheden – onder wie Erwin Blumenfeld, Germaine Krull, Joris Ivens, Eva Besnyö, Carel Blazer, Emmy Andriesse, Cas Oorthuys – is veelvuldig beschreven, waarbij vaak dezelfde bewoordingen opduiken: modernisme, avant-garde, de grote stad, industrialisatie, staal, anti-fascisme, oorlog en wederopbouw. Je zou dus kunnen vermoeden dat de expositie Modern Perspectives weliswaar mooi, maar niet al te verrassend kan zijn. Het tegendeel blijkt het geval: een schitterende, grote selectie foto’s, filmfragmenten en tijdschriften biedt een fascinerend inzicht in de vooroorlogse ontwikkeling van de fotografie en film in Amsterdam. Dat was het brandpunt van die relatief nieuwe media in de jaren twintig tot veertig van de vorige eeuw.

Wat Rotterdam was voor het modernisme in de architectuur, met de uit glas, staal en diagonale structuren opgebouwde Van Nellefabriek als absolute pronkjuweel, dat was Amsterdam voor fotografie en film. Iedere fotograaf of filmer met professionele aspiraties vestigde zich in de hoofdstad, die voor de Tweede Wereldoorlog over internationale aantrekkingskracht beschikte.

Kraamkamer van het modernisme

Jarenlang werkte conservator Anneke van Veen van het Stadsarchief aan de expositie, die juist door dat Amsterdamse perspectief verrassend fris oogt. Bij de latere grootheid in modefotografie Erwin Blumenfeld denk je eerst aan zijn werk uit Parijs en New York. Bij Krull aan haar fameuze foto’s van de Eiffeltoren. Bij Cas Oorthuys en Emmy Andriesse vooral aan hun werk uit de Tweede Wereldoorlog en de jaren van wederopbouw. Ten onrechte verlies je zo al snel hun jonge, van revolutionair elan doortrokken jaren in de smeltkroes Amsterdam uit het oog. Rondlopen op Modern Perspectives voelt als het bezoek aan de kraamkamer van het modernisme – en dus als een heuglijke, veelbelovende gebeurtenis.

De expositie laat zich bekijken als een ode aan experimenteerdrift. De jaren twintig was de periode waarin een golf van democratisering de fotografie en cinematografie overspoelde. Logge camera’s met hun oorsprong in de 19de eeuw werden vervangen door lichte, handzame modellen (met name de Rolleiflex, Leica, Kinamo), waarmee fysieke barrières goeddeels tot het verleden behoorden. Kunstenaars waren niet langer gebonden aan studio’s, heel de wereld werd hun speelterrein.

Het statische van de studio maakte plaats voor de dynamiek van de buitenlucht. En zoals Berenice Abbott in haar lofzang op het moderne New York in dezelfde jaren korte metten maakte met de romantische, schilderachtige opvattingen in de fotografie, zo deden haar Amsterdamse vakgenoten dat op hun manier ook.

Ze zochten eigentijdse onderwerpen waarbij ze de kracht van hun medium ten volle konden benutten. De tijd was voorbij dat foto’s dienden als illustratie van en ondergeschikt waren aan een geschreven verhaal, en films veredelde toneelstukjes op celluloid. Het medium was zelfstandig en volwassen geworden en ging zijn eigen kwaliteiten benutten.

Voorhoedepositie

Parijs, waar ook Abbott in de jaren twintig verbleef, en Berlijn als hoofdstad van Duitsland (de geboortegrond van Bauhaus) waren de metropolen van de avant-garde, maar ook Amsterdam nam een voorhoedepositie in. De invloed van getalenteerde immigranten als Krull, Blumenfeld en Besnyö, uitgeweken voor de crisis en toenemende repressie in hun land van herkomst (respectievelijk Duitsland en Hongarije) hielp enorm. Dat de immigranten en de moderne Nederlanders elkaar allemaal kenden, bevriend raakten, ontheemd als ze waren zelfs in een huis gingen samenwonen, relaties kregen (zo was Krull de geliefde van Joris Ivens) en samenwerkingsverbanden aangingen, leidde tot een rijke artistieke kruisbestuiving.

Ze zochten het gezicht van de toenmalige nieuwe tijd: de havens met hun ijzeren kranen en bruggen, de fabrieken met hun massaproductie, de stad met zijn nieuw wijken, het gloednieuwe Olympisch Stadion, het opkomende autoverkeer en openbaar vervoer, de dynamiek van het uitgaansleven, met ’s nachts de oplichtende neonreclames van de winkels, de hypermoderne gevels van de Cineac aan het Damrak en de City-bioscoop aan het Leidseplein.

Olympisch Stadion, 1936. Beeld Bernard Eilers/Stadsarchief Amsterdam
Bioscoop City Theater, 1936. Beeld Karel Kleijn/Stadsarchief Amsterdam

Op de expositie zie je hoe de fotografen hun nieuwe werkterrein aftastten, een loopje namen met de conventionele opvattingen van beeldcompositie, zoals de schilderkundige eenderde-tweederde verdeling of de strikt horizontale einder. Zij zochten naar ongebruikelijke camerastandpunten – hoog vanuit een kraancabine, vanaf het dak van de stad, of juist vanuit kikvorsperspectief. Stadsgezichten zonder horizon, een grenzeloze (en op den duur wat sleetse) voorliefde voor diagonale lijnen: het is een feest om te zien hoe de fotografen en filmers de dynamiek van Amsterdam transformeerden tot sprankelende, swingende beeldtaal. ‘Het was eigenlijk de bevrijde camera. We konden opeens zien, het was alsof je je ogen voor het eerst opendeed’, zo verwoordde Eva Besnyö de inspiratie waaraan zij en de haren ten prooi vielen.

Joris Ivens filmt ‘Regen’, 1928. Beeld Germaine Krull / Stadsarchief Amsterdam

Een ereplek is er voor Regen (1929) van Joris Ivens, gebaseerd op het toentertijd revolutionaire concept van een film zonder verhaal, met de dynamiek van de stad en zijn bewoners als personages, veeleer figuranten. Ivens toont in een kwartiertje het verloop van een regenbui in Amsterdam – van het betrekken van de hemel, tot het plenzen en het wegtrekken van de wolken. Het is een choreografie van regendruppels op het asfalt en het spiegelende grachtenwater, van druppels op het voorraam van de tram, het ritme van de ruitenwisser, het opspattende water bij autowielen, een zee van paraplu’s op de Dam. Stills van Regen hangen aan de wand, zodat je kunt bekijken hoe prachtig en gebalanceerd elk shot van Ivens tot stand is gekomen. Foto’s van Germaine Krull tonen hoe Ivens zich met zijn Kinamo in bochten wrong, paraplu in de aanslag tegen het hemelwater. Aan de opnamen van die ogenschijnlijk ene regenbui heeft hij overigens maandenlang gewerkt.

Regen vormt het poëtische Amsterdamse antwoord op het machtige, ruim een uur durende Berlin, die Sinfonie der Grossstadt uit 1927 van Walter Ruttmann, waarbij talrijke cameralieden werden ingezet voor een meeslepend, ritmisch portret van de toenmalige wereldstad. Ivens’ film is veel intiemer, kalmer ook en in ambitie bescheidener – het verschil tussen de metropool en het relatief kleine Amsterdam komt ook in die twee stadsportretten tot uitdrukking. Dat verhindert niet dat Regen, geprojecteerd in het hart van de grote zaal van het Stadsarchief, de hele expositie optilt, alsof de bezoeker wordt meegenomen in de dynamiek van die tijd.

Olympisch Stadion

Aan de hand van thema’s wordt de bezoeker langs de foto’s gevoerd. Zoals Constructie, met werk van de nog zoekende Germaine Krull in de haven van Amsterdam – twee jaar later zou ze haar beroemde Metal, Paris voltooien. Met een beeldvullende, schuine Scheepsschoorsteen van Charles Breijer en een even bijzondere close foto van een KLM-vliegtuigromp. En een prachtig gecomponeerde opname van het nieuwe Olympisch Stadion. Niet van het veld en de tribunes, maar van de trappen aan de buitenzijde van het bouwwerk, wat een vervreemdende en wat naargeestige aanblik oplevert.

Selbstporträt mit Ikarette,1925. Beeld Germaine Krull/ Archiv Wilde

Uiteraard behoort het thema Stadssymphonie tot de hoogtepunten. Met een prachtige opname van bovenaf door Mark Kolthoff van een politieagent in de regen, de klinkerstraat waarop hij loopt glinsterend als een vissenhuid. Met een historisch belangwekkende, naar abstractie neigende, van hoogte genomen foto van een schuit met zand: een lading die wordt gebruikt om het Rokin waarop de boot drijft te dempen. Schitterend is ook de viervoudige opname Kalverstraat van Erwin Blumenfeld. Door de negatieven over elkaar heen af te drukken, geeft hij het winkelpubliek in de straat een duizelingwekkende dynamiek mee.

In de talrijke originele tijdschriften, boeken en brochures die in de kelder van het Stadsarchief zijn uitgestald, is mooi te zien hoe de fotografen en filmers die in de jaren twintig de vernieuwing brachten in het volgende decennium zijn doorgedrongen tot de mainstream. Industrie, grootwinkelbedrijf, vakverenigingen, architectenbureaus – allemaal maakten ze gretig gebruik van de nieuwe beeldtaal.

Fascisme

Tegelijk zie je langzaamaan hoe de economische crisis zich verdiept en de dreiging van het fascisme toeneemt. De fotografen leggen de armoede in de Jordaan en andere volksbuurten vast, maken collages voor affiches van de sociale beweging. Joris Ivens trekt (met Besnyö’s echtgenoot John Fernhout) naar Spanje, waar de Burgeroorlog tussen Franco en de Republikeinen is uitgebroken. Een collage van een doodskop met een schaar tussen de tanden en de tekst Links Front herinnert aan een oproep voor een antwoord op Hitler, Cas Oorthuys maakt een affiche met een gebalde vuist tegen een bloedrode achtergrond: ‘Eenheid tegen fascisme!’

In 1937 beleefden de modernisten in Amsterdam hun hoogtepunt, met de tentoonstelling Foto ’37 in het Stedelijk Museum. Alle bekende namen exposeerden er, vijftienhonderd foto’s samengebracht door Eva Besnyö. Haar dikke notitieboek met aantekeningen en wereldwijde correspondentie is in zijn eenvoud een aangrijpende stille getuige van enthousiasme, doorzettingsvermogen en organisatietalent in tijden ver voor de komst van internet en e-mail.

De expositie was de bekroning van een tijdperk, maar tevens de bezegeling ervan. Alle experimenten hebben een houdbaarheidsdatum, en die was met de tentoonstelling in het Stedelijk zo’n beetje bereikt. De Nieuwe Fotografie was niet nieuw meer. Het avontuurlijke was gangbaar geworden. Fotografen concentreerden zich meer en meer op documentair werk. De oorlog kwam eraan en de lust tot artistieke experimenten zou iedereen langdurig vergaan.

Modern Perspectives, Foto en Film, Amsterdam 1920-1940. T/m 16/2. Catalogus door Anneke van Veen. Thoth, 29,95 euro.

Berlijn van voor de oorlog

Filmmuseum Eye vertoont op 29 december Walter Ruttmanns geweldige film Berlin, die Sinfonie der Grossstadt (1927). De film begint met een  minutenlang shot vanuit het perspectief van een locomotief die door de buitenwijken naar het hart van de stad dendert, om op Anhalter Bahnhof tot stilstand te komen. Zoals Berlijn tijdens de Tweede Wereldoorlog grotendeels werd weggevaagd door bombardementen, zo verging het ook Anhalter Bahnhof.  Van het machtige gebouw resteert alleen een klein deel van de gevel met enkele typerende boogstructuren.

Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met de Volkskrant?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van de Volkskrant rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright @volkskrant.nl.
© 2019 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden