Analyse Theater Rotterdam

Het rommelt bij Theater Rotterdam: de gevolgen van een ‘rampzalige fusie’

Beeld Aart-Jan Venema

Het moest een uniek stadstheater worden, met een internationale voortrekkersrol. Maar drie jaar na de oprichting verkeert Theater Rotterdam in een crisis.

Pieter Kramer, veelgeprezen en bekroond regisseur van de familievoorstellingen van Theater Rotterdam, zei het na elke vergadering opnieuw: ‘De fusie was, is en zal altijd een onzalig idee blijven.’ ‘De fusie’, dat is het samenwerkingsverband, sinds maart 2017, van het Ro Theater, de Rotterdamse Schouwburg en Productiehuis Rotterdam als ‘Theater Rotterdam’.

Met 11 miljoen euro subsidie is Theater Rotterdam een van de drie grootste gesubsidieerde theaterinstellingen in Nederland. Het moest een uniek, innovatief stadstheater worden, geworteld in Rotterdam, maar met een internationale voortrekkersrol. Maar sinds de oprichting drie jaar geleden verkeert het gezelschap in crisis. Dat is althans het beeld dat ontstaat na een tiental gesprekken met theatermakers, (oud-)medewerkers en een manager bij TR. Ondanks de gebundelde krachten, de grote ambities, miljoenen subsidie en het aanwezige talent is het niet gelukt om Theater Rotterdam een herkenbaar gezicht te geven.

Kramer citeert Arjan Ederveen, met wie hij de tv-series Theo en Thea en Dertig Minuten maakte, en vaak in het theater samenwerkt. ‘Arjan noemde Theater Rotterdam in een speech op een personeelsbijeenkomst ‘het gezelschap met zes directeuren, maar geen producties’.’

Dat is scherts, maar wel een uiting van een breder gedeeld gevoel van onbehagen. Al sinds de eerste plannen voor de fusie, in 2015-2016, rommelt het in Rotterdam. In oktober 2019 vertrok artistiek directeur Ellen Walraven, een van de architecten van de fusie. Algemeen directeur Walter Ligthart werkt nu met het artistieke team aan een nieuw artistiek profiel. Op 1 februari moeten de subsidieaanvragen voor 2021-2024 zijn ingediend bij rijk en gemeente. Maar, zoals een theatermaker het ervaart: ‘De organisatie ligt compleet op zijn gat.’ Een andere kritische ingewijde: ‘Het is een geïsoleerde plek geworden, geen plek voor alle Rotterdammers.’ 

Een aantal van de geïnterviewden wil vanwege hun kwetsbare positie anoniem blijven. Theatermakers Erik Whien, Bianca van der Schoot, Marjolijn van Heemstra, Johan Simons en Pieter Kramer, allen nauw betrokken bij TR, willen wel met hun naam in de krant. Daarnaast spraken we met Hajo Doorn, die anderhalf jaar ‘stadsdramaturg’ was bij het gezelschap en de gevolgen van een ‘rampzalige fusie’ van dichtbij heeft meegemaakt.

Vorig voorjaar luidden een aantal theatermakers intern al de noodklok. Pieter Kramer, die met  Hamlet, de familievøørstelling en dit seizoen Repelsteeltje en de blinde prinses gemiddeld 55 duizend bezoekers per jaar trekt (ruim de helft van alle TR-producties, in 2019 zo’n 98 duizend), stuurde in mei 2019 een brandbrief aan de raad van toezicht. Daarin schrijft hij over ‘de rampkoers onder de huidige leiding, in het bijzonder Ellen Walraven’. Hij schrijft dat veel medewerkers ontevreden zijn en dat hij van vakgenoten vragen krijgt over hoe ‘onbegrijpelijk weinig’ er gebeurt in Rotterdam.

In een gesprek schetst Kramer een stuurloze organisatie, met een directie die druk is met ‘beleidsplannen schrijven’, maar verder nergens tijd voor heeft, en – vooral – zich amper lijkt te interesseren voor de makers en hun producties. Kramer: ‘Hamlet was een artistiek en commercieel succes, met goede recensies en enorme bezoekersaantallen. Dan verwacht je van de leiding wellicht een aardig woord, maar ik heb van Ellen nooit een compliment of een bedankje gekregen. Alle enthousiasme is vakkundig de nek omgedraaid. Er gebeurde niets. Het was stroop.’

‘Een schitterend ongeluk’

Dat is nogal een contrast met vier jaar geleden, toen Theater Rotterdam-in-oprichting zich presenteerde als een uniek, innovatief stadstheater dat ‘een sterke grootstedelijke werking combineert met een internationale voortrekkersrol’, volgens het beleidsplan van Johan Simons. De internationaal gevierde regisseur is de gedroomde intendant van de fusieorganisatie: de drijvende kracht achter een sterk internationaal profiel met Europese gastregisseurs naast de Nederlandse makers.

In zijn plan spreekt Simons over samenwerking met gezelschappen in Gent, Bochum en het Berlijnse theater de Volksbühne. Hij droomt er hardop van dat Anne Teresa De Keersmaeker, Romeo Castellucci en Frank Castorf in Rotterdam voorstellingen komen maken. Simons kondigt elf prestigieuze producties aan, zoals Wagners De Vliegende Hollander in regie van Alain Platel en Jozef en zijn broers van Thomas Mann in regie van Krzysztof Warlikowski, ‘met een ensemble van Poolse, Duitse, Nederlandse en Vlaamse acteurs’.

Zulke ambities zijn duur. Voor 2017-2020 vraagt TR bij het rijk 2,6 miljoen euro subsidie aan. Maar TR krijgt een miljoen minder dan gehoopt. De Raad voor Cultuur, die de minister adviseert, vindt de plannen weliswaar ‘interessant’, maar onvoldoende uitgewerkt. Extra geld voor internationalisering blijft uit. Stilletjes worden de ambities teruggeschroefd. Simons wordt geen intendant, maar ‘formateur’. Hij maakt niet jaarlijks een grote muziektheaterproductie, maar enkel de (matig ontvangen) voorstelling Heisenberg, met twee acteurs. Wel regisseert hij twee keer de seizoensopening, een gelegenheidsevenement. Van zijn elf plannen voor ‘nieuw Rotterdams wereldrepertoire’ zijn er in vier jaar slechts twee gerealiseerd.

Een theatermaker die de fusie van nabij heeft meegemaakt, noemt ‘het gedraai rond Johan Simons’ de eerste weeffout van Theater Rotterdam. ‘Door de beloofde komst van Simons wilde de toenmalige wethouder per se dat die fusie er kwam. Weinig collega’s geloofden echt in de plannen. Maar Johan was toen even heel hot. Iedereen liep met hem weg.’ Niet veel later is die ‘enorme ballon’ alweer leeggelopen, constateert dichter, schrijver en theatermaker Marjolijn van Heemstra, die bij Theater Rotterdam succesvolle voorstellingen maakte. Intussen is wel een ambitieuze fusieorganisatie opgetuigd. Dat geraamte werd overeind gehouden zonder de gewenste inhoud. Pieter Kramer: ‘Theater Rotterdam had van meet af aan geen kern, geen ziel.’

Johan Simons, nu intendant bij Schauspielhaus Bochum, onderschrijft die lezing. ‘Zonder nu helemaal het boetekleed aan te trekken, kan ik wel zeggen: het is ontzettend jammer dat het zo is gelopen. Mijn intenties en internationale ambities waren oprecht, maar zonder dat extra geld ging het niet. En daarna is het niet gelukt om een goede nieuwe invulling aan Theater Rotterdam te geven.’

Voormalig stadsdramaturg Hajo Doorn noemt de oprichting van Theater Rotterdam ‘een schitterend ongeluk’, ‘Een complex samenspel van factoren is debet aan de mislukking: de invloed van de lokale politiek, die sterk vóór de fusie was, de ongelukkig gekozen directie en het palet aan makers met weinig onderlinge verwantschap. Ik denk dat iedereen er oprecht iets moois van wilde maken, maar iedereen had een totaal ander idee van wat dat was.’

Beeld Aart-Jan Venema

Een moeras van vaagheden en niet ingeloste beloftes

Directeur Ligthart erkent dat de totstandkoming van Theater Rotterdam (voor zijn tijd, hij begon in april 2018) ‘ingewikkeld’ was. ‘Nadat het plan met Johan strandde, zijn allerlei andere structuurvarianten bedacht en uitgeprobeerd. Dat zijn geen gemakkelijke startcondities.’

Wat niet hielp, zegt Van Heemstra, was de structurele schimmigheid vanuit de directie en de raad van toezicht. ‘In alle beleidsplannen ging het over ‘transparantie’, maar van meet af aan is een moeras van onuitgesproken vaagheden en niet-ingeloste beloftes ontstaan. De precieze plannen, de inrichting van de organisatie – wie wat deed en waarom, alles was voortdurend in nevelen gehuld. Daarop kun je geen organisatie bouwen.’ Volgens haar is die onzekerheid de oorzaak van het hoge ziekteverzuim. ‘Voortdurend vielen mensen om.’

‘Telkens werd weer een nieuwe directeur uit een hoge hoed getoverd’, zegt Bianca van der Schoot, die met het internationaal geprezen performanceduo Boogaerdt/VanderSchoot vanaf het begin aan TR verbonden is. De tweede grote weeffout, volgens haar: ‘Er werden voortdurend nieuwe directeuren aangesteld, zonder te inventariseren wat de organisatie, vooral aan de producerende kant, nodig had.’

In maart 2016 wordt niet Johan Simons, maar Ellen Walraven aangekondigd als artistiek directeur. Daarop besluit Bianca van der Schoot haar functie als beoogd artistiek leider terug te geven. ‘Het werd voor mij een halszaak om te midden van het fusiegeweld als kunstenaar te overleven en om de praktijk van Boogaerdt/VanderSchoot te waarborgen. Maar door de organisatorische chaos, de vele personeelswisselingen en het gebrek aan een heldere artistieke koers werkten we van incident naar incident. De makers zijn onvoldoende beschermd door de verschillende directies.’ 

In zijn korte bestaansgeschiedenis had TR vier directeuren van wie er drie weer zijn vertrokken: algemeen directeur Melle Daamen, voorheen directeur van de Amsterdamse Stadsschouwburg, begon in september 2016 en trad terug in april 2018, directeur bedrijfsvoering Bert Determann (tot augustus 2018) en artistiek directeur Ellen Walraven (tot oktober 2019). 

De theatermakers maken zich kwaad over de onduidelijkheid rond aanstelling en vertrek van de directieleden. Pieter Kramer: ‘Hoeveel overheidsgeld is er niet opgegaan aan ontslagvergoedingen of vertrekregelingen? Hoe weet ik of dat niet ten koste gaat van onze producties? Het is moeilijk te verteren dat een decor goedkoper moet als het geld wordt weggesluisd naar dure directeuren.’

In de jaarverslagen zijn deze personeelskosten niet gespecificeerd. Ligthart wil er niet meer over zeggen dan dat er met de directeuren ‘vaststellingsovereenkomsten’ zijn gesloten. Hij benadrukt dat die kosten niet drukten op de productiebudgetten. ‘Die liggen altijd al ruim vantevoren vast. Dit soort kosten vallen onder je personele begroting.’

Kramer en de andere theatermakers noemen het desondanks ‘pijnlijk’ dat Ellen Walraven eind september afscheid nam met een ‘trotse triomfspeech’ en warme woorden van dank van directie en raad van toezicht, terwijl intern al lang kritiek klonk op haar functioneren. Al in het najaar van 2016 kaartte een aantal makers Walravens functioneren aan bij de toenmalig algemeen directeur, Melle Daamen. ‘Daar hebben we niks meer op gehoord’, zegt een van hen. ‘En vervolgens heeft de raad van toezicht nóg 2,5 jaar zitten slapen.’

Walter Ligthart weerspreekt dat. ‘De raad van toezicht heeft regelmatig gesprekken gevoerd met de directie en de ondernemingsraad.’

Een verzameling van ‘pieledingetjes’

Wat was precies de kritiek? Om te beginnen, zegt de manager, is het Walraven ‘absoluut niet gelukt’ om het theater aansluiting te laten vinden bij de stad. ‘Rotterdam heeft de positie van zijn schouwburg, die heel goed was, in feite verspeeld.’ De beloofde ‘grootstedelijke werking’ bleef volgens hem uit: ‘Elk beleidsstuk stond weer bol van braafpraat over culturele diversiteit en verbintenissen met de stad, maar qua publieksbereik kwamen we niet verder dan de chique wijken Kralingen en Hillegersberg.’

Hajo Doorn had als ‘stadsdramaturg’ de artistieke koers van het gezelschap moeten verbinden aan de grootstedelijke vraagstukken van de stad. Maar hij legde na anderhalf jaar zijn functie alweer neer: ‘Als Theater Rotterdam werkelijk ambieerde wat ze over diversiteit en binding met de stad schreef in het beleidsplan, had er heel veel moeten veranderen. Maar dat kon de organisatie niet aan, daarvoor ontbrak het aan verbindend leiderschap en eenduidige visie.’

Bovendien waren veel mensen beschadigd door alles wat er mis is gegaan rond de fusie, aldus Doorn. ‘Iedereen was aan het overleven en trok zich terug op zijn eigen eiland. Maar ook het makersensemble was er niet op ingericht. Hoe wil je een Rotterdams stadstheater zijn als ruim de helft van de makers niet in de stad woont?’

Ligthart: ‘We doen het helemaal niet slecht qua diversiteit. Vergelijk onze zalen maar eens met andere schouwburgen. Onderzoek naar ons publiek wijst een veel breder bereik aan. We programmeren meer, produceren meer en bereiken meer publiek dan ooit – daar kun je de cijfers op naslaan. Maar de verbondenheid met de stad kan beter, zeker. Het is zoeken: we zijn niet het Nieuwe Luxor – wij presenteren topkunst; onze schouwburgprogrammering is van hoog artistiek niveau. Anderzijds willen we natuurlijk geen drempels opwerpen.’

Maar de manager stelt dat de ambities veelal te klein, te experimenteel en te l’art pour l’art waren voor een stadstheater. ‘In de praktijk ging het beleid niet om het bereiken van nieuw publiek.’ Er zijn onder leiding van Ellen Walraven best een paar goede voorstellingen gemaakt, zegt hij, bijvoorbeeld bij het Productiehuis of door het aan TR verbonden collectief Urland. ‘Maar die trekken veel te weinig bezoekers voor zo’n belangrijke, centrale plek in de stad.’

Pieter Kramer vindt het niet de taak van een groot gezelschap ‘om zo’n verscheidenheid aan pieledingetjes te presenteren’ – waarmee hij overigens niet het werk van zijn collega-makers wil diskwalificeren, maar meer een structuurfout wil aanduiden. Volgens Ligthart is een van de kerntaken van het gezelschap echter juist talentontwikkeling. ‘Startende makers maken vaak nog ‘klein’ werk, maar dat is een wezenlijk en uniek onderdeel van ons profiel.’

Het helder communiceren van dat profiel is voor Theater Rotterdam problematisch gebleken. Aan het gezelschap zijn twaalf theatermakers en groepen verbonden. Dat zijn er te veel en ze zijn artistiek te uiteenlopend, vinden betrokkenen. Kramer: ‘Het artistieke hart van het gezelschap bestond uit allerlei los-vaste groepjes van makers waartussen geen eenheid tot stand is gebracht.’

Walter Ligthart erkent dat het ‘niet gemakkelijk’ was om de twaalf makers te positioneren als ‘zijnde Theater Rotterdam’. In de nieuwe plannen gaat het gezelschap door met dit model, maar wel met minder makers: vier tot zes. Ze moeten samen ‘een hechter, coherenter geheel’ gaan vormen, aldus Ligthart.

Beeld Aart-Jan Venema

‘Je struikelde over de lijnen’

Volgens de makers mist het gezelschap een duidelijke artistieke koers. ‘De reden waarom ik aanvankelijk warmliep voor TR,’ zegt Bianca van der Schoot, ‘was de ruimte die zo’n grote instelling leek te bieden aan experimentele theatermakers, die samen op zoek konden gaan naar nieuwe theatervormen voor een nieuw publiek. Maar juist de artistieke innovatie sneeuwde in het chaotische wordingsproces onder. Er is geen scherp gesprek gevoerd over inhoud.’

Een ander constateert: ‘We hebben niet met zijn allen artistiek dezelfde kant op gekeken, omdat een centrale figuur ontbrak.’ Walraven had die centrale figuur moeten zijn, vinden betrokkenen. ‘Maar zij was steeds maar ‘de lijnen aan het uitzetten’’, zegt een van hen. ‘Je struikelde over de lijnen. Ondertussen is er nooit goed gekeken naar wat wij, de makers, nodig hadden.’ Dat is het derde probleem van de fusieorganisatie, aldus Pieter Kramer: ‘Ellen, Melle, Walter – het zijn allemaal schouwburgdirecteuren. Van programmeren hebben ze wel verstand. Maar van wat er komt kijken bij het maken van een voorstelling hebben ze geen kaas gegeten.’

Walter Ligthart wijst erop dat Ellen Walraven dramaturg was bij ’t Barre Land en Internationaal Theater Amsterdam, en zodoende veel ervaring had met het maken van theaterproducties. ‘Zelf was ik zeven jaar directeur bij het Nationale Toneel, dat als kerntaak het maken van voorstellingen had.’

‘Desondanks is de belangrijkste vraag nooit gesteld’, zegt regisseur Erik Whien: ‘Hoe borg je de behoeften en belangen van de makers in zo’n monsterorganisatie?’

Ligthart: ‘In die moeizame startperiode is aandacht voor de makerspraktijk wellicht wat ondergesneeuwd. Hoewel makers tegenover mij vaak juist vol lof zijn over onze technische en productionele ondersteuning.’ Hij vindt het ‘heel vervelend’ dat de geïnterviewden zich niet gehoord hebben gevoeld. ‘We zijn als directie natuurlijk voor hen verantwoordelijk. In een nieuw model moet meer aandacht en energie naar die artistieke kern en het inhoudelijke gesprek gaan.’

Toch zijn er de afgelopen drie jaar bij TR wel artistiek sterke voorstellingen gemaakt, benadrukt Ligthart. Maar volgens Whien, die er onder meer de veelgeprezen producties Revolutionary Road en Eindspel maakte, was dat niet dankzij, maar ondanks Theater Rotterdam. Hij zegt: ‘Wij als makers en de crew hebben doorgeploeterd in zeer ongunstige, frustrerende werkomstandigheden, waarin we maar net ons hoofd boven water konden houden.’

De makers verbazen zich erover dat de raad van toezicht (RvT) zo lang niet heeft ingegrepen, terwijl het in hun beleving al geruime tijd niet goed ging, en ze vaker aan de bel hebben getrokken. Een van hen zegt: ‘Toen ik daarover verhaal ging halen, antwoordde de voorzitter dat de RvT er niet is voor de medewerkers, maar voor de directie. Dat komt er dus op neer dat de directie beschermd wordt, ook als die faalt, en de kunstenaars vogelvrij zijn.’

Walter Ligthart stelt niet inhoudelijk op deze kritiek te kunnen reageren, maar wijst erop dat na de brandbrief van Pieter Kramer maatregelen zijn getroffen.

Voor de geïnterviewden is dat te weinig. Zij vinden dat er verantwoording moet worden afgelegd voor de fouten. Marjolijn van Heemstra: ‘Wij, de kunstenaars, zijn er elke seconde van doordrongen dat we werken met belastinggeld. We schrijven aanvragen en motivaties en evaluaties en worden daarop afgerekend. Maken we één slechte voorstelling, dan staan de kranten er vol mee, blijven de zalen leeg en staat de subsidie op de tocht. Maar deze bestuurders hoeven ondanks aantoonbare fouten nooit verantwoording af te leggen. Die zien we kort na hun vertrek gewoon weer ergens anders opduiken in een mooie nieuwe functie.’

Een van de grootste theatergezelschappen

Theater Rotterdam ontvangt 11 miljoen euro subsidie: 1,6 miljoen plus 500.000 euro (voor het Productiehuis) van het rijk, en de rest van de gemeente Rotterdam. Daarmee is het een van de grootste theaterinstellingen (Internationaal Theater Amsterdam en Het Nationale Theater in Den Haag, vergelijkbaar grote fusieorganisaties, ontvangen respectievelijk 16,8 en 12,5 miljoen.) TR, met circa 120 vaste medewerkers, combineert drie functies: eigen producties, gastprogrammering en talentontwikkeling. Het heeft drie zalen in de Rotterdamse schouwburg plus een locatie aan de William Boothlaan.

Een ensemble van theatermakers 

Anders dan Internationaal Theater Amsterdam en Het Nationale Theater in Den Haag heeft TR geen ensemble van acteurs, maar van theatermakers. Tot de vaste kern behoorden bij de start in maart 2017 Erik Whien en het duo Suzan Boogaerdt en Bianca van der Schoot. In een tweede ‘schil’ bevonden zich de vaste partners van het gezelschap: de groepen Wunderbaum, Schwalbe en Urland, choreografen Ann Van Den Broek en Alida Dors, en regisseurs Marjolijn van Heemstra, Davy Pieters, Lotte van den Berg, Johan Simons en Pieter Kramer.

Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met de Volkskrant?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van de Volkskrant rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright @volkskrant.nl.
© 2020 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden