het toeval en de grootmeester

Ook Rembrandt moest aan de wetten van de markt voldoen. In de werkplaats van Hendrick Uylenburgh produceerde hij in snelheid zijn schilderijen....

‘Fris, clouck en wel te pas’ was Rembrandt op 26 juli 1632. Althans, volgens een notaris die hem in Amsterdam opzocht. Rembrandt, onze hedendaagse held, was het ermee eens: ‘Ik ben Godtlof in goede dispositie en wel te pas.’

Daar doe je het dan mee als historicus. Eén klein berichtje, opgetekend op een ochtend of misschien middag. Schijnbaar argeloos. Maar het geeft aardig wat informatie, en dus kan het als een puzzelstukje naast de paar andere documenten over de schilder geplaatst worden.

Aan de hand van dit bericht, dat nu in het Amsterdamse gemeentearchief ligt, weten we dat Rembrandt toen bij de kunsthandelaar Hendrick Uylenburgh verbleef, of tijdelijk woonde. Een klein meisje deed de deur open voor de notaris, staat erin – waarschijnlijk de oudste dochter van de handelaar. De schilder werd van zijn werk gehaald – hij was dus bij Uylenburgh aan het werk – zodat de notaris en zijn twee getuigen konden zien dat hij inderdaad in goede gezondheid was. Een Leidse burger had hen gezonden, om dit zeker te stellen.

De geschiedenis rondom Rembrandt is een stuk minder zichtbaar dan zijn kunstwerken. Over zijn persoonlijk leven wordt genoeg gespeculeerd in romans en bijvoorbeeld Rembrandt de musical. De gevoelens en het liefdesleven van een briljant kunstenaar spreken tot de verbeelding. Maar cruciaal voor een begrip van zijn schilderijen is ook de context waarin ze tot stand zijn gekomen.

De omstandigheden die Rembrandts kunst mogelijk maakten, komen vaker in de aandacht in tentoonstellingen. Zoals nu in Uylenburgh & zoon, met de ondertitel kunst en commercie van Rembrandt tot De Lairesse 1625-1675 in het Rembrandthuis in Amsterdam, waarin te zien is dat Rembrandt ook een gewoon mens was die zijn boterham moest verdienen, en aan een vraag voldeed.

De tentoonstelling is onderdeel van het Rembrandtjaar-programma, maar aan de titel, waarin de magische naam van de schilder ontbreekt, is al te zien: Rembrandt is niet de vedette die hij doorgaans is, in deze tentoonstelling. De hoofdpersoon is de handelaar die hem aan zijn netwerk hielp.

Hendrick Uylenburgh maakte als eerste kunsthandelaar in Nederland zijn winkel ook tot een werkplaats voor schilders die hij vertegenwoordigde. Een productiehuis dus, zoals eigenlijk alleen bekend van toegepaste kunst, bij zilversmeden bijvoorbeeld en tegenwoordig bij design. Rembrandt was zijn eerste, en tot het einde van de werkplaats beste schilder. Het was handig voor beiden: Uylenburgh vestigde er zijn naam mee, uiteindelijk als belangrijkste kunsthandelaar in de Gouden Eeuw. De werkplaats bestond, later voortgezet door zijn zoon, vijftig jaar. En Rembrandt, die net uit Leiden kwam, had de werkplaats nodig omdat hij minstens twee jaar actief moest zijn in de stad als schilder, om tot het schildersgilde toe te kunnen treden.

Rembrandt kreeg door Uylenburgh in één klap een enorme kring opdrachtgevers; van de honderd portretten die hij in zijn carrière maakte, schilderde hij de helft in de vier jaar dat hij bij Uylenburgh werkte, van 1631 tot 1635. Allemaal vrindjes van de handelaar, het merendeel geloofsgenoten.

Het is enerzijds ontnuchterend. Rembrandt als een werkplaatsarbeider. Zijn unieke schilderijen, die wij nu ‘om de kunst’ bewonderen in musea, werden in snelheid geproduceerd. Zijn baas spoort hem aan; de klanten wachten. Rembrandt draaide gewoon productie – een hulpje van de fietsenmaker doet niet veel anders. Om aan klanten te komen moest hij een netwerk opbouwen en daar had hij de juiste ingangen voor nodig. Uylenburgh was de beste ingang. Hij was al bekend en was doopsgezind – en doopsgezinden stonden erom bekend ook in het zakelijk verkeer elkaar op te zoeken. Kwestie van de juiste beschermheer en de juiste assistenten uitkiezen. Business as usual. Niet heel veel anders dan nu, op veel terreinen.

Maar de tentoonstelling gaat ook over een soort ondernemerschap dat in de kunst voor de Gouden Eeuw niet bestond en ook daarna weinig is voorgekomen. Dat ondernemerschap werd als beste uitgevoerd door Hendrick Uylenburgh. In de Middeleeuwen bestonden er werkplaatsen – maar die werden geleid door de belangrijkste schilder, niet door een vertegenwoordiger. En er was geen vrije markt voor schilderijen.

De kunstmarkt groeide enorm in de eerste decennia van de 17de eeuw – opdrachtgevers genoeg in Holland. Naast kunst-in-opdracht kwam er een nieuwe markt van schilderijen voor losse verkoop. Kunst die al klaarstond in werkplaatsen en ateliers om verkocht te worden aan wie langskwam. Stillevens, landschappen en genreschilderijen waren makkelijk van te voren te maken.

Uylenburgh speelde handig op die groeiende vraag in. Hij had als ‘factor’ gewerkt voor de Poolse koning, voor wie hij ook kunst verzamelde – vier ‘portretten’ van apostelen, geschilderd door Anthonie van Dyck, die Uylenburgh aankocht in Antwerpen, zijn op de tentoonstelling te zien. Hij wist wat opdrachtgevers wilden, en hoe aan de vraag te voldoen. Portretten illustreren in de tentoonstelling de ijdelheid van de nieuwe Amsterdamse koopmannen en -vrouwen. Die maten zich soms door hun enorme rijkdom de status van royals aan: ze lieten zich levensgroot, soms ten voeten uit, portretteren om indruk te maken op bezoekers en klanten. Op afbeeldingen van werkplaatsen staan liefhebbers met elkaar over kunst te praten, zitten jonge leerlingen aan een pers te sjorren en materialen te bereiden.

Dat Rembrandt Uylenburghs grote succes was, is te zien aan de vele schilderijen van schilders die in de werkplaats in de stijl van Rembrandt probeerden te schilderen. Hoe minder van ‘echt’ te onderscheiden, hoe beter. Govert Flinck en minder bekende kunstenaars werden door de handelaar aangemoedigd om Rembrandts stijl na te schilderen.

Pas toen Uylenburghs zoon Gerrit de boel overnam, midden jaren vijftig, sloeg de smaak om. Het einde van de tentoonstelling hangt vol goed verkoopbare bloemstillevens en classicistische tafereeltjes. Gerrits verdienste lag in de stap die hij naar een buitenlands publiek maakte. Met als belangrijkste compagnon Sir Peter Lely, een Hollandse schilder die naar Engeland trok om, net als Van Dyck, aan het hof te schilderen.

Dat Rembrandt nog eens met Lely, Van Dyck, Flinck, een paar vege Italiaanse schilders, beelden uit de klassieke oudheid en vele ‘mindere goden’ op één tentoonstelling te zien zou zijn, is stilistisch nogal onlogisch. Het kon alleen door de handelaar en werkplaats die deze kunstwerken verbindt.

Het uitgebreide Rembrandt-onderzoek van de afgelopen decennia leidde er al vaker toe dat ook de omstandigheden die zijn kunstenaarschap in de Gouden Eeuw mogelijk maakten, werden bestudeerd. Met Rembrandt als een soort eervol ‘excuus’ richt de wetenschap zich bijvoorbeeld op contacten tussen de verschillende religies in die tijd, op kunstliefhebbers, op de kunstmarkt en contemporain kennerschap, op kostuumvoorschriften en etiketten.

Dat was ook wel eerder zichtbaar in tentoonstellingen en hun catalogi, zoals Rembrandt Zelf, Rembrandts Women, en Rembrandt, zoektocht van een genie staan wetenschappelijke artikelen over onderwerpen die verder gaan dan alleen de stijl en techniek van het werk van de schilder.

Maar Uylenburgh & zoon gaat nog een stap verder. Want Rembrandt speelt niet meer de hoofdrol. Door de schilder nadrukkelijk als klein onderdeel in een groter historisch verhaal te presenteren, wordt hij niet alleen een stuk menselijker, maar krijgt de bezoeker ook begrip van de bredere maatschappelijke situatie die nodig was voor Rembrandt om te kunnen komen tot wat hij is geworden. Het toeval van de geschiedenis.

De tentoonstelling past daarmee in een lijn van aandachtspunten die in de kunstwetenschap al een tijdje spelen: die voor de kunstliefhebber uit de Gouden Eeuw, voor opdrachtgevers en voor de kunstmarkt. Onderzoekers als Ernst van de Wetering, Michael Montias en de historici Isabella van Eeghen en Sebastiaan Dudok van Heel brachten die terreinen aan het licht, en jonge wetenschappers op de universiteiten zijn hun werk nu aan het voortzetten. Wie was de opdrachtgever, wat wist hij van kunst en hoe beïnvloedde de economie het aanbod? Het onderzoek naar Uylenburghs werkplaats van conservator Jaap van der Veen sluit daarbij aan.

Dat het museum ook de vertaling van het doorkliefde en op sommige punten gortdroge documentonderzoek heeft kunnen maken naar een tentoonstelling met een heldere verhalende structuur, is alleen al meer dan de moeite van het bezoek waard. Er hadden misschien meer documenten bij gekund in de opstelling, want dat werkt, met een goede uitleg erbij, toch goed – alsof je even door een sleutelgat naar het verleden kijkt. Zoals het vriendenboek waarin Rembrandt ‘Een vroom gemoet / acht eer voor goet’ (wie vroom is hecht meer aan eer dan aan goederen) krabbelde, naast zijn handtekening en een snel portretje van een man met baard. Maar het op zich al historische Rembrandthuis stelt zo zijn eisen aan tentoonstellingen wat betreft ruimte en dat leidde ongetwijfeld tot een selectie die meer plaats bood aan kunst dan aan archiefmateriaal. Uylenburgh, is na het zien van de tentoonstelling, tot verbeelding gekomen. Nu krijgt híj in een klap een groot bereik door Rembrandt, in plaats van andersom, destijds. Het gros van het publiek zal immers hiervoor hooguit van zijn naam hebben gehoord door zijn nicht, Saskia, die Rembrandt in 1634 trouwde.

Eén bijkomstigheid van de tentoonstelling was misschien voorspelbaar, maar is toch opmerkelijk: wat je ook aan de context doet, Rembrandts meesterschap torent boven alles uit. Al is hij nog zo gemarginaliseerd: loop door de tentoonstelling zonder naar de tekstbordjes te kijken en je ogen blijven geheid kleven aan Agatha Bas. Niemand kon een mens zo portretteren als Rembrandt. Met haar hand leunend op een imaginaire schilderijlijst en een blik die het dédain van een machtige koopmansvrouw niet verhult, kijkt ze je aan en zorgt dat je niet weg kan. Niet voordat je je afvraagt hoe Rembrandt in hemelsnaam dat doorzichtige, pluizige haar heeft geschilderd, die juwelen en die couperoseadertjes op haar rechterwang.

Dat de koningin van Engeland dit schilderij heeft willen uitlenen, geeft de tentoonstelling de draagkracht die het nodig heeft om het verhaal van Uylenburghs succes te kúnnen vertellen. Net als de enorme Man in oosterse dracht uit het Metropolitan Museum. Het zal voor iedereen zichtbaar zijn dat dit kunstwerken zijn met een grote zelfstandigheid. Maar bovenop hun ‘aura’ krijgen zelfs die kunstwerken een nieuwe betekenis, geplaatst in een verhaal over de context waarin ze ontstonden.

Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met de Volkskrant?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van de Volkskrant rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright @volkskrant.nl.
© 2020 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden