Het uitgestrekt niemandsloze

De dichter Henk van der Waal (1960) roept in zijn vierde bundel Vreemdgang de huivering op die je bevangt wanneer je in een afgrond staart....

Piet Gerbrandy

Nu de Maand van de Filosofie is gewijd aan ‘het redelijke beest’, wordt er overal in den lande gediscussieerd over de vraag in hoeverre wij ons van het dier onderscheiden. Het idee dat we slechts aan de oppervlakte beschaafde en rationele wezens zijn die in feite door nauwelijks beheersbare instincten worden aangedreven, is de belangrijkste verworvenheid van de Romantiek.

De gedachte werd uitgewerkt door Schopenhauer, Nietzsche en Freud en is de afgelopen eeuw in menige oorlog proefondervindelijk onderbouwd.

Maar het is nog erger. De mens is niet alleen een beest, hij is in de eerste plaats materie, een bundeling moleculen die domweg hun eigen gang gaan. We verschillen slechts gradueel van water en steen. Diep in ons schuilt het Andere: de dood. Het bewustzijn is een wankele brug boven een gapende afgrond.

Henk van der Waal (1960) weet als geen ander de huivering op te roepen die je bevangt wanneer je vanaf dat bruggetje in de zwijgende diepte staart. Evenals zijn voorgangers is Vreemdgang een door filosofie en mystiek aangeraakte bundel, waarin de dichter lange zinnen vol abstracties aaneenrijgt en tastenderwijs probeert iets onuitsprekelijks te benaderen, iets wat ons dermate vreemd is, dat het zich aan alle taal onttrekt.

Van der Waals meanderende zinnen zijn op zoek naar de grond van de taal, van het lichaam, van de wereld.

De titel Vreemdgang roept in eerste instantie de troebele sfeer van overspel en pijnlijke scheidingen op. Inderdaad begint de bundel met gedichten waarin het mislukken van een liefde genadeloos wordt blootgelegd: ‘je wilde de wetten van de liefde te slim af zijn/ met je theorieën over vrijheid en godgemutste/ barmhartigheid (...), maar je mooie woorden van toen laten zich niet/ meer wegduwen in hun geschiedenis’. De geliefde is wispelturig gebleken, haar oogopslag vond ze ‘aan jou niet besteed’ en de ‘rijkdom van haar vlees’ heeft ‘jou niet als bestemming’.

Dat klinkt aards en herkenbaar. In zijn keiharde zelfanalyse daalt de spreker echter steeds dieper af in de krochten van zijn ziel, waar hij uiteindelijk een unheimliche leegte aantreft. Wanneer je je hebt teruggetrokken in eenzaamheid, wanneer je al je taal en denken hebt afgelegd, wat blijft er dan nog over? Niets anders dan ‘je bodem’, het ‘uitgestrekt niemandsloze’, het ‘intiemste bezoekselte’, een ‘vervloekte oorspronkelijkheid’.

Het is een puur materiële, onpersoonlijke basis van aanwezigheid, die vreemd genoeg ook een bron van vrijheid kan zijn, ‘de rest waarin je bent en waarin/ tot je stomme verbazing gift ligt opgeslagen,/ vrijheid, ruimte’.

Wie niets is dan zijn lichaam, is in staat de wereld als nieuw te ervaren, zonder de vertekenende filters van door de zogenaamde beschaving aangereikte concepten. Je bent nog slechts ‘een stolsel (. . .) om de toedrijfsels van/ komsels’. Het is de kunst om ‘de grammatica die je/ als een fort om je wereld hebt gebouwd af te/ breken en uit te lachen’, zodat je weer ontvankelijk wordt voor de wereld zoals ze is. Daarmee is de tweede betekenis van ‘vreemdgang’ gegeven: je moet je vervreemden van jezelf om het leven, en de dood daarin, te leren accepteren.

Met dat doel vervormt Van der Waal de taal tot een raar gereedschap in de hoop dat het bruikbaar wordt om vastgeroeste denkkaders open te breken. Zijn eigenzinnig idioom doet hier en daar denken aan dat van Heidegger, met het bijbehorende nadeel dat je soms de indruk krijgt dat de woorden niet zozeer een bestaande wereld exploreren, als wel een universum scheppen dat geheel los staat van de realiteit. Dat kan natuurlijk ook een voordeel zijn.

Een van de middelen die Van der Waal inzet, nu al vier bundels lang, is de zelfstandige présence, om met Faverey te spreken, van de bladspiegel. De gedichten zijn objecten die door hun visuele ritme een zekere ongenaakbaarheid uitstralen: ze zijn er, en dat is misschien nog belangrijker dan dat ze ook van alles kunnen betekenen.

Wie Van der Waal in zijn vreemdgang tracht te volgen, beseft na enige tijd ‘niet van zich te zijn’. Je bent een ding, een ding dat gelezen kan worden. Piet Gerbrandy

Wilt u belangrijke informatie delen met de Volkskrant?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van de Volkskrant rust uiteraard copyright.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright @volkskrant.nl.
© 2022 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden