Het tweede gezicht van de 19de eeuw

Mede dankzij nieuwe materialen, technieken, procédés en een rijker arsenaal aan stilistische middelen heeft de kunst kans gezien zich blijvend te ontwikkelen. Tegen alle voorspellingen in. Zoals die van Arthur Danto, die schreef over het einde van de kunst, en ondanks het idee van anything goes dat het postmodernisme uitdroeg.

Het begin van dit evolutie-denken ligt in de 18de eeuw. Maar algemeen wordt (ook door Doorman) de 19de eeuw gezien als dé eeuw van de vooruitgang. Of op zijn minst van de verandering. Al was het alleen al door het rijtje van de bekende technische innovaties: stoommachine, trein, elektriciteit, fotografie.De eeuw geldt ook als bakermat voor de modernistische vooruitgang in de kunst, bijvoorbeeld door het ontstaan van diverse avant-gardistische groeperingen, zoals Realisme, Impressionisme en Post-Impressionisme.

Over die eeuw heeft het Centraal Museum in Utrecht nu de tentoonstelling Alles werd anders. Nederlandse schilder- en beeldhouwkunst uit de 19de eeuw gemaakt. Een titel die probeert aan te sluiten op datgene wat Doorman had geschreven, en het beeld dat er van de 19de eeuw bestaat – als een honderd jaar durend festijn van dynamiek, optimisme en vernieuwing.

Dat beeld komt redelijk overeen met wat er aan de muren van het Utrechtse museum hangt: de eeuw van vernieuwers als Manet, Monet, Pissarro, Delacroix, Courbet en Cézanne heeft zijn sporen in de Nederlandse kunst achtergelaten. Zeker onder de schilders, hoewel minder uitgesproken dan hun Franse collega’s. Maar toch, ook bij Jan Sluijters en Jongkind regeren de losse schildertoets en het joviale verfgebruik. Zoals bij Jan Toorop, Jacob Maris en Hendrik Weissenbruch het oog voor licht en een romantisch natuurgevoel leefde. Of zoals bij George Hendrik Breitner en Isaac Israëls de eigentijdse stadsgezichten (met stoomcarrousel en paardentram) te zien zijn.

Het bijzondere van de expositie in Utrecht is dat ze ook een overzicht geeft van wat er níet veranderde in de 19de-eeuwse Nederlandse kunst. Die zogenaamde glorieuze eeuw die theoretisch eindigde op 31 december 1899, maar in praktijk met het begin van de Eerste Wereldoorlog.

Die lange honderd jaar dus, waarin Europese landen hun nationale grenzen trokken, ook in Afrika en Azië. Meer dan tien decennia van vaderlandgevoel en patriottisme, die buiten imperialisme ook een nationaal kunstgevoel opriepen. Met als belangrijkste bewijs de oprichting, in iedere westerse hoofdstad, van een rijksmuseum waarin de trots der natie werd opgehangen.

In het Parijse Louvre Guericault en Ingres; in de Londense National Gallery Reynolds en Gainsborough; in het Amsterdamse Rijksmuseum Rembrandt, Hals en Vermeer.

Kortom, een rare eeuw, waarvoor ook een ander lijstje karakteristieken is op te stellen: armoede, proletariaat, massaproductie, luchtvervuiling. Voor sommigen een verbetering; voor menigeen enkel een teleurstelling. Een gespleten periode vanwege de mengeling van immense versnellingen en ultraconservatieve remmingen, van avant-garde en conventionaliteit.

Ook in de kunst, hoewel daar doorgaans maar weinig aandacht aan wordt besteed. Omdat het niet past in onze perceptie: we willen zien dat de kunst voorwaarts gaat, vernieuwend is en grenzen verlegt. Kunstenaars moeten beantwoorden aan de eis dat ze de allerindividueelste expressie van de allerindividueelste gedachte geven. Terwijl er in 19de eeuw even veel stilstand en teruggang was, middelmaat en conservatisme.

De aandacht voor de losse, impressionistische verftoets en het oog voor de alledaagse werkelijkheid, heeft een groot gedeelte van de kunstproductie uitgegumd. Want niet ‘alles werd anders’ – veel bleef gewoon hetzelfde.

Die aandachtsverschuiving binnen de 19de-eeuwse kunst is al enkele jaren bezig. Het Centraal Museum voegt er nu weer een aantal nieuwe bewijzen aan toe. De frivole, een tikkeltje ondeugende beeldjes van een man en een vrouw in rococo-kostuum, van Louis Gossin, en de patriottische, gipsen student in uniform van Johannes Rijnbout. Sentimentele beeldhouwkunst, waarvan er waarschijnlijk veel is geproduceerd.

Net als de schilderijen die de voorname burgerij in hun voordeligste voorkomen wilden laten zien. Zoals de portretten van Frans Bouirkart, Jan Adam Kruseman en Jacob Spoel. Onderdanig geschilderd, zonder elan of bravoure, maar om de opdrachtgever te plezieren – wat op zich ook een legitieme reden is.

Lelijk, maar sociologisch interessant.

Alles werd anders. Nederlandse schilder- en beeldhouwkunst uit de 19de eeuw. Centraal Museum, Utrecht. Tot en met 28 augustus. www.centraalmuseum.nl.

Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met de Volkskrant?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van de Volkskrant rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright @volkskrant.nl.
© 2021 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden