Het utopieloze tijdperk

ALS DE geschiedenis ten einde is, dan moet de wereld wel af zijn - en als de geschiedenis zich alleen nog maar in haar op een na laatste fase bevindt, het voorportaal van de grote oplossing van alle conflicterende ideologieën in een vrolijk bruisende markt, dan is de wereld, in...

Wie ogen heeft om te zien en oren om te horen kan daarmee dagelijks vaststellen hoe wereldvreemd, ja, hoe maf deze seculiere variant van de hoop op het einde der tijden is. Dat helpt hem echter geen zier. Want de aanhangers van de stelling zelf hebben de wind mee, ze laten althans geen gelegenheid passeren daar op te wijzen. Dat is overigens wijzen zonder bewijzen: de stelling is louter speculatief en onttrekt zich aan iedere vorm van controleerbare bewijsvoering, wat het fantaseren en filosoferen erover er een stuk aangenamer en vooral ook eenvoudiger op maakt.

Maar die onbewijsbaarheid helpt de tegenstander niet. Want - het verhaal is bekend - de historische werkelijkheid, waarin de uitwerking van die ene verziekte ideologie die de samenleving voor maakbaar hield acht jaar geleden op zo roemloze wijze ineen zeeg, heeft iedereen die zich ongemakkelijk voelt bij de gedachte dat we de ontwikkeling van de samenleving maar beter over kunnen laten aan het vrije spel der economische krachten al op voorhand in een bedenkelijk daglicht geplaatst. De markt groeit en bloeit ondertussen, de groep mensen die daar een graantje van meepikt is van aanzienlijke omvang: de werkelijkheid zelf bewijst, kortom, het gelijk van de aanhangers van de eigentijdse verschijningsvorm van het chiliasme.

Je ziet het aan Nederland, een half jaar voor de verkiezingen. Het paarse kabinet is bovenal het grijze kabinet gebleken, maar het is alsof de professionele deelnemers aan het maatschappelijke debat hooguit enigszins zenuwachtig op zoek zijn naar een onderwerp waarover ze het eventueel oneens zouden kunnen zijn. In het nummer dat De Gids deze maand wijdt aan het Nederlandse onbehagen blijkt dat onbehagen uit vrijwel alle stukken, maar zodra het geconcretiseerd wordt betreft het veelal kleinigheden, particuliere ergenissen of enigszins aanstellerige persoonlijke souffrances.

Paars of grijs, het gidsland dat hooguit nog het land is waar De Gids verschijnt, ook - en misschien: vooral - hier loopt de geschiedenis op haar laatste benen: er moet wellicht nog een extra baan bij Schiphol, de kooldioxide-uitstoot kan enkele procentpunten omlaag, hier en daar mag een autoweg verbreed met een extra rijstrook en enige voortvarendheid in het her en der aanleggen van lijnen voor de hogesnelheidstrein zou fijn zijn - maar voor de rest zitten we wel goed. Nu ja, er zitten nog wat gaten in de afrastering rond Europa, met alle oncomfortbale gevolgen van dien, maar die kunnen wij niet op eigen houtje dichten.

Zitten, daar gaat het om - zitten en vervetten: het lijkt de Nederlandse republiek van de achttiende eeuw wel. Een van de hoogste idealen van de paarse formatie was de vervangbaarheid van ministers 'tijdens de rit', om het vertrouwen in 'de politiek' te herstellen, maar ook daar bleek zitten blijven en doorrijden een aantrekkelijker perspectief dan de verwezenlijking van een ideaal.

Idealen, anders dan idealen van particuliere aard, zijn verdacht en zelfs de gedachte dat je een ideaal nodig zou hebben om te kunnen formuleren wat je metterdaad wilt uitvoeren is taboe verklaard. Ook het rijk van de verbeelding is drastisch geprivatiseerd en beperkt zich voortaan tot de lectuur van een vers, het bezoeken van een voorstelling, een concert of een tentoonstelling en de wellevendheid gebiedt zelfs daar het oordeel zoveel mogelijk voor ons te houden. Er is een grote Nederlandse krant waarvan de kunstredactie eerdaags een fundamenteel debat gaat voeren over de vraag of recensies van kunstwerken vandaag de dag eigenlijk nog wel kunnen.

De Italiaanse cultuurfilosoof en schrijver Claudio Magris - die van die merkwaardige, associatieve studie over de Donau - heeft verleden jaar, in zijn toespraak voor de opening van de Salzburger Festspiele, de moed gehad om het over de utopie te hebben. We zijn zo ver heen met onze afronding van de werkelijkheid dat je je afvraagt of daar nog wel sprake is van moed en of het woord schaamteloosheid in de vorige zin niet meer op zijn plaats zou zijn. In de Nexus-lezing, die hij verleden week dinsdag in Tilburg uitsprak, schetste Magris voorzichtig het volgende hoofdstuk in zijn schoorvoetende onderzoek naar de mogelijke noodzaak van de verbeelding en de ongelofelijke weerstand die het pleidooi voor de verbeelding oproept.

'Soll man die Dichter aus dem Staat verbannen?' heette die lezing - en, ja, als het aan de Realpolitiker ligt, zou dat door indertijd Plato in De Staat geconcipieerde misverstand de consequentie moeten zijn van de aversie tegen alle vormen van utopisch denken. Een voltooide samenleving heeft geen behoefte meer aan dichters - zelfs niet als zij nog slechts clowns zijn, die onze jubilea, staatsbezoeken en uitvaartdiensten komen opluisteren.

Magris is zijn intellectueel-literaire carrière dertig jaar geleden begonnen met een studie naar de vormende invloed van de mythe van Habsburg, die mythe die Milan Kundera in zijn beroemde stuk, 'The Tragedy of Central Europe', uit 1984 herdoopte tot 'Centraal Europa', Mitteleuropa, zo men wil. Magris onderzocht de functie van die mythe in de Oostenrijks-Hongaarse literatuur van die dagen: wat wij, niet zonder een zekere naijver en gemakzucht, zo bewonderen in de cultuur van Centraal Europa, gaat terug op een droom. Die droom werd zeker niet door iedereen gedeeld, maar ze gaf wel richting aan het handelen - en het was een droom die zich niet beperkte tot een meevaller op de optiebeurs of de mogelijkheid van een tweede huis in Frankrijk.

De vraag die Magris van dat eerste boek af in al zijn werken in meer of minder expliciete vorm aan de orde stelt is niet of die ene specifieke vormende mythe achteraf beschouwd gerechtvaardigd blijkt, maar of de dynamiek waar ze voor zorgde vruchtbaar was. Het verhaal van de cultuur van de Donau-monarchie is specifiek, maar de kwestie van haar vormende kracht is exemplarisch. Niet voor niets heeft zich sedert begin jaren tachtig een hele reeks onderzoeksinstituten op de geschiedenis van het Weense fin de siècle gestort. Want dat zouden we wel willen weten, ja, of er iets te ontlenen valt aan de geschiedenis van een cultuur die zo nadrukkelijk terugging op een mythe, een droom, een utopie. Die droom moet geduid, want ze heeft ons de denkers en kunstenaars gebracht waar het laatste kwart van de twintigste eeuw koortsachtig voetnoten bij is gaan plaatsen.

Inmiddels heeft Magris het terrein van de Donau-studies verlaten en zijn onderzoek verbreed tot een analyse van het belang van de verbeelding. Dat is geen zuiver historische aangelegenheid, maar zeker ook een filosofische. Als weinig andere intellectuelen is Magris ervan doordrongen dat hij zich daarmee op glad ijs begeeft: hij weet hoezeer het denken over de utopie in discrediet is gebracht, hij heeft weet van de scheve schaats die dromerige en drammerige dichters gereden hebben zodra ze zich met de mogelijke maakbaarheid van de samenleving gingen bemoeien.

Maar moeten ze het daarom opgeven? Magris is er over aan het denken - en het interessante is dat hij, hoewel hij alleen staat in zijn genuanceerde pleidooi voor de verbeelding, zich niet isoleert in zijn studeerkamer; hij is immers ook een ervaren senator, lid van de Italiaanse Eerste Kamer. Het verklaart zijn voorzichtigheid - en het maakt hem tot een van de opwindendste denkers over de vraag of het utopieloze tijdperk op korte termijn een einde zal kennen.

Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met de Volkskrant?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van de Volkskrant rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright @volkskrant.nl.
© 2019 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden