Het ruige New York van Scorsese aan de hand van zijn films

Niemand legde de veranderende tijdgeest beter vast dan Martin Scorsese in zijn films met New York als decor. De Volkskrant ging kijken wat er nog van over is.

Martin Scorsese op de set van New York, New York, de musicalfilm uit 1977 met Liza Minelli en Robert De Niro.Beeld Deutsche Kinemathek

Of de commissie beschermd stadsgezicht zich wil ontfermen over het liggend naakt met jarretels op het pand aan 8th Avenue (5 op de kaart hiernaast). Uitgevoerd in neon is ze, en geflankeerd door oplichtende hartjes. De pui van de allerlaatste peepshow in het New Yorkse theaterdistrict.

'O, de regels en voorschriften', moppert de man die al decennia achter de kassa zit in The Playpen. Hij mist een paar tanden. 'Al die bullshit, het wordt steeds moeilijker.' Zijn collega overhandigt hem een bundeltje dollarbiljetten, vers van de derde verdieping, waar je naar blote vrouwen kunt kijken. De meeste bezoekers zijn tegenwoordig toeristen, klaagden de strippers een paar jaar geleden in The New York Times. Toeristen die even kort komen gluren, uit verwondering dat het nog bestaat.

'Giuliani', zegt de kassamedewerker. Rudy Giuliani is de burgemeester die in de jaren negentig de seksindustrie uit het hart van New York verjoeg. Hij leek de wens te vervullen van Travis Bickle, de slapeloze antiheld uit Taxi Driver (1976), Martin Scorseses meesterwerk. Met Robert De Niro als taxichauffeur Travis, die walgt van zijn stad: 'Someday a real rain will come and wash all this scum off the streets.'

Cybill Shepherd en Martin Scorsese tijdens de opnamen van Taxi Driver.

Indianen-op-oorlogspad mohawk

Zoevend in zijn taxi langs stoepen vol hoeren en pooiers, over het natte, olieachtige wegdek in het ontaarde New York van de jaren zeventig. Voordragend uit zijn dagboeknotities over het 'open riool', dat hem ertoe brengt zich te bewapenen, zijn kapsel te scheren tot indianen-op-oorlogspad mohawk en het tuig eigenhandig te lijf te gaan. 'All the animals come out at night - whores, skunk pussies, buggers, queens, fairies, dopers, junkies, sick, venal.'

Ze zijn allen opgegaan in die ene weldoorvoede menssoort, constateert de Scorsesenostalgicus die vandaag de dag het entertainmentdistrict van Manhattan aandoet, zo tussen de 40ste en 54ste straat. De dagjesmens, geduldig wachtend in de rij voor een van de vele voorstellingen in dit tetterende walhalla voor de liefhebber van publieksvriendelijk theater. Schone stoepen ook. Of in elk geval schoner dan toen.

Hier, aan het stukje 42nd Street tussen 7th en 8th Avenue, nam Travis zijn nieuwe vriendin, campagnemedewerker Betsy (Cybil Shepperd), mee naar de Zweedse seksfilm Swedish Marriage Manual, tussen de masturberende mannen. Vaak genoemd als het meest zonderlinge eerste afspraakje in de Amerikaanse filmgeschiedenis: Betsy loopt verbijsterd de zaal uit en wil niets meer met de taxichauffeur te maken hebben. Fehlleistung op zijn Freudiaans - het onderbewuste van Travis wenst geen vriendin.

Tekst gaat verder onder de afbeelding.

Stadsportret in twaalf speelfilms

Martin Scorsese portretteert nu al een leven lang New York, in tot nu toe twaalf speelfilms. Soms filmde de filmmaker gewoon uit het raam of vanaf het dak van zijn ouderlijk huis, in de door kerk en maffia gedomineerde stadswijk Little Italy, zoals in zijn debuut Who's That Knocking at My Door? (1968). Het is het eerste en realistische portret van het benauwde en rauwe leven van Amerikaans-Italiaanse jongeren in New York. Soms verplaatste Scorsese de stad naar de studio's, zoals die van Cinecittà te Rome, waar hij zijn epos Gangs of New York (2002) opnam: over de van meet af aan gewelddadige strijd tussen nieuwe en iets minder nieuwe New Yorkse bevolkingsgroepen omstreeks 1860.

Het New York van Scorsese is een toegangspoort: een stad die de bewoners opneemt en verandert, ze groots laat dromen en hard doet landen. Van de prille, eigenlijk onvoldoende adellijke 19de-eeuwse Amerikaanse aristocratie in The Age of Innocence (1993) tot de net niet helemaal door de maffia opgenomen gangsters in Goodfellas (1990), die zo graag iets hoger in de rangorde zouden staan.

Wie hier omhoogkijkt, ziet nog een glimp van de historische façade van het geheel vernieuwde Lyric-theater 2. Begonnen als operaschool in 1903, maar na de Depressie omgebouwd tot (seks)bioscoop. Tegenwoordig genieten gezinnen er van de Cirque du Soleil-musical.

Vlak om de hoek 7 bevond zich ooit het kantoor van Scorseses eerste filmdistributeur. Die grossierde tot dan toe in goedkope horror en seksfilms, maar wilde de gok met de jonge cineast wel wagen, mits die één blootscène aan Who's That Knocking at My Door toevoegde. Die filmde Scorsese vervolgens in een grachtenpand in Amsterdam, waar hij in 1968 enige tijd verbleef. Met hoofdrolspeler Harvey Keitel en wat onbekende, niet op de aftiteling genoemde (Nederlandse?) dames.

Het Lyric-theater uit Taxi Driver.

Niet uit eten in Little Italy

'Scorsese?' Frank Aquilino monstert het bezoek in zijn restaurant La Mela in Mulberry Street, Little Italy. 'Wat moet ik erover zeggen?' De 70-jarige bijrolacteur (onder andere Analyse This), bijnaam Butch the Hat, is makkelijk te herkennen aan zijn onafscheidelijke hoedje met opstaande rand. Hij droeg het ook in Goodfellas (1990), aan de bar naast Robert De Niro, in de klassieke scène waarin Joe Pesci's gangsterpsychopaat ontploft als een maffiacoryfee hem herinnert aan zijn verleden als schoenenpoetser.

Aquilino, neefje van een maffiakopstuk, groeide in dezelfde buurt op als De Niro, die 'Bobby Irish' werd genoemd vanwege zijn Ierse moeder. Hij wordt bedankt op de aftiteling van Mean Streets (1973) en legde in interviews al eens uit hoe de filmer, die een straat verderop woonde, hun hele belevingswereld in beeld bracht; hoe ze zich kleedden, hoe ze praatten. Maar vandaag heeft Aquilino weinig zin. 'Ik zit ín die films. Dat is het. Ik zit erin. Een deel is echt, een deel niet. Maar wat heb ik eraan met jou te praten? Ben je soms een castingbureau?'

Wie op zoek gaat naar het New York van Scorsese, kan het beste hier beginnen, in Little Italy. Niet per se in uitgaansstraat Mulberry, eerder de kermisvariant van de Italiaanse stadswijk. Hier slaan allerlei 'authentieke' restaurantjes een slaatje uit het onderwereldimago, hun etalages en wanden behangen met ingelijste foto's van voorbije generaties maffiosi, Frank Sinatra en acteurs uit The Sopranos. Hier runde Gambinobaas John Gotti ooit zijn maffiasociëteit, op huisnummer 247, nu zit er een schoenwinkel. En zoals Scorsese ooit zei: als gewone Italiaanse jongen ging je nooit uit eten; het zou een belediging zijn voor je moeder.

Scorseses New York-films

Who's That Knocking at My Door? (1968)
Mean Streets (1973)
Taxi Driver (1976)
New York, New York (1977)
Raging Bull (1980)
The King of Comedy (1983)
After Hours (1985)
Goodfellas (1990)
The Age of Innocence (1993)
Bringing out the Dead (1999)
Gangs of New York (2002)
The Wolf of Wall Street (2013)

Designgeurkaarsen en de oude Siciliaanse slager

Martin Charles Scorsese, geboren in 1942, werd als astmatisch en fragiel kind door zijn ouders zo veel mogelijk van de ruige straat gehouden. Liever zagen ze hem in de bioscoop of in de kerk: de op een steenworp van het ouderlijk huis gelegen St. Patrick's Old Cathedral 1, waar misdienaar Scorsese ooit overwoog priester te worden. En waar later de door schuldgevoel gekwelde gangster Charlie (Harvey Keitel) in Mean Streets zijn vinger aan een kaars brandde. Kan iedere Scorsesetoerist zelf proberen; een kaarsje opsteken kost een dollar.

Wie New York wil zien door Scorseses ogen, dient dat New York eerst terug te brengen tot een paar honderd vierkante meter, het reepje Mott Street en Elizabeth Street 8. In het eerste blok woonden de Napolitanen, het tweede was voor de Sicilianen. Scorseses grootouders, die nooit Engels leerden spreken, arriveerden er begin vorige eeuw. Ze werden keurig per dorp van herkomst verdeeld over de tenements, die volgepropte goedkope huurwoningen met brandtrappen aan de buitenkant. Veel verder kwam kleinzoon Marty nauwelijks, als tiener en adolescent. Het aanpalende en vrijgevochten The Village, waar Bob Dylan spoedig zou arriveren om de muziek te veranderen, was een andere wereld. Zo ook het uitdijende Chinatown, dat nog steeds elk jaar een paar meter van Little Italy afknabbelt.

Harvey Keitel brandt zijn vinger aan een kaars in Mean Streets.

Op die plekken kwam je niet. Net als de opgeschoten Italiaans-Amerikaanse jongens in zijn vroege films werd Marty nerveus zodra hij zich begaf buiten het eigen territorium in de tribaal verdeelde stadswijken. Vader Charles was kledingperser, moeder Catherine naaister, ze woonden als kind tegenover elkaar in Elizabeth Street. Wie nu door de straat slentert, treft een weldadige rust. Chique modeboetiekjes, een 'fragrance lab' voor designgeurkaarsen. Niets resteert van het rumoer dat de filmer beschrijft in de biografie Scorsese on Scorsese: geen Italiaanse opera die uit de ramen schalt, geen luid geruzie, geen fruitwinkel, die wordt gerund vanuit de tegenwoordig met stalen platen afgesloten kelders. Panden gaan er nu van de hand voor 12 à 15 miljoen dollar.

En toch: er is dat ene, vermoedelijk nog maar voor even, bewaard gebleven herkenningspunt. De slagerij van Moe Albanese 9, die we zien en horen vleeshakken in Who's That Knocking at My Door?, het zwart-wit speelfilmdebuut van Scorsese over zijn eigen buurt. Vastgelegd door de camera die in de openingsscène vanuit het raam door de straat glijdt, waarin de door Scorsese als alter ego gekozen amateuracteur Harvey Keitel komt aanlopen, voor diens eerste filmoptreden.

Moe's vleeswinkel bevindt zich tegenwoordig aan de andere kant van de straat, maar de 94-jarige slager snijdt nog elke dag zijn in de buurt vermaarde lappen kalfsvlees, naast de antiquarische kassa. Vroeger hield hij hier ook levend pluimvee, maar dat mag niet meer van de inspectie. Zijn kinderen en kleinkinderen wilden niet door in de zaak, zo gaat dat.

Harvey Keitel en Zina Bethune in de film Who's That Knocking at My Door?Beeld Hollandse Hoogte

Die jongen uit de buurt

Moe, zoon van een immigrant uit hetzelfde Siciliaanse bergdorpje als waar Scorseses boerenopa vandaan kwam, figureerde ooit in een commercial die de filmer opnam voor American Express. 'Ze woonden daar', wijst Moe, naar de oude portiek van de Scorseses. 'Aardige mensen.'

Buiten op een bankje zit Mary (85), oorspronkelijk buurtbewoonster, met kort grijs haar. Ze herinnert zich nog goed hoe iedereen het ineens had over de films van die jongen uit de buurt. 'Ik heb ze gezien, hoor. Maar het was niks voor mij. Al die gangsters in die films, dat geweld...'

We moeten Vinny spreken, raadt Mary aan. 'Die woont daar verderop in de straat. Hij weet alles.' Vinny Vella (70), zoon van een visverkoper uit Little Italy, speelde bijrollen als gangster in The Sopranos en in films van Scorsese en Jim Jarmusch. 'Yeah hello?', zegt Vella over de telefoon. We moeten hem hebben, beaamt hij. 'Ik ben de laatste Italiaan in de buurt. Al die anderen zijn weggerend. Wist je dat Marty's eigen moeder míjn moeder speelde in Casino? O, dat wist je. Wist je ook dat ik getrouwd ben met een van die drie kleine meisjes van dat gezin in Who's That Knocking at My Door? Nee, dat wist je niet.' Vella kan alleen nu niet verder praten. Iets met zijn heup. 'Bel me over een dag of wat.'

Soms is Scorseses New York onvindbaar in New York. Het hart van de midden 19de-eeuwse Five Points-krottenwijk in Gangs of New York (2002), waar de verschillende bevolkingsgroepen elkaar naar het leven staan, is nu een vredig parkje waar Chinezen mahjong spelen. Het stadsdecor voor de film staat nu in de Cinecittàstudio's in Rome. En voor de stadspaleizen van de nog prille en onzekere New Yorkse aristocratie in The Age of Innocence (1993), gesitueerd in diezelfde 19de eeuw, week de filmer uit naar een stadje in de provincie New York. Daar waren de originele huizen wel behouden.

Raging Bull, Scorseses boksdrama in het New York van de jaren veertig, biedt meer aanknopingspunten. Weinig in de stad is beter behouden dan het krap bemeten, volkse openluchtzwembad aan 7th Avenue 3, waar prijsvechter Jake LaMotta (De Niro) zijn jonge blonde vriendin Vickie oppikt. Ook het hek waardoor de lompe bokser converseert met de blonde prinses in badpak, aangemoedigd door zijn broer en manager (Joe Pesci), staat nog overeind. Sinds de opnamen is het bad wel voorzien van een kolossale muurschildering van Keith Haring, maar die misstaat niet.

Leonardo DiCaprio voor de Trump Tower in The Wolf of Wall St.

Het privilege van een gangster

Ook de Copacabana, waar LaMotta met tegenzin met de maffiabonzen proost en op latere leeftijd als stand-upcomedian optreedt, bestaat nog. Al is de nachtclub inmiddels al zes keer verhuisd. Hier, maar dus niet écht hier, maakte Henry Hill (Ray Liotta) op een drukke zaterdagavond zijn fabuleus in één shot gefilmde entree in Goodfellas. Via de achterdeur en keuken naar het voor hem door gedienstige obers tevoorschijn getoverde beste tafeltje, zonder ook maar een seconde in de rij te hoeven staan - het privilege van de gangster. Tegenwoordig spenderen de buurtcriminelen hun dollars ergens anders en leidt de Copacabana een tweede leven als ontspanningsoord voor de wat oudere salsaliefhebber.

Ook het decor van de jarentachtig-, negentigbeurssatire The Wolf of Wall Street (2013) ontkomt er niet aan: al vóór Scorsese het vastlegde, veranderde het van gedaante. Het decadente Top of the Sixes skyrestaurant waar Mark Hanna (Matthew McConaughey) zijn primatenzang inzet, en hij beursnieuweling Jordan Belfort (Leonardo DiCaprio) wijst op het helende effect van onanie en cocaïne, was toen al dicht.

Wel nog toegankelijk, maar inmiddels presidentieel en secuur afgeschermd door dranghekken, beveiligingshonden en mannen met mitrailleurs: de onder een massieve gouden bekapping geplaatste zijingang van de Trump Tower 6 aan 5th Avenue. De plek waar Belfort uit zijn limousine rolt als zijn boze echtgenote plots het portier openrukt, juist als de held bezig is coke te snuiven van de borsten van zijn vriendin.

'Butch the Hat' (links) in Goodfellas.

Tastbare filmbewijzen zijn er nog wel: de pilaren in de deuropening in East Village, 13th Street 4, waar pooier Sport (Harvey Keitel) uitlegt wat je tegen een redelijke vergoeding allemaal wel en niet mag uithalen met zijn minderjarige prostituee Iris (Jodie Foster), in Taxi Driver.

Maar wie het New York van Scorsese zintuiglijk wil ervaren, kan beter laat in de nacht nog wat dwalen tussen 8th Avenue en Hell's Kitchen. Sirenes, zacht neonlicht van die ene onaangetaste divebar (Smith's 10), opvallend veel zwervers met gezichtstatoeages. Hier nam Scorsese eind jaren negentig Bringing Out the Dead op. Zijn geflopte film over ambulancebroeder Frank (Nicolas Cage), een meer spirituele, maar niet minder verwarde of vereenzaamde grotestadsneef van Travis Bickle. Scenarist Paul Schrader en Scorsese bedachten die film deels als reactie op Taxi Driver. Nu met iets meer hoop aan het eind. En de notie dat de aangeharkte successtad nog altijd een enorme populatie aan mislukte levens, dronkaards en maniakken herbergt. Als je maar goed kijkt.

Hoe Marty de buurt waarschuwde

'Get him the fuck out of there!', zegt Vinny Vella tegen de accordeonist die hem en de overige klanten van Caffe Palermo trakteert op Nino Rota's muziek uit The Godfather.

De acteur en buurtberoemdheid - diamanten ring om de pink, gouden pistool om zijn nek - loopt met een stok, maar is iets opgeknapt. Vinny informeert naar een financiële vergoeding, maar wil ook zonder wel praten.

'Kijk, in deze business moet je voorzichtig zijn. Want als je een rat speelt in een film, een verrader, begrijpen de mensen niet dat je acteert. Marty heeft mijn rol in Casino speciaal voor mij herschreven. De gast die ik speel, de echte, verraadde iedereen en stierf in de cel aan een hartaanval. Ik zei: Marty, je kan me toch geen rat laten spelen? Dus toen maakte hij ervan dat ik mijn mond voorbijpraatte terwijl er een microfoontje in de ventilator verstopt zat. En toen de FBI binnenviel, kreeg ik een hartaanval.'

Hij deelt de scène met Scorseses inmiddels overleden moeder, die in tal van films van haar zoon rolletjes speelde. 'Ze kende me al jaren, gewoon uit de buurt. Dus dat was heel vertrouwd.'

Scorseses moeder en Vinny Vella.

Dat Scorsese alweer tijden in een herenhuis woont, nabij Central Park, begrijpt hij wel. 'Hier is het toch de hele tijd: hey Marty, kun je wat voor me doen? Kun je mijn dochter in je film stoppen? Ik ben blut en ik word aangeklaagd, heb je wat geld?'

Vella herinnert zich dat Mean Streets uitkwam in 1973, precies een jaar na het verschijnen van The Godfather. 'Marty zag hoe groot het werd. Maar Mean Streets was echt, zo wás het hier toen. Mensen in die film speelden zichzelf. En Marty waarschuwde ze daarna: doe niet alsof je een wiseguy bent, haal die maffiashit uit je vocabulaire, want je komt er niet verder mee. Wees aardig tegen de mensen, dán kun je hier geld mee verdienen. Dat zei Marty. De Niro was een troublemaker, toen hij jong was. Maar hij werd rustiger. We werden allemaal rustiger.

'Zeg, wat doe jij eigenlijk, schrijf je een boek of zo?'

En weer tot de accordeonist, die maar niet ophoudt met spelen: 'Don't play The Godfather over here!'

Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met de Volkskrant?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van de Volkskrant rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright @volkskrant.nl.
© 2020 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden