Het porselein van de Liro-directeur

Meer dan driekwart van de na de oorlog gerecupereerde kunst, die het Instituut Collectie Nederland beheert, is van onbekende herkomst....

VAN DE bedrijvige kunstroof tijdens de bezetting profiteerden niet alleen Hitler, Goering en andere nazi's, ook de Nederlandse musea pikten een graantje mee. Na de oorlog werd veel van deze kunst weer keurig terugbezorgd bij de eigenaren of hun erven. Maar over een aantal gevallen hangt nog steeds een grauwe sluier van onduidelijkheid.

Neem het geval van Robert May. Samen met zijn broer Paul, Edgar Fuld en E. van Marx vormde hij tot mei 1940 de directie van de bank Lippmann, Rosenthal & Co., een kleine, gerenommeerde bank in de Amsterdamse Nieuwe Spiegelstraat. Na de capitulatie stelde Generalkommissar für Finanz und Wirtschaft Hans Fischböck zijn landgenoot Alfred Flesche als Verwalter voor de bank aan. Flesche, die al sinds 1926 in Nederland woonde, was tijdens de meidagen vastgezet op verdenking van spionage. Na de oorlog bleek dat hij inderdaad economische inlichtingen aan de Duitsers had doorgespeeld.

Dat Lippmann, Rosenthal & Co. al zo vroeg tijdens de bezetting een beheerder kreeg aangesteld, kwam omdat firmant E. van Marx naar New York was uitgeweken waardoor het bedrijf als Feindvermögen werd gekwalificeerd. Twee maanden later kreeg Flesche de opdracht de Lippmann-bank te liquideren, want de Duitsers wilden onder dezelfde naam een vestiging openen in de Sarphatistraat om de beroving van de joden verder te regelen.

Maar Flesche had andere plannen. Weliswaar was hij sinds 1933 nazi, maar toch vooral ook pragmaticus en opportunist en dat bleek van groot voordeel van de vroegere firmanten May en Fuld. Zij bleven in dienst van hun bank, als adviseur. Roberts oudere broer en mede-firmant Paul May had op 15 mei samen met zijn vrouw zelfmoord gepleegd.

Zolang May en Fuld van nut waren, genoten zij bescherming en kregen een salaris van *250,-per maand. Soms dreigde er iets mis te gaan. Zo verdween Robert May enige tijd in het concentratiekamp Westerbork, maar hij kwam door bemiddeling van Flesche weer vrij. Ook Fuld werd gearresteerd toen het Sippenamt ontdekte dat zijn vrouw voljoods was, wat hij opzettelijk had verzwegen. Ternauwernood wist Fuld met hulp van zijn Verwalter aan deportatie te ontsnappen. Flesche, die niet al te zeer overtuigd was van Duitslands eindoverwinning, zag in de bank een tweevoudige garantie. Behield hij de firma tot na de oorlog, dan zat er waarschijnlijk een baan voor hem in het verschiet als hij zich inzette voor de voormalige firmanten; mocht Duitsland onverhoopt toch winnen, dan had hij zich voor Führer en vaderland verdienstelijk gemaakt.

In mei 1940 was Robert May 67 jaar. Hij had in de loop der jaren een formidabele collectie Europees en Chinees porselein opgebouwd. Daarnaast verzamelde hij een grote hoeveelheid zilver, gobelins en schilderijen. De collectie was in bruikleen bij een aantal musea. De grote porselein- en zilvercollectie bevond zich in het Rijksmuseum in Amsterdam. In 1942 moesten de joden na hun geld ook hun kostbaarheden inleveren bij Lippmann, Rosenthal & Co. in de Sarphatistraat. Daarom moesten ook de musea aangeven welke kunstvoorwerpen hiervoor aanmerking kwamen.

Het duurde niet lang voordat de Liro-directie zich boog over de collectie van Robert May. Uit een brief van 23 oktober 1942 van Walter von Karger, directeur van het filiaal in de Sarphatistraat, aan Flesche blijkt dat de situatie onzeker was: of de verzameling moest door de Nederlandse staat worden verworven, of ze moest te gelde worden gemaakt door de Liro-bank. In december van hetzelfde jaar liet hoofddirecteur van het Rijksmuseum M.D. Henkels weten bijzondere interesse te hebben voor de gehele collectie van Robert May, die inmiddels was getaxeerd. Met name het Chinese porselein van May was een welkome aanvulling op de eigen collectie.

Maar er waren meer kapers op de kust. In januari 1943 bezocht Kunstberater van de Lirobank, baron Von Stechow, met twee vertegenwoordigers van de Dienststelle Mühlmann, Plietsch en Kieslinger, het Rijksmuseum waar hun oog viel op een zeventiende-eeuws schilderij van Thomas de Keyzer waarop architect Pieter Post was vereeuwigd. Het schilderij maakte onderdeel uit van de collectie Robert May, maar werd zonder meer aan de Duitsers verkocht voor f 15.000,-. De affaire bracht meteen aan het licht dat Liro-Sarphatistraat niet gemachtigd was te beschikken over de collectie, aangezien het als onderpand voor Mays schulden was ingebracht bij de hoofdvestiging van de bank in de Nieuwe Spiegelstraat. Robert May mocht dan een gepassioneerd kunstverzamelaar zijn, liquide middelen bezat hij nauwelijks, wel een enorme schuld van bijna een miljoen gulden.

Voor de aanschaf van de collectie had het Rijksmuseum geld nodig. Daarvoor deed het museum een beroep op het Departement van Opvoeding, Wetenschap en Cultuurbescherming, waarover de pro-Duitse secretaris-generaal prof. dr. J. van Dam de scepter zwaaide. Van Dam had in zijn begroting een post opgenomen voor 'aankoop van voorwerpen van cultureel belang uit voormalig Joodsch bezit ten behoeve van de Rijksverzamelingen van geschiedenis en kunst' en stelde hieruit geld beschikbaar, niet alleen voor de verzameling van Robert May (*280,000,-), maar ook voor de collecties Nathusius (*95,000,-), Isaac (*65.000,-), Fuld (*13.000,-) en E.S.C. Gompertz-Jitta (*13.000,-).

Vervolgens was er enig gesteggel tussen de vestigingen Sarphatistraat en Nieuwe Spiegelstraat met als inzet het recht van verkoop van Mays collectie. Uiteindelijk kon Van Dam op 17 juli 1944 trots aan de directie het Rijksmuseum melden dat de verzameling van Robert May voor de Staat der Nederlanden was aangekocht.

Hoe de zaak na de oorlog werd afgewikkeld is veel minder doorzichtig. Zeker is dat Robert May zijn collectie niet terugeiste. Volgens het boekje Het Rijksmuseum in oorlogstijd van Jet Baruch en Liesbeth van der Horst, uitgegeven bij de gelijknamige tentoonstelling in 1985, was het de bedoeling na de oorlog over het uiteindelijke eigendom te beslissen. Over de uitkomst van die beslissing heerst geen twijfel.

Maar hoe zat het met Robert May zelf? Flesche beweerde na de oorlog dat hij persoonlijk mogelijk had gemaakt dat de verzamelingen aan musea werden verkocht, met goedvinden van May zelf. Kunsthistoricus Jan van Campen beschreef de collectie in zijn boek The Ming and Qing Dynasties (1992) en meent dat er een 'clandestiene gentlemen's agreement' met Robert May was. De eigenaar was immers failliet en de collectie was tegen reële prijzen gekocht.

Maar was dat zo? Waarom gaf het museum dan geen openheid van zaken? Uit de archiefstukken blijkt niets van een afspraak tussen de directie van het Rijksmuseum en Robert May. In de Catalogus van het Rijksmuseum uit 1946 staat vermeld dat in 1944 een collectie Hollands ceramiek is aangekocht en in 1946 Chinees ceramiek. Merkwaardig genoeg staat er niet bij vermeld van wie is gekocht, terwijl dat bij andere stukken wel het geval is. May zelf hulde zich tot zijn dood (1962) in stilzwijgen.

HOE DE afhandeling bij Lippmann, Rosenthal &

Co. in zijn werk ging, blijkt uit een getuigenverklaring uit decemner 1946 van Paul Woortmann, voormalig procuratiehouder in de Lirovestiging Sarphatistraat. Alle kunst werd per stuk ingeschreven, genummerd en een magazijn ondergebracht. Verkoop aan gegadigden uit het Duitse Rijk gebeurde tegen vastgestelde taxatieprijzen. Voor verkoop aan anderen moest toestemming worden gevraagd aan het Generaal-Commissariaat voor Financiën en Economische Zaken. De taxatie van schilderijen en kunstvoorwerpen werd meestal gedaan door Mak van Waay, die aan de transacties met Liro aardige inkomsten overhield. De eigenlijke verkoop was in handen van 'kunstadviseur' baron Von Stechow. Na verkoop werden de goederen in het magazijnboek afgeschreven en op de depotkaart van de eigenaar werd het verkoopbedrag vermeld, alsmede de datum van de factuur en de naam van de koper. De facturen werden uitgeschreven in Nederlandse guldens en die moesten contant aan de kas betaald worden.

Als het om aankoop van deze schilderijen ging stonden de Nederlandse musea beslist niet vooraan. Bij Lippmann, Rosenthal en Co. waren daar strak omlijnde voorschriften die de hiërarchie bepaalden. Eerst kwamen Mühlmann en Posse in aanmerking, die voor de nazi-kopstukken kunst inkochten, vervolgens kwam de Duitse kunsthandel aan bod en gingen er ook schilderijen naar Schmidt-Stähler van de Einsatzstab Rosenberg. Een heel enkele keer kwam het voor dat personeel van de Lirobank een schilderij kocht, zoals directeur Kurt Mulisch, die voor *125,-. een schilderij kocht uit het bezit van Louis Stokvis. 'Ontaarde' kunst moest in Zwitserland worden geveild ter verkrijging van deviezen. Portretten van joden of schilderijen van joodse kunstenaars mochten in geen geval in Amsterdam geveild worden. Wat overbleef kon in spaarzame gevallen naar een Nederlands museum. Veel is dat niet geweest.

Volgens geschiedschrijver dr. L. de Jong, die in zijn Koninkrijk der Nederlanden in de Tweede Wereldoorlog de houding van de Nederlandse musea aan de orde stelde, verwachtte Seyss-Inquart ook in Nederland kopers te vinden voor schilderijen die aan joden hadden toebehoord. Maar, zo schrijft hij, dergelijke aankopen werden door Nederlandse musea geweigerd, ondanks het feit dat het Reichskommissariat daartoe extra subsidies gaf.

Dat beeld is inmiddels aan herziening toe. Een eerste poging hebben de Nederlandse musea onlangs zelf ondernomen door een commissie in te stellen die de vaak troebele gang van zaken tijdens de bezettingsjaren gaat onderzoeken.

Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met de Volkskrant?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van de Volkskrant rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright @volkskrant.nl.
© 2019 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden