Het psalmenoproer

Smuigerdjes en lichtgeraakte loenen

De nieuwe roman van Maarten 't Hart, Het psalmenoproer, is een authentieke, uit de Zuid-Hollandse klei getrokken Maassluizer roman.

De plaats van handeling is ons dus bekend, de hoofdpersoon is een zachtaardige man die houdt van de natuur en die de voorkeur geeft aan klassieke muziek boven kerkgezang. In de gereformeerde kerk wordt de zondige mens als vanouds in ellenlange preken verdoemd.

In deze roman gaat 't Hart echter niet terug naar het Maassluis van zijn jeugd, of dat van zijn vader, maar naar het Maassluis van de 18de eeuw. Door dit gegeven kan 't Hart zich hier, meer dan gewoonlijk, te buiten gaan aan wanstaltige predikanten, ellenlange donderpreken en citaten uit de Schrift. De invloed van de kerk was in die tijd immers veel groter dan tegenwoordig.

Uit de verantwoording achterin blijkt dat hij uitvoerig onderzoek heeft gedaan om zijn 'documentaire roman' te schrijven. Hij citeert bijvoorbeeld letterlijk uit bewaard gebleven notulen van vergaderingen van visserijcolleges en schout en schepenen. In zijn verantwoording geeft de schrijver toe dat het plechtstatige taalgebruik van toen de leesbaarheid niet bevordert, maar omwille van de sfeer heeft hij ervoor gekozen om er geen hedendaags Nederlands van te maken. 'Bovendien', bekent hij, 'heb ik een groot zwak voor dat ouderwetse taalgebruik.'

Dat laatste wisten we al uit, bijvoorbeeld, Lotte Weeda, zijn vorige, eigentijdse roman waarin de geitjes 'smartelijk' jammeren, het plaatsje 'luisterrijk' is, de hoofdpersoon 'pardoes' op zijn mond wordt gekust en een vrouw een 'rood jakje' draagt. In Het psalmenoproer kan 't Hart zich wat ouderwets taalgebruik betreft helemaal uitleven. Dus wemelt het van de stinkende smuigerdjes, prikkenbijters, lichtgeraakte loenen , heetgebakerde pluggen, gramstorig grauw, lichtmissen en sedentieuze deuntjes, wordt er gediverteerd, opgebracht en gesoulageerd, en is er nauwelijks vleselijke conversatie. De eerste vijftig bladzijden is het bijna alsof je een andere taal leest, maar daarna ben je gewend aan die vreemde maar prachtige woorden en de trage cadans van dat ouderwetse Nederlands. En kun je je voorstellen hoe 't Hart zich bij het schrijven heeft zitten verkneukelen.

De titel van de roman verwijst naar de onlusten van 1775 en 1776 die ontstonden na een voorstel om de psalmen op een andere, iets snellere wijze te zingen. In 1776 wordt de nieuwe zingtrant bij wijze van proef in de Groote Kerk te Maassluis ingevoerd. Voor het gewone volk, dat er in de tien voorgaande jaren door de teruglopende haring- en kabeljauwvangsten materieel sterk op achteruit is gegaan, is de nieuwe manier van zingen aanleiding om tegen het gezag in opstand te komen.

Die opstand begint met het verstoren van de kerkdienst en loopt uit op een plundering. Tweehonderd jonge mannen en vrouwen - timmerlui, haringkakers, nettenboetsters - trekken langs de huizen en de nerinkjes van de voorstanders van de nieuwe zang, dringen naar binnen, slaan alles kort en klein en sleuren vrouwen aan hun haren naar buiten. Een slachtoffer schrijft aan prins Willem V, wiens hulp wordt ingeroepen om de opstand te bezweren: 'Schier allen onder hen togen aan 't zuipen van al mijn fijne wijnen welke zij, daar men de glazen reeds verbrijzeld had, uit hunne uitgetrokken, beslikte puntschoenen slobberden.'

Te midden van dit tumult blijft het huis van de schepen en reder Roemer Stroombreker gespaard. Stroombreker, die, hoewel zijn naam anders doet vermoeden, geen partij kiest maar in deze psalmentwist juist een compromis voorstelt, zou willen dat hij zich het leven niet zo liet aanleunen, en dat hij wat opstandiger was. Rond dit personage is de roman opgebouwd: we volgen hem vanaf het moment dat hij er als jongetje door zijn moeder op uit wordt gestuurd om een stuk heilbot bij hun oude dienstmeid te brengen, tot aan zijn dood in 1811 na een bezoek van vissers aan koning Napoleon in het Paleis op de Dam te Amsterdam, dat trouwens echt heeft plaats

gevonden.

Het rederszoontje Roemer wordt hopeloos verliefd op de roodharige dochter Anna van het domestiekje dat de vis aanpakt. Maar braaf gehoorzaamt hij zijn moeder en trouwt, zoals lang geleden is afgesproken, de zeer grote Diderica Croockewerff, omwille van de twee haringschepen die ze inbrengt. Tot vleselijke conversatie komt het niet: Roemer wordt zo misselijk van de 'wanstaltige walm, de verpletterende stank van de bedorven heilbot' die opstijgt uit de schaamstreek van Diderica, dat zijn lid zich schielijk terugtrekt elke keer wanneer hij die ruikt.

Er zitten wel meer van dit soort kostelijke scènes in Het psalmenoproer, waarin het komische het wint van het tragische. Maar soms is de humor te belegen: Diderica die in een kruiwagen te kerke gaat omdat ze te zwaar is om zelf te lopen, de koddige rijmpjes en gesprekken over de gebeurtenissen. Niet grappig, maar wel onvergetelijk is het hoofdstuk waarin de vloed zo hoog komt dat de schepen loskomen van de meerpalen, Maassluis in dobberen en daar vastlopen wanneer het water weer zakt.

Tegen de achtergrond van dit soort levendig beschreven gebeurtenissen blijft de rechtschapen Roemer een wat bleke figuur. Je snapt zijn zorgen om zijn buitenechtelijke zoon - resultaat van een vrijpartij met Anna, die heel wat daadkrachtiger is dan hij -, je snapt dat hij liever onbezonnen was en spijt heeft van alles wat hij nooit deed. Dat is Roemers tragiek. Maar hij blijft zo'n brave, sympathieke burgerman dat dit je na een tijdje begint te ergeren.

Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met de Volkskrant?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van de Volkskrant rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright @volkskrant.nl.
© 2019 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden