Het verzamelechtpaar Sanders

Het is geen toeval dat het verzamelaarsechtpaar Sanders een tentoonstelling kreeg in het Stedelijk Museum: de rolverdeling in musea blijkt stevig herzien.

Martijn en Jeannette Sanders. Beeld Irene O'Callaghan

Glunderend poseren ze voor de fotograaf. Trots lopen ze door de zalen van het Stedelijk Museum in Amsterdam. Begrijpelijk. Want in die zalen, op de benedenverdieping, is een groot deel van hun collectie te zien. Martijn en Jeannette Sanders, privéverzamelaars vanaf de begin jaren zeventig.

Hoe bijzonder de collectie is? Noem enkele van de 350 namen uit hun verzameling en je hebt een erelijst van kunstenaars die de afgelopen veertig jaar de westerse kunst hebben gekneed en gevormd. Die de smaak van museumdirecteuren en -bezoekers hebben beïnvloed, en nu als coryfeeën door het leven gaan: Kiefer, Baselitz, Gilbert & George, Cindy Sherman, Andres Serrano, Thomas Schütte en Martin Kippenberger. Wat ook geldt voor de Nederlanders in het gezelschap: Ger van Elk, Ronald Ophuis, Marijke van Warmerdam.

Het echtpaar wordt terecht geprezen om hun goede, scherpe oog. Om de vroegtijdige ontdekkingen van kunstenaars op jonge leeftijd, op het moment dat ze nog niet aan het firmament schitteren - voordat ze te groot en prijzig worden. Kiefer behoort daartoe, met als topstuk diens schilderij Wege der Weltweisheit. En meesterprovocateur Anton Henning, die een apart zaaltje inrichtte met zijn droedels en kitsch-naakten (die de gelikte esthetiek uit de nazitijd ademen). En natuurlijk Gilbert & George, met name de wat deprimerende 'fotocollage' Bad Thoughts, waarnaar de expositie is vernoemd.

Museale allure
De verzameling heeft grosso modo een uitgesproken zware, heftige signatuur. Geen optimistische tafereeltjes; eerder werk dat tot somber nadenken stemt. Of zoals galeriehouder Riekje Swart zou hebben gezegd: 'De manier waarop jullie kunst kopen, is als behang dat van je hart is afgerukt.'

Dat deze verzameling nu in het Stedelijk is te zien, lijkt voor de hand liggend. Veel musea halen de laatste tijd de band met verzamelaars aan. Maar bij de collectie van Sanders lijkt die band wel heel innig te zijn. De tentoonstelling is een afspiegeling van hoe nauw de verbintenis tussen de verzamelaar en de museumorganisatie is geworden.

Anders dan bij veel andere privéverzamelingen, sluit die van Sanders naadloos aan bij de collectie van het Stedelijk door het artistieke niveau, de verantwoorde variatie en de haast kunsthistorische onderbouwing. Hoe persoonlijk getint de collectie ook is, het heeft een museale allure. Allure die wordt verstevigd door de statige manier waarop de Collectie Sanders nu in het Stedelijk wordt getoond.

Op de benedenverdieping van de 'badkuip' is een nieuw museum ingericht, als een museum in een museum. De architectuur van de bovenzalen in het Stedelijk is in de kelder, feitelijk toch een grote open bak, nagebouwd. Met een vergelijkbaar circuit van kleine en grotere ruimten, een 'rotonde' en 'erezaal' waarin de mythische schilderijen van Sanders' belangrijkste troef hangen: Anselm Kiefer. De clusters van namen en stijlen geven een overzichtelijk tijdsbeeld van hoe de kunst zich heeft ontwikkeld, in richtingen en stromingen, zoals Narrative Art, Nieuwe Schilderkunst en Geënsceneerde Fotografie.

Meerstemmigheid
De inrichting lijkt afgestemd op de rest van het museum. Want wie verder loopt door het gebouw valt op hoezeer de twee verzamelingen, wat betreft aankoopbeleid en presentatie, in elkaars verlengde liggen. Niet verwonderlijk dat Beatrix Ruf, de nieuwe directeur van het Stedelijk, in haar inleiding van de catalogus de Sanders-verzameling roemt om de 'meerstemmigheid die men elke museumcollectie zou toewensen'.

Maquette expositie Bad Thoughts van het echtpaar Sanders in het Stedelijk Museum te Amsterdam. Beeld Irene O'Callaghan

Door de grote overeenkomst tussen beide collecties en de opzet van de expositie krijg je de indruk dat de Sanders-collectie eigendom van het Stedelijk is. Of het Stedelijk eigendom van Sanders.

Natuurlijk klinkt dat overtrokken. Maar ook weer minder dan je denkt. Sanders is een voorbeeld van de grote verandering die zich momenteel in het Stedelijk en in veel andere musea voltrekt. De hartelijkheid waarmee menig museum tegenwoordig zijn verzamelaars omarmt en uitnodigt, geeft die verzamelaars ook een mate van zeggingskracht op het aankoopbeleid en de koers van die musea.

Ijkpunt
Er is sprake van een wederzijdse beïnvloeding: musea vormen de canon van de kunst die voor veel verzamelaars als voorbeeld dient; museumverzamelingen krijgen een bepaalde signatuur door de giften en bruiklenen van particulieren.

Dat de collectie van Sanders nu zo goed in het Stedelijk past, is dan ook geen toevalstreffer. In een interview geeft het echtpaar Sanders ruiterlijk toe dat het Stedelijk altijd een 'ijkpunt' is geweest. De 'bakermat' van hun denken. Martijn Sanders: 'De band met het Stedelijk loopt als een rode draad door ons leven.'

Maar er speelt meer. Want Martijn Sanders mag zeggen dat het Stedelijk voor hem een ijkpunt is geweest en als een rode draad door zijn leven loopt, het geldt ook andersom: ook de invloed van Sanders op het Stedelijk moet niet worden onderschat. Zijn vader zat al in de Commissie van Aanwinsten tijdens het directeurschap van Edy de Wilde. Zijn broer en schoonzus schonken vorig jaar nog een kleine tweehonderd kunstwerken aan het museum, waaronder werk van Fontana, Kapoor, Appel en Gilbert & George.

Terug naar de top
Martijn Sanders zelf zat in de aankoopcommissie toen Rudi Fuchs er directeur was. En ja, dan was hij nog eens de voorzitter van de commissie die, in 2003, het Stedelijk weer 'terug naar de top' zou brengen. In een verzelfstandigde vorm, door een nieuwe koers en architect, met nieuwe ambities.

Sanders kan als een van de architecten gezien worden van hoe het nieuwe Stedelijk sindsdien op de kaart is gezet. Het Stedelijk zoals het er nu staat en functioneert, is een geesteskind van hem. Hij heeft het zelf mee vormgegeven, wat betreft architectonische uitstraling, collectiebeleid en imago.

Die wederzijdse verbondenheid is typisch een verschijnsel dat je nu meer ziet, maar die lange tijd geen rol heeft gespeeld. Veel openbare musea mogen dan zijn ontstaan dankzij particulier initiatief, sinds de jaren zestig werden vermogende ondernemers met artistieke interesse op een zijspoor gerangeerd. Als parvenus die geen verstand hadden van de nieuwste ontwikkelingen in de avant-garde.

Maar zie, nu de musea dankzij de grove overheidsbezuinigingen kapitaal nodig hebben, en expertise om dat binnen te halen, is de positie van de privéverzamelaar herstellende. De man (of vrouw) die doorgaans zijn eigen broek goed kan ophouden, verstand heeft van financiën, net als van kunst - ook eigentijdse kunst. Hij wordt niet langer met de nek aangekeken, maar omarmd. Als ondersteuner van kunstenaars. Koper bij galeries, op beurzen en veilingen. Bruikleengever aan musea, of, liever nog, schenker. Van wie de collectie in het museum kan worden getoond.

Actoren in de kunstwereld
Het bevestigt de toenemende verstrengeling tussen private partijen en publieke instellingen. Niet alleen tussen verzamelaar en museum, maar tussen alle 'actoren' in de kunstwereld: kunstenaars, galeries, musea, verzamelaars, ondernemers. Zoals ook Beatrix Ruf in de tentoonstellingscatalogus onderkent. Wat niet zo vreemd is: Ruf zal speciaal daarvoor als directeur van het Stedelijk zijn aangesteld. Om al die partijen bijeen te brengen. Inclusief alle verwarring die dat zal opleveren. En alle bezwaren die het heeft.

Ook dat onderkent Ruff: de behoefte om 'maatschappelijke afspraken rondom de bevoegdheden van en de relaties tussen de publieke en de private sector' te formuleren. Waarschijnlijk sluit haar opmerking aan op de discussie die in de VS al voluit woedt. Over belangenverstrengeling, invloed en macht tussen trustees, directies, verzamelaars en kunstenaars.

Want de combinatiemogelijkheden zijn inmiddels talrijk. Ook in Nederland. Een kunstenaar die in een museale toezichtsraad zit en van wie door datzelfde museum werk wordt aangekocht. Galeriehouders die plaatsnemen in een museumcommissie die geld moet genereren voor nieuwe aankopen. Een verzamelaar die zijn collectie in een museum tentoonstelt en daarna op de veiling te koop aanbiedt, met instemming van de directeur.

De scheidslijn tussen een openbaar museum en private partijen is flinterdun geworden. Grenzen vervagen. En daarmee de strikte, onderscheidende rolverdeling. Zoals het geen probleem schijnt te zijn dat Beatrix Ruf, ondanks haar nieuwe aanstelling als directeur van het Stedelijk, betrokken mag blijven bij de Zwitserse privé-collecties van Ringier AG en Swiss Re - hoewel het een probleem kan worden voor welke instelling zij een bepaald kunstwerk gaat kopen. Voorzitter van de Raad van Toezicht, Alexander Ribbink, zei daarover in NRC Handelsblad, dat het museum juist baat heeft bij een internationaal netwerk van haar directeur - artistiek én zakelijk.

Diffusere samenwerking
Natuurlijk is deze ontwikkeling niet op conto van het echtpaar Sanders te schrijven. Jeannette en Martijn Sanders hebben hun collectie opgebouwd over een periode van 42 jaar. Ze kochten al kunst lang voordat de privéverzamelaar überhaupt door musea serieus werden genomen.

Neemt niet weg, nu hun verzameling in het Stedelijk wordt getoond, dat deze tentoonstelling past in de huidige ontwikkeling van steeds nauwere en daardoor diffusere samenwerking tussen de 'publieke en de private sector'. Met als zichtbaar resultaat dat beide collecties een prachtige aanvulling op elkaar zijn. Zo goed dat, waar andere verzamelaars hun collectie in een eigen museum onderbrengen, Martijn en Jeannette Sanders die van hen na de tentoonstelling gewoon kunnen laten staan.

Bad Thoughts. Collectie Martijn en Jeannette Sanders.
Stedelijk Museum, Amsterdam, t/m 9/11.
stedelijk.nl


Beeld Irene O'Callaghan
Beeld Irene O'Callaghan
Beeld Irene O'Callaghan

Staalmagnaten

Ze hadden geld en smaak, de staalmagnaten, tabaksfabrikanten, reders en mijnbouwers die het noodzakelijk achtten hun kunstcollecties in publieke musea openbaar te maken. Henri van Abbe, Solomon R. Guggenheim, Frans Jacob Otto Boijmans, J. Paul Getty, Helene Kröller-Müller. Ze hebben hun naam verbonden aan musea over de hele wereld. Eind 19de en begin 20ste eeuw was dat heel gewoon. De meeste privécollecties werden, met name in Nederland, ondergebracht in Stedelijke en Rijksmusea, die door de overheid werden gefinancierd.

Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met de Volkskrant?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van de Volkskrant rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright @volkskrant.nl.
© 2019 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden