Het verhaal van twee immigranten die wilden assimileren

Als jongetje was Ian Buruma 'een kleine anglofiel'. Dat kwam door de geweldige kerstvakanties die het in Nederland wonende gezin (vader Nederlands, moeder Engels) doorbracht bij de grootouders aan moeders kant, in Berkshire. Zoals dáár in hun idyllische landhuis kerst werd gevierd, met een enorme boom met echte kaarsjes, sokken vol cadeaus, een gevulde kalkoen, een machtige plumpudding, gekke hoedjes uit Christmas crackers op ieders hoofd, daar kon hun Nederlandse familie niet aan tippen.

Brieven

'Granny' vond het leuk dat deze kleinzoon met zijn Friese naam zo dol was op haar land; zijzelf was dat ook. Ze gaf hem cricketbats, geruite overhemden en clubdassen. Aan tafel was het een kakofonie, met vele kinderen en kleinkinderen. 'Je moest gevat zijn en een goed verhaal vertellen, liefst zo luid mogelijk.' Misschien dat daardoor de familie twee beroemde verhalenvertellers voortbracht, filmregisseur John Schlesinger en Ian Buruma zelf, journalist en schrijver.

Dat zijn in Londen geboren grootouders Winifred en Bernard Schlesinger, zo'n dertig jaar geleden overleden, joods waren, besefte de kleinzoon pas later. Hij vond in hun nalatenschap een grote hoeveelheid brieven, daterend vanaf 1915. De meeste brieven zijn geschreven tijdens de Eerste en Tweede Wereldoorlog, toen Bernard ('Bun') en Winifred ('Win') van elkaar gescheiden waren omdat als hij als militair was uitgezonden. Buruma reconstrueert op basis van deze brieven, eigen herinneringen en onderzoek het verhaal van twee immigranten, die vóór alles wilden assimileren en hun nieuwe vaderland dankbaar waren. Het is een liefdevol, goed geschreven verhaal, waarin Buruma een particuliere geschiedenis verbindt aan die van een hele groep mensen.

Stoere soldatengrappen

De brieven van Win en Bun zijn echte liefdesbrieven, van twee mensen die zestig jaar lang gek op elkaar bleven. Hun liefde bestond voor een groot deel uit wachten: wachten op zijn afstuderen, zodat ze konden trouwen, wachten op zijn eerste baan als arts, wachten op zijn thuiskomst in twee oorlogen. Misschien heeft al dat wachten, denkt Buruma, de liefde telkens weer aangewakkerd. Win is de beste verteller van de twee, en de meest persoonlijke briefschrijver. Buns brieven zijn oppervlakkig en vrolijk. Zelfs als hij in de loopgraven zit en als brancardier de hele dag verminkte lichamen moet vervoeren, blijven zijn brieven opgeruimd en vol stoere soldatengrappen.

Win is intussen verpleegster in Londen. Nuttig werk, maar ze zou graag studeren: 'Ik zou er alles voor overhebben om een man te zijn en naar kostschool en universiteit te gaan; het is allemaal zo anders dan de loopbaan van een meisje, & ik zou graag een toverdrank nemen & mijzelf willen veranderen.' Ze zou korte tijd letterkunde studeren, tot ze trouwde en moeder werd. Later zou ze haar kinderen, die wél naar goede scholen gingen, achter de broek zitten. Dat haar zoon John het kostschoolleven haatte en altijd maar bezig was met goochelen en toneelspelen, vond ze vreselijk.

Totale assimilatie

Hoewel beiden een Duits-Joodse achtergrond hadden - hun families behoorden in Duitsland tot de culturele bovenlaag - en ze veel joodse vrienden hadden, waren de Schlesingers niet religieus: die grote kerstboom was een symbool voor hun totale assimilatie en hun hang naar Britse tradities. Maar zo Engels als ze waren, nationalistisch zelfs, ze hoorden er toch niet helemaal bij. Dat is schrijnend. Het kostte Bernard grote moeite om een vaste aanstelling te krijgen als arts in een ziekenhuis; zodra ze zijn achternaam hoorden ging het niet door. Over dat antisemitisme werd thuis honend gesproken. Ze voelden zich geen slachtoffer, ze vonden het simpelweg dom en onbeschaafd.

Win en Bun verloochenden hun joodse afkomst niet, maar veelzeggend is dat ze die pas ter sprake brachten als ze mensen volledig vertrouwden. Hun codewoord voor 'joods' was '45'. Waarom, dat weet Buruma niet. Hun afkeer van Hitler was uiteraard groot, en ze leefden in grote spanning over het lot van de familieleden in Duitsland. Maar ze déden ook iets: ze kochten een huis waarin ze twaalf joodse kinderen uit Duitsland opvingen, van wie de ouders waren vermoord of in concentratiekampen zaten.

Racistisch

Toch kon vooral Win over joods zijn dingen zeggen die we nu racistisch zouden vinden. Ze hield niet van mensen die er opvallend joods uitzagen. In de trein ontmoet ze een joodse advocaat die 'kenmerkend was voor zijn ras' en 'de oosterse minachting vertoonde voor de hersens van vrouwen'. Dit schrijft ze in 1943! Over een van de kinderen uit hun tehuis schrijft ze aan Bun: 'Ze is een heel knap jong meisje geworden, zonder een spoortje 45 of Duits bloed.' Haar dochter Wendy had een te joodse neus naar haar smaak. De kleinzoon verbaast zich erover. Sporen van ras of afkomst moesten kennelijk geheel worden uitgewist.

Zij waren Brits. Beschaafde Britten, die ook vasthielden aan de culturele waarden die ze van thuis hadden meegekregen, aan hun grote liefde voor muziek en literatuur. Tekenend voor hun houding is dat ze in 1946 twee Duitse soldaten, die in de buurt in krijgsgevangenschap zaten, uitnodigden om kerst te komen vieren. Beschaving en menselijkheid gaan boven ras, afkomst of religie; mensen in benarde omstandigheden moet je altijd helpen. Van die houding kunnen we nu nog wat opsteken.

Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met de Volkskrant?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van de Volkskrant rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@volkskrant.nl.