Het theeuurtje als oase van gezelligheid Peter Tuinman speelt resident Van Oudijck in 'De stille kracht'

Als Peter Tuinman door Den Haag wandelt, bespeurt hij er iets van het 'onbenoembare' dat ook rondspookt in de boeken van Louis Couperus....

EÉN KEER klinkt er gepiep uit het leren koffertje naast zijn stoel. 'Mag ik even opnemen?' En met een volle, sonore stem waar het schaarse cafépubliek wel naar móet luisteren staat hij een onbekende te woord. Peter Tuinman (49) is acteur, maar oogt als een succesvol zakenman, op zijn gemak, goed in het pak. Natuurlijk, hij vindt het ook malle dingen, die telefoons. In de eerste-klascoupé van de trein is het net 'portable paradise'. Het ding komt hem wel van pas, hij leidt een hectisch bestaan. Net daverde hij nog rond met een filmploeg (in de politieserie Unit 13 is hij inspecteur Talsma), terwijl hij nu alweer op het toneel staat als resident Van Oudijck in De stille kracht, naar de roman van Couperus.

'Ik wil het allemaal blijven combineren', zegt hij. 'Als je lang filmt, dreig je de spanningsboog te verliezen. Dat merk ik nu tijdens de repetities. Ik moet weer wennen aan een chronologische lijn. Film is veel brokkeliger, per shot moet je je concentratie zien vast te houden. Ik werk adequaat en stressbestendig, dat komt me bij film goed van pas. Maar na de ketelmuziek en de ruis van zo'n televisieserie wil ik weer even terug naar de basis.'

Een noemenswaardige opleiding heeft hij niet, 'ik leer door heel veel te doen'. Inmiddels is hij een drukbezet acteur, sinds zes jaar freelance. 'Ik ben er de man niet naar om me lang te binden, dan krijg ik het benauwd. Na anderhalf jaar bij het Nationale Toneel vroeg ik me af wat er buiten dat gebouw gebeurde. Ik word ongedurig als ze me te lang op een plek vastpinnen. Op grote spoorwegstations heb ik altijd de neiging een trein in te springen, ik blijf benieuwd waar ze heen gaan. Als ik langs Schiphol rijd, moet ik steeds weer de wens onderdrukken om af te slaan en in een willekeurig vliegtuig te stappen.'

Hij werd geboren in Twijzel, een dorpje in Friesland, en zijn noordelijke tongval is nog steeds hoorbaar. Nu mag het, resident Van Oudijck in De Stille Kracht is van oorsprong een plattelander. 'Dan komt het vanzelf sterker naar boven. En zolang het de geloofwaardigheid niet in de weg zit, vind ik het geen bezwaar.' Het verhaal speelt rond de eeuwwisseling in voormalig Nederlands-Indië, waar het in de koloniale gemeenschap zindert van gekonkel en heimelijke liefdesaffaires. Van Oudijck is het schoolvoorbeeld van een patriarch. Hij ligt overhoop met zijn inlandse medebestuurder. Tegenover de westerse zakelijkheid staat de ondoorgrondelijke mystiek van het Oosten. Tijdens het conflict worden de Nederlanders bestookt met tovenarij en gespook.

'Zo'n man vindt de stille kracht, de goena-goena, achterlijk obscurantisme. In plaats van eens te kijken wat hij met zo'n andere cultuur kan, sluit hij zich af. Zelf woon ik nu een paar jaar in Den Haag en als je daar rondloopt, begin je wel iets te begrijpen van het onbenoembare dat in die boeken hangt. Aanvankelijk dacht ik, Couperus? Dan gooi ik hem niet meteen in de vijfde versnelling. Het gevaar bij zo'n stuk is dat je gaat leunen op de hitte van Indië en voortdeint op de literaire kwaliteit. Maar Ton Vorstenbosch heeft scènes geschreven die nauwelijks onderdoen voor de relatie-ellende van Norén. Zo'n familie die al in een verregaande staat van ontbinding verkeert zit toch ''vrolijk'' bij elkaar. Het zijn zombies, niemand wil deugen. En dan roept die Van Oudijck nog dat het theeuurtje zo'n oase van gezelligheid is. Hij zit middenin dat web, blaast die rampen zelf aan, maar hij heeft niets in de gaten. Dat is ook heel komisch. Mensen kunnen op de toppen van hun tragiek behoorlijk lachwekkend zijn.'

Het is zijn debuut in het vrije circuit. 'Er is daar wel het nodige veranderd. Een productie als deze met twintig acteurs zou een paar jaar geleden niet mogelijk zijn geweest. Ik kies op grond van een script of de mentaliteit waarmee een voorstelling wordt gemaakt. Dan maakt het me niet uit of het in het gesubsidieerde of commerciële circuit is. Al is het wel een kenmerk van de commercie dat ze alles wat niet voldoet, meteen laten vallen. En hoe paradoxaal dat ook klinkt, daarom verlang ik toch wel eens naar een gezelschap.'

Het gaat hem voor de wind, zijn agenda is vol. Maar geobsedeerd is hij niet door zijn vak. 'Dramatische collega's die denken dat alles ophoudt als ze niet meer kunnen acteren, dat vind ik grootschalige armoe. Ik steek geen energie in toekomstplannen. Ik pak aan wat op mijn pad komt. Vaak vrij impulsief.' Op de middelbare school wilde hij de topsport in, atletiek. Toen dat niet kon, gooide hij in één klap al zijn toekomstplannen overboord. 'Ik had een summiere hartafwijking. Niets ergs, maar sport op dat niveau leek de artsen niet zo'n goed idee. Dan is het voor mij meteen over.' Hij ging studeren, sociologie, economie. 'Die studie stelde niks voor, het was veel plezier, veel nacht, veel van alles. Ik ging de horeca in, reed vrachtwagens met confectie door heel Nederland en werkte 's avonds als discjockey in een discotheek. Tot ik echt niet meer wist hoe cola smaakte.'

Vervolgens bracht hij het tot chef van een bankfiliaal en speelde in zijn vrije tijd toneel in achterafzaaltjes van plaatselijke cafés. Bij Tryater en later bij de Noorder Compagnie. 'Intussen runde ik dat bankje. Toen ik in 1977 hoorde dat er in Rotterdam een nieuw gezelschap zou komen, ging ik poolshoogte nemen. Ik kwam binnen bij Franz Marijnen, die keek in zijn agenda en zei, het schijnt dat wij een gesprek hebben. Ik geloof dat ik antwoordde, ik heb een retourtje Heerenveen, dus ik kan zo weer terug. Daar is het mee begonnen.'

Marijnen werd zijn eerste en belangrijkste leermeester. Tuinman keek aanvankelijk met verbazing om zich heen naar 'al die gekke mensen'. Wat bond hem zo aan Marijnen dat hij twaalf jaar bij het Rotterdamse gezelschap bleef en nog steeds regelmatig opduikt in zijn voorstellingen? 'We hebben dezelfde mentaliteit. Erop of eronder. Het was niet makkelijk in Rotterdam een nieuw gezelschap van de grond te tillen. De asbakken vlogen regelmatig door de gang. Maar dan keek ik weer naar Franz en dacht, die man heeft gelijk. Hij maakt de juiste keuzen. En ik bleef.' Verder weigert hij die wederzijdse trouw te benoemen. 'Misschien maak je het dan wel kapot. Het is een soort magie.'

De beste herinneringen bewaart hij aan voorstellingen waarin hij uit zijn bol kon gaan. De Revisor in de regie van Marijnen of Ivanov in de regie van Luk Perceval. 'Franz Marijnen kwam kijken en zei, ik heb de indruk dat je hier alles mag doen wat ik je altijd heb verboden.' Danton, vorig jaar in de regie van Theu Boermans, was zo'n productie waar hij met minder plezier op terugkijkt. 'Ik brak mijn voet tijdens de repetities en speelde de première op krukken. De aanloop was niet ideaal. Dat is zo'n voorstelling die schreeuwt om een revanche. De manier van denken van Theu Boermans is mij wel gaan fascineren.'

Het meest domme en frustrerende van het vak vindt hij dat hij nog steeds in het repetitielokaal kan staan en geen idee heeft wat hij met zijn handen moet doen. 'Dat die zinnen er een beetje lullig uitkomen, is te begrijpen. Dat we niet weten waar we precies naar toe moeten lopen, snappen we ook. Maar nee, daar gewoon gaan staan. Dat is zweten. Zulke twijfels laat ik alleen zien als ik denk dat het zin heeft. Vaak wil ik dat niet, dan verberg ik het bewust achter de bekende trucs en clichés.'

In een van zijn meest geprezen filmrollen, in De Dream van Pieter Verhoeff, die hem een Gouden Kalf opleverde, zat een scène die nooit was gerepeteerd. 'De lange toespraak van die man voor de rechtbank wilde Pieter per se in één take opnemen. En verdomd, in één keer kwam die hele stroom emoties naar buiten. Naar dat soort momenten kan ik ontzettend verlangen. Dat alles schijnbaar vanzelf gaat. Daar voelde ik aan den lijve wat ik in andere films zo bewonder. De paranoia van Robert de Niro in Raging Bull, daar heb ik wel tachtig keer naar gekeken. Of het moment dat Donald Sutherland in Don't Look Now zijn dode kind uit het water vist en dat verbijsterende geluid voortbrengt. Zulke momenten kun je niet benoemen, maar ze jakkeren wel je kop uit mekaar.'

Heeft hij zijn theaterliefde van thuis meegekregen? 'Mijn vader was een hoofdonderwijzer die kilometers boeken verslond. Daarnaast schreef en vertaalde hij toneel. Hij is al twaalf jaar dood, maar we hadden een bijzondere verstandhouding, konden over alles praten, tot diep in de nacht. Iedereen was er destijds van overtuigd dat ik op die bank mijn bestemming had gevonden, behalve hij. Pas toen ik koos voor het theater, vond hij dat dat de beste keuze voor mij was. Hij kwam altijd kijken, ondernam elke keer de rit van Drachten naar Rotterdam.'

Is hij zelf vader? 'Mijn zoon heeft vanavond première. Hij speelt koning Herodes op school. Natuurlijk ga ik er heen. Maar in dit asociale, egocentrische vak doe ik hem vaak tekort. Dat krijg ik later beslist op mijn boterham. En geef hem eens ongelijk. Als ik niet oppas heeft hij later alleen in de krant gelezen hoeveel ik van hem hou. Stel je voor dat hij zegt, pap, nu gaan wij met een bandrecordertje in Américain zitten. Dan leg je het mij allemaal eens uit.'

De Stille Kracht in de regie van Mette Bouhuys. 7 januari in Stadsschouwburg, IJmuiden. Tournee tot en met 12 juni.

Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met de Volkskrant?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van de Volkskrant rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@volkskrant.nl.