Het ultieme nu

Ze mogen doen wat ze willen, want het enige dat telt, is dat ze gelukkig zijn. Toch zijn veel twintigers angstig en onzeker....

Iedere generatie is ongelukkig op zijn eigen wijze. In het theater dit seizoen betreuren de babyboomers hun vervlogen idealen en zwaarbevochten vrijheden, die nu vooral ongebreideld materialisme lijken te voeden, in bittere komedies als mightysociety7 van Eric de Vroedt en Poeskafee van Gerardjan Rijnders (vanavond in première bij het RO Theater). Hun kinderen, een nieuwe generatie twintigers, staan inmiddels ook op het podium. In minstens even bittere komedies laten ze zien wat de erfenis van hun vrijgevochten ouders hun heeft opgeleverd. Hoe deze ooit belangrijk lijkende idealen niet per se ook het geluk van een jongere generatie inhielden.

In Late avond idealen van Sanne Vogel (1984) bijvoorbeeld, waarin de theatermaakster ‘een generatie die van alles vindt, maar weinig doet’ opvoert.

De Vlaamse Casper Vandeputte (1985) maakte onlangs bij Het Huis van Bourgondië de voorstelling Oh my God, it’s a horse, waarin hij zich afvroeg of de vruchten die zijn leeftijdsgenoten plukken van de ontkerkelijking en ‘het geloof in een eigen zelf’ wel zo zoet zijn.

Toneelgroep Oostpool speelt nu de poëtische theatertekst Er moet licht zijn van Hannah van Wieringen (1982) over vijf jonge mensen die hun zorgeloze feestgedrag onder de loep leggen. En schrijfster en journaliste Hanna Bervoets (1984) maakt later dit seizoen bij het Haagse groepje Firma Mes haar toneeldebuut met de tekst Roes, over een door roem geobsedeerde YouTube-generatie die jong is en wat wil. Maar wat wil ze dan?

Feesten, zo blijkt uit deze voorstellingen. Het uitgangspunt van een groot deel ervan is hetzelfde: een hechte vriendengroep maakt zich op, bevindt zich midden in, of ligt bij te komen van een intens festijn. Dat kan een verkleedfeest zijn, een modeshow of een nachtclub. Als je er maar kan dansen en drinken.

‘Op de dansvloer creëert iedereen zijn eigen identiteit’, zegt Hanna Bervoets. In Roes bezoeken personages Aya, Bo en Venus een club. ‘Ze verkeren de hele nacht in een Alice in Wonderland-achtige roes, waarin ze fantasiefiguren ontmoeten die hen met zichzelf confronteren. Alle drie weten ze niet wat ze willen in het leven. Dit maakt hen angstig en onzeker. Maar deze angst is tegelijkertijd het enige dat hen bindt.’

Ze vertelt dat de pas afgestuurde acteurs van Firma Mes (onder andere Daan van Dijsseldonk en Roos Eijmers) een voorstelling over ‘het ultieme nu’ wilden spelen. Al gauw kwamen ze toen bij haar uit. Met als uitgangspunt een artikel in het Volkskrant Magazine, ‘Wat zijn wij eigenlijk ontzettend leuk’ over de M.U.L.T.I.S.E.X.I.-feesten in de Amsterdamse nachtclub Studio 80, schreef ze toen Roes, haar eerste toneeltekst. ‘Denk: Gimmick van Joost Zwagerman meets David Lynch meets Alice-in-Wonderland-on-acid.’

Het vele uitgaan van haar personages noemt ze geen vlucht, maar juist een zoektocht naar wie ze zijn. Tijdens de roes wordt duidelijk dat in ieder van hen iets paradoxaals schuilt. Ze verduidelijkt: ‘Kunstenaar Bo maakt kunst waarmee hij iets wil zeggen. Maar eigenlijk heeft hij helemaal niets te zeggen. Zelfverklaard superster Aya probeert beroemd te worden via Internet (met Lady Gaga als idool), maar ze weet niet wie ze is. En Venus werkt in een café, maar als iemand haar vraagt wat ze doet, zegt ze dat ze ‘eigenlijk’ singer-songwriter is. Ze is het cliché van de Twijfelende Twintiger. Uiteindelijk moeten de personages zich met deze tegenstellingen zien te verzoenen. Het zijn problemen waar ik leeftijdgenoten mee zie worstelen: keuzestress, een hang naar roem en de bijbehorende faalangst.’

Niet iedereen is zo negatief. Onderzoekers Jeroen Boschma en Inez Groen schetsen in hun boek Generatie Einstein, slimmer, sneller en socialer (2006) een ander beeld. Deze generatie Einstein, geboren in de jaren tachtig en opgegroeid na de val van de Berlijnse muur, doorziet volgens hen kapitalisme en commercie (vandaar het ‘slimmer’ in de titel), gebruikt moderne communicatiemiddelen en multimedia zonder aarzelen (vandaar sneller) en onderhoudt met gemak grote netwerken, waardoor ze veel minder individualistisch leeft dan hun ouders die vooral bezig waren ‘zichzelf’ te ontdekken (socialer). Ze is opgegroeid met de vanzelfsprekende aanwezigheid van een prima verzorgingstaat, geen gebrek aan geld en veiligheid. Religie en rebellie zijn een keuze. Alles is mogelijk.

De theatermakers vragen zich in hun werk af hoe blij we met die uitkomst moeten zijn. Volgens hen lopen al deze hedendaagse Einsteinen juist rond met een groot schuldgevoel over een gebrek aan liefde en geluk in een wereld die er juist voor gemaakt lijkt te zijn om daar ongelimiteerd in te voorzien. In hun zwartkomische voorstellingen laten ze een tobbende generatie zien, op zoek naar idealen en liefde.

In Hannah van Wieringens Er moet licht zijn vragen de jonge personages, een vriendengroep, zich af wat hen bindt. Van Wieringen: ‘Ze gaan al jaren naar feestjes. Ze leven maar door. Maar als een van hen zich openlijk afvraagt waarom het eigenlijk zo vanzelfsprekend is dat ze iedere keer weer samenkomen om naar een of ander verkleedfeest te gaan, staan de anderen erbij en kijken ernaar.’

In de voorstelling van Oostpool, geregisseerd door Marcus Azzini, balanceren de vijf acteurs (onder andere Sanne den Hartogh en Maria Kraakman) op een speelvloer van duizenden wijnflessen. Het verbeeldt de onzekerheid waarmee ze in het leven staan. En dat ze flink aangeschoten zijn. Hoofdpersoon Sanne wordt op een namiddag wakker om zich te realiseren dat zijn buitensporige feestgedrag niks heeft bijgedragen aan zijn leven. Hij dwingt zichzelf en zijn vrienden tot introspectie.

‘Dat is ouder worden,’ zegt Van Wieringen. ‘Sanne realiseert zich dat hij alleen maar voor zichzelf heeft geleefd. Hij wil graag geloven in iets dat groter is dan zichzelf. Dat verklaart Er moet licht zijn. Licht staat voor iets om aan te hangen of in te geloven. De vraag is dan: waarin? Nu de kerk is verdwenen.’

Ze denkt dat iedere twintiger op een gegeven moment te maken krijgt met het besef dat hij of zij nergens in gelooft, niet alleen twintigers van nu. ‘Alle mensen die jong zijn bekijken hun leven en realiseren zich dat het niet van waarde is, of wat ze zich ervan hadden voorgesteld. Dat is normaal. Dat omslagpunt, van jeugd naar volwassenheid, probeer ik te schetsen.’

Liefde, dat is volgens haar het antwoord. ‘Alleen maken velen daarin een tragische denkfout. Veel mensen denken dat liefde een Hallmark kaartje is, heel eenvoudig te verkrijgen en als het niet lukt, kan je weer snel iemand anders vinden. Het gaat hen om het plaatje dat bij liefde hoort, met de rozen en andere clichébeelden. Dat is een egoïstisch idee van liefde dat niet over de ander gaat, maar puur over mij, over hoe mijn plaatje eruit ziet.’

Dat is volgens de schrijfster wel iets wat bij de hedendaagse jongeren hoort. ‘Duurzame liefde is schaars in onze generatie. Want al het andere is zo makkelijk te verkrijgen. Er moet licht zijn gaat over bezieling, enthousiast worden omdat je ergens moeite voor moet doen. Sanne ziet in dat die bezieling afwezig is in zijn leven en dat van zijn vrienden.’

‘Voor ons is alles mogelijk en iedereen altijd bereikbaar,’ zegt ook theatermaakster Sanne Vogel voor aanvang van een repetitie van haar voorstelling Late avond idealen. ‘We wonen in huizen met ingebouwde stoomovens. Als ik iemand bel of mail en die persoon antwoordt me niet binnen een dag, kan ik ervan uitgaan dat die mij negeert.’

‘Onze generatie heeft last van te veel kunnen kiezen. Ik merk het zelf, ik voel me overwerkt. Ik kan geen nee zeggen tegen leuke projecten: tv, theater of film. Dat gevoel wil ik ook in deze voorstelling terug laten komen. Daarom wil ik dat het publiek overgoten wordt met beelden, mogelijkheden en loze gesprekken.’

Late avond idealen is volgens Vogel ‘een glossy voorstelling.’ Het publiek zit net als bij een modeshow aan weerszijden van een soort catwalk. Daarop etaleren de acteurs (onder ander Wouter Zweers, Terence Schreurs en Georgina Verbaan) een keur aan teksten, verhalen, liedjes en dansnummers. Het moet ook hier een feestje worden. Naast Vogel zelf, hebben schrijvers als Don Duyns en Arjen Lubach, maar ook de acteurs nieuwe teksten aangeleverd.

‘Het is een montagevoorstelling over het idealisme van mijn generatie, of althans een deel daarvan: de acteurs, theatermakers en creatievelingen waartussen ik me bevind. Wat ik herkende, was dat we overdag allemaal idealen hebben – over dieren, het milieu of de liefde – maar kom je ’s nachts met zijn allen van een feest en alleen de McDonald’s is nog open, dan hoor je daar even niemand meer over.’

Tijdens het maken van de voorstelling liep ze al gauw op tegen enkele gewetensbezwaren. ‘Hoeveel arme kinderen kun je niet te eten geven van al dat subsidiegeld? Daarnaast gebruiken we het goedkoopste en dus minst duurzame hout dat er is, zodat we een groot decor kunnen bouwen. Op het toneel staat een boom, een symbool voor de duurzaamheid die we proberen na te streven. Maar dat ding is aan de binnenkant helemaal van een type plastic dat ontzettend slecht schijnt te zijn voor het milieu. Als je dat weet, lijkt wat we doen zo onzinnig.’

‘Of neem oorlog. Wat kan je erover zeggen als je het nog nooit van dichtbij hebt meegemaakt? We doen een monoloogje over de Tweede Wereldoorlog en iemand roept over snoeiharde muziek dat we eigenlijk naar Palestina moeten gaan om daar vrede te stichten. Dan doen we weer een dansje.’

Door alle tegenstrijdigheden en twijfels in de voorstelling te benoemen, is deze minder feestelijk uitgevallen dan ze in eerste instantie voor ogen had. Maar het is de enige manier waarop ze Late avond idealen had kunnen maken. ‘Uiteindelijk maak ik de voorstelling omdat ik dat leuk vind. Dat is egoïstisch, ja, maar anders kan je niks meer doen. Ik ben blij dat ik een geweten heb en geen bontjas kan dragen, maar ik ga wel met de auto naar de sportschool om te sporten in een warmtecabine. Dat doe ik omdat ik vind dat ik daar recht op heb. En ik hang mijn hele huis vol met spaarlampen, maar die laat ik heel de nacht aan omdat mijn cavia anders zo zielig in het donker zit. Over dat soort tegenstellingen denk ik vaak na. Tegelijk word ik er verdrietig van. Ik dacht dat deze voorstelling een feestje zou worden, maar het lijkt nu soms meer op een verdrietige afterparty.’

Toch is het absoluut geen veroordeling van haar hele generatie. ‘Ik ben daar maar een klein onderdeel van. Mensen die bij de Hema werken ken ik niet. Ik ken alleen een klein groepje dat artistiek is of kan nadenken. Daarover gaat het.’

Ook Bervoets benadrukt dat de meeste twintigers in Nederland waarschijnlijk een totaal ander leven leiden dan de jongeren in haar tekst. ‘Ik bevind me nu eenmaal in een Randstedelijk subcultuurtje. Iemand van 25 die op zijn zeventiende het MBO heeft afgerond, nu al vijf jaar manager van een winkel is en een vrouw en twee kinderen te onderhouden heeft, denkt bij het zien van dit stuk waarschijnlijk: Wat de fuck, waar gáát dit over?’

Maar luxeproblemen zijn ook problemen, vindt Bervoets. Juist het besef dat we ons alleen maar druk hoeven te maken om een luxeprobleem, zadelt ons op met dat schuldgevoel. Om haar heen ziet ze verschillende mensen die met de zogenaamde ‘twintigersdip’ kampen en zelf wordt ze ook nog wel eens overvallen door fundamentele twijfels.

‘We mogen doen wat we willen, want het enige dat telt, is dat we gelukkig zijn, aldus onze ouders. Toch zijn veel twintigers angstig en onzeker. Want wie er ondanks de onbeperkte mogelijkheden niet in slaagt zichzelf gelukkig te maken, heeft gefaald. Wie ongelukkig is, heeft zijn opties immers niet goed benut. Maar welke keuze leidt uiteindelijk tot een lang en gelukkig leven?’

Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met de Volkskrant?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van de Volkskrant rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@volkskrant.nl.