Het schrijversgraf uit de vergetelheid

Nieuw fonds voor onderhoud en herstel van graven met schrijvers en dichters moet tevens het naar willekeur ruimen tegengaan. ‘Dit behoort tot ons cultureel erfgoed.’..

Het manshoge monument met aan weerszijden spitstorentjes laat ondanks omhoog kruipend mos geen ruimte voor twijfel: dit is een blijvertje. Op de begraafplaats van Rozendaal, aan de Veluwerand, is de laatste rustplaats van dichter P.A. de Génestet (1829-1861) inmiddels zo’n anderhalve eeuw ongenaakbaar.

Conrad Busken Huet zag het al aankomen toen het monument in 1862 werd onthuld. Uit zijn rede: ‘Ik zeg u, dit gedenkteeken zal beroemd worden in den lande; en benijdenswaardig is de glorie die het omstralen zal.’

Enkele kilometers verderop, aan de rand van de begraafplaats Moscowa in Arnhem zetten omfloerste zonnestralen de rijp op omstaande sparren in een milde glans. Maar verder straalt er weinig op deze plek. Een steen ligt half verzonken in de aarde, op een liggend kruis is nog net een naam te ontcijferen: Gerard.

De dood van de jonge, talentvolle schrijver Gerard van den Hoek (1892-1916) was destijds nog een affaire. Literatoren schreven vlammende stukken over ‘het koude stelsel’: Van den Hoek moest ondanks zijn broze gezondheid in militaire dienst, en stierf enkele dagen later, rillend van de koorts. In het jaar van zijn overlijden verscheen de bundel Het kostelijk leven. Waarna de vergetelheid inzette.

Zo hoort het niet, oordeelt de Nederlandse Boekverkopersbond (NBb). Samen met het Prins Bernhard Cultuurfonds (PBC) is vorige maand een fonds opgericht – onder de naam Perzik van Onsterfelijkheid, naar het boek van Jan Wolkers – voor onderhoud en herstel van graven met schrijvers en dichters. De bond zamelde al 75 duizend euro in, het PBC heeft dit bedrag verdubbeld. Het doel is ook het naar willekeur ruimen te voorkomen; de doodsbedden van onder anderen Theo Thijssen, Anna Blaman, J.J.L. ten Kate, C. Joh. Kievit en Halbo C. Kool zijn verloren gegaan. NBb-directeur Ari Doeser: ‘Dit behoort tot ons cultureel erfgoed.’

Begraafplaatsen met veel auteurs zijn Zorgvlied en de Nieuwe Ooster in Amsterdam en Oud Eik en Duinen in Den Haag. Volgens voorlopige inventarisaties van de bond liggen in Nederland ‘100 tot 150’ prozaïsten en poëten er niet zo florissant bij. Doeser wil een commissie samenstellen die aanvragen voor behoud of restauratie zal beoordelen.

Hans Heesen (49), scenarioschrijver en docent aan de Filmacademie, is meegereisd naar Moscowa en Rozendaal. Dodenakkers met schrijvers zijn voor hem bekend terrein. Hij heeft drie boeken ter zake op zijn naam staan. Samen met Harry Jansen en Ed Schilders schreef hij Waar ligt Poot? (1997) over de rustplaats van 570 auteurs. Pen in ruste (2001) beschrijft schrijversgraven in Midden-Nederland. Behoudens deze steen (2004) is een funerair-literaire reisgids.

Zonder afbreuk te willen doen aan de betekenis van de rustplaatsen van andere beroepsgroepen, auteursgraven bezitten volgens hem toch een speciale waarde. De letteren laten zich ook aan gene zijde niet het zwijgen opleggen. De zinnen blijven. Toen Heesen voor het eerst aan het voeteneind stond van de door hem bewonderde Willem Elsschot, op Schoonselhof in Antwerpen, betrapte hij zichzelf erop dat hij het woord nam. ‘Ik sprak de eerste regel uit Een ontgoocheling hardop uit: ‘De Keizer was sigarenfabrikant.’ Zo onopgesmukt. Zo brutaal non-literair. Als puber was ik erdoor getroffen. Dat wil je ’m toch even laten weten als je daar bent.’

Ari Doeser van de NBb bezocht ooit het graf van W.G van der Hulst en voelde zijn jeugd weer tot leven komen. ‘Bij de catechisatie kwam ik in aanraking met zijn werk. Nu denk ik: wat een moralisme. Maar destijds opende hij het venster naar de wereld. Een bezoek aan een graf is dan een manier om dank je wel te zeggen.’

Heesen is blij met het auteursgravenfonds. ‘Je kunt natuurlijk niet alles in stand blijven houden. Maar je kunt wel bereiken dat er op z’n minst over wordt nagedacht. Er is nog veel onwetendheid, onverschilligheid. Wie schrijft die blijft, dat is een fabeltje. In andere landen is er meer oog voor. Vlaanderen bijvoorbeeld heeft een lijst met cultuurgraven, daar blijf je af.’

Volgens hem lopen de graven van de literaire kanonnen in Nederland geen gevaar. ‘Maar het tweede echelon is kwetsbaar. Een probleem is dat de waardering in de tijd kan verschuiven. Toen het graf van Theo Thijssen op de Nieuwe Ooster in 1953 werd geruimd, werd hij nog niet tot de literatuur gerekend. Nu denkt men daar toch wat anders over.’

Een verweerd ogende steen op Moscowa duidt de plek aan van C.C.S. Crone (1914-1951), schrijver te Utrecht, met een bescheiden maar veelgeprezen oeuvre – Alfred Kossman: ‘sublieme detailkunst’, Simon Carmiggelt: ‘benijdenswaardig gaaf’, Martin Bril: ‘een geweldige miniaturist’. De n in zijn naam is in weer en wind weggesleten, net als de n in ‘letterkundige’. Liefhebber Heesen: ‘Een mooi vervallen graf is niet te versmaden. Maar dit dreigt echt kapot te gaan.’ Een gevalletje voor de Perzik van Onsterfelijkheid, lijkt hem.

Voor Gerard Keller (1829-1899), die bij het onderzoek voor Waar ligt Poot enkele tientallen meters verderop lag, lijkt het te laat. Op de plek van de journalist, vertaler en schrijver (De geschiedenis van een dubbeltje en Het servetje) is de steen verdwenen en resteert een boomstronkje.

Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met de Volkskrant?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van de Volkskrant rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@volkskrant.nl.