Het poëtisch proza van Claude Lévi-Strauss

Veertig jaar geleden verscheen van de hand van Ton Lemaire een fenomenologische beschouwing over de tederheid. Het was zijn eersteling....

Die tederheid en esthetische ontroering zijn terug te vinden in zijn laatste boek over de Franse antropoloog en filosoof Claude Lévi-Strauss. Bewondering voor diens scherpzinnigheid, schrijfkunst, en goede smaak overheersen in deze hommage. Lévi-Strauss viert vandaag, 28 november, zijn honderdste verjaardag; een gelegenheid die velen zullen aangrijpen om de oude meester lof en eerbiedige kritiek toe te zwaaien.

Lemaires boek is een Nederlandse bijdrage aan dat eerbetoon. De centenaire had in de jaren zeventig veel volgelingen in Nederland, vooral in Leiden maar ook in andere antropologische centra. Hij werd benoemd tot buitenlands lid van Koninklijke Academie van Wetenschappen en ontving in 1973 de Erasmusprijs. Twee van zijn boeken werden in het Nederlands vertaald: Het trieste der tropen en Het wilde denken.

Lévi-Strauss studeerde eerst filosofie. Het was geen overtuigde keuze, eerder een compromis voortkomend uit zijn weerzin tegen andere wetenschappen. Ook de filosofie bleek echter een teleurstelling omdat zij weliswaar ‘de intelligentie scherpte maar de geest deed verdorren’.

Zoals hij later schreef: de filosofie was verworden tot ‘een esthetische contemplatie van het bewustzijn over zichzelf’. Na twee jaar les geven op een lyceum maakte hij kennis met het werk van een Amerikaanse antropoloog en raakte geïnteresseerd in de culturele antropologie. In 1935 voegde hij zich bij een team van wetenschappers dat ging helpen bij de oprichting van een faculteit voor sociale wetenschappen in São Paulo, Brazilië.

Hij verdiepte zich verder in de sociologie en antropologie, gaf colleges en nam deel aan expedities naar indiaanse groepen in de Mato Grosso in westelijk Brazilië, bij de grens met Bolivia. ‘Expedities’ waren in de beginjaren van de antropologie een gebruikelijke vorm van onderzoek, vóór de ‘uitvinding’ van het veldwerk (langdurig onderzoek op één locatie waarbij de taal werd geleerd en gedetailleerde kennis van één betrekkelijk kleine groep van mensen werd opgedaan).

Voor alle duidelijkheid: Lévi-Strauss’ expedities vonden plaats ruim twintig jaar nadat antropologisch veldwerk in zwang was gekomen. De expedities leverden hem de inspiratie en inzichten voor wat zijn beroemdste boek zou worden: Tristes tropiques, Het trieste der tropen.

Kort na zijn terugkeer uit Brazilië brak de Tweede Wereldoorlog uit en toen hij in 1941 een uitnodiging ontving om docent te worden in New York nam hij die gretig aan. Hij kwam terecht in een bont gezelschap van Amerikaanse antropologen en Europese Joodse intellectuelen die zijn creatieve geest verder uitdaagden. Hij had er de beschikking over uitstekende bibliotheken en gebruikte de gelegenheid om zijn Braziliaanse notities uit te werken tot een boek.

Behalve de Amerikaanse antropologie maakte de linguïstiek van de Zwitser De Saussure een diepe indruk op hem. Het is vooral de synthese van deze twee wetenschapsgebieden, linguïstiek en antropologie, die de richting van zijn denken bepaald heeft.

Eenvoudig gezegd was het de structuur of wetmatigheid van de taal en het denken bestaande uit binaire opposities die Lévi-Strauss op het spoor zette van zijn ‘structurele antropologie’. Zoals er in de aardbodem, onzichtbaar voor het oog, geologische lagen bestaan die zich logisch laten ordenen, zo is er ook in de cultuur een onbewuste orde die slechts door streng en systematisch onderzoek kan worden blootgelegd.

Hij zag het als zijn taak die wetmatigheden op te sporen en te beschrijven. Die strenge en ambitieuze aanpak is vooral terug te vinden in zijn monumentale, vierdelige Mythologiques, waarin hij de verborgen logica opgraaft van ogenschijnlijk absurde verhalen die mensen over de gehele wereld elkaar vertellen.

Er doet zich echter een merkwaardige paradox voor in het werk van de Franse meester. Hoewel hij voortdurend pleit voor een streng wetenschappelijke antropologie, naar het voorbeeld van de exacte wetenschappen, valt zijn bekendste publicatie, Het trieste der tropen, op door een grote losheid en speelsheid van stijl.

Het is een lijvige bundel van bespiegelingen die het midden houden tussen de Essays van Montaigne en de Confessions van Rousseau. Diverse hoofdstukken reflecteren op de identiteit en de positie van de auteur zelf tegen de achtergrond van zijn outsider-zijn in de indiaanse gemeenschappen die hij op zijn reizen ontmoette. De antropoloog is een ontheemde, niet meer thuis in zijn eigen cultuur en een vreemdeling in de culturen die hij bezoekt. Deze antropologische twijfel over zichzelf is het uitgangspunt voor de studie van cultuur. Het verlies van de vanzelfsprekendheden roept bij de antropoloog vragen op over zichzelf en over anderen.

Lévi-Strauss’ verwarring over zijn eigen identiteit (‘Ik kom mezelf tegen als de plaats waar iets gebeurt; er is geen ‘ik’... Ieder van ons is een soort kruispunt waar dingen gebeuren.’) zou men inderdaad kunnen opvatten als een oproep tot een wetenschappelijk perspectief op mens en cultuur. Mij komt deze bekentenis echter ook voor als een erkenning van de onmogelijkheid van een positivistisch-wetenschappelijk onderzoek naar de mens als cultureel wezen. Het is deze – als men wil – polariteit binnen het denken van Lévi-Strauss die mij steeds verbaasd en verward heeft. Lemaire maakt er melding van, maar manoeuvreert er vervolgens sierlijk en welwillend omheen. Het painstakingly rubriceren en contrasteren van structuren en substructuren in rituelen, verwantschapsystemen, mythen en andere culturele fenomenen lijkt inderdaad van een geheel andere orde dan de essays in Het trieste der tropen waar de auteur met esthetisch genoegen en fijnzinnige eruditie originele gedachten lanceert over de wereld en haar toekomst. Lemaire spreekt van een poëtisch proza.

Lemaire heeft geen overzicht van het oeuvre van Lévi-Strauss willen schrijven, noch een inleiding tot zijn structurele antropologie. Hij heeft juist de aandacht willen vestigen op enkele minder bekende thema’s in zijn werk, zoals muziek, kunst en literatuur. Toch ontkomt hij niet aan een – te beknopte – inleiding omdat ook de marginale thema’s verankerd zijn in Lévi-Strauss’ centrale visie op mens en cultuur.

Het wilde denken is na Het trieste der tropen Lévi-Strauss’ meest gelezen boek. Het is een uitdagend betoog dat de vloer aanveegt met het meeste dat tot dan toe gezegd was over het ‘primitieve’ denken van mensen in andere culturen. Op ingenieuze wijze laat hij zien hoe het denken van de ander vreemd en tegelijkertijd vertrouwd is. Het ‘wilde denken’, zo vat Lemaire Lévi-Strauss’ visie samen, is even rationeel als het wetenschappelijke, alleen worden we gehinderd door vooroordelen en een te beperkt perspectief om het te begrijpen. Het wilde denken is niet het denken van ‘wilden’, maar een denken dat niet getemd is door de regels van de wetenschap die ons als nieuwe dogma’s zijn opgelegd. Het wilde denken is verwant aan de vrijheid van dichters en andere kunstenaars in onze eigen maatschappij. Lévi-Strauss’ beroemdste uitspraak is waarschijnlijk dat dieren en planten niet zozeer goed zijn om te eten maar om mee te denken (bon à penser). Dat inzicht in de semiotische en metaforische kracht van dingen, dieren (en mensen) heeft een hele generatie antropologen na hem geïnspireerd.

Lemaire plaatst Lévi-Strauss in het illustere gezelschap van twee andere Joodse intellectuelen: Marx en Freud. Alle drie zijn het ‘meesters van het wantrouwen’ die de moderne mens bevrijd hebben van een aantal dierbare illusies. De illusie die Lévi-Strauss ons ontnomen heeft zou, aldus Lemaire, de vooruitgangsmythe zijn, het geschiedsoptimisme van de 19de eeuw. Ik vrees dat de jubilaris te veel eer krijgt toegezwaaid hier. De relativering van de westerse cultuur met zijn etnocentrische visie op de geschiedenis was al door generaties antropologen vóór Lévi-Strauss aan de orde gesteld, en vaak met betere etnografische onderbouwing. Grondleggers van de antropologie zoals Tylor, Boas en Malinowski hebben hem de weg gewezen.

Maar het is waar dat Lévi-Strauss zijn bedenkingen tegen de westerse cultuur en geschiedenis met meer literaire verleidingskracht naar voren heeft gebracht dan de meeste van zijn collega’s. Een treffend voorbeeld is zijn woordspel rond ‘antropologie’ en ‘entropologie’. Hij kiest de wet van de entropie als concept om het proces van de menselijke geschiedenis te schetsen. ‘Entropie’ is het onttrekken van energie aan de omgeving om de eigen ondergang te voorkomen. Het is typisch een korte termijn strategie die uiteindelijk leidt tot de uitputting en ondergang van de gehele omgeving. Hoe complexer een organisme, hoe meer energie het nodig heeft, dus hoe groter het entropisch effect.

Lévi-Strauss stelt onze geïndustrialiseerde maatschappij voor als één grote thermodynamische machine die draait ten koste van de energetische voorraden in natuur en kosmos. Zo’n beeld kan slechts leiden tot een uiterst pessimistische toekomstverwachting. De antropologie wordt een entropologie, ‘een discipline die zich toelegt op het bestuderen van de uitingen van de menselijke geest die voorbestemd zijn te desintegreren’. Geen wonder dat hij meer optimisme kan opbrengen voor de ‘simpele’ indiaanse culturen met hun geringe of geheel afwezige entropie die hij op zijn expedities leerde kennen. Helaas zullen ook die culturen uiteindelijk worden opgenomen in de destructieve trend van de mondiale cultuur. ‘De wereld is zonder de mens begonnen en zal zonder hem eindigen’, schrijft hij op een van de laatste pagina’s van Het trieste der tropen.

Lemaire illustreert, zoals gezegd, Lévi-Strauss’ intuïties met uitspraken over minder bekende thema’s in zijn werk, zoals kunst, muziek, poëzie, epicurisme versus boeddhisme, en filosofisch-ethische beschouwingen. Het voert de lezer langs namen als Wagner, Schopenhauer, Nietzsche, Baudelaire, Proust, Mallarmé en vele anderen. De voorbeelden die hij bespreekt tonen Lévi-Strauss’ schipperen tussen orde en chaos, rationaliteit en irrationaliteit, tijdelijke voldoening versus lange termijn pessimisme, zin en on-zin.

De lezer kan zich, evenals Lemaire, niet onttrekken aan de indruk dat de oude meester een triest en pessimistisch beeld van zichzelf en zijn verwachtingen schetst dat niet zonder ijdelheid is. Het schrijven van zo’n immens oeuvre en tegelijkertijd zeggen dat het schrijven hem verveelt, getuigt van een geraffineerd narcisme. Hetzelfde kan gezegd worden van zijn gepresenteerde twijfel over eigen identiteit dat lijkt samen te vallen met een zeer groot ego.

Merkwaardig, ten slotte, is zijn reputatie als antropoloog terwijl hij nooit gedaan heeft wat iedere antropoloog geacht wordt te doen: veldwerk. Zijn uitspraken over intersubjectiviteit tussen mensen van radicaal verschillende culturen heeft hij nooit getoetst in degelijk antropologisch onderzoek. Zijn pleidooi om alles binnen zijn context te beschouwen als onontbeerlijke stap naar het begrijpen van culturele uitingen, wordt niet ondersteund door eigen authentieke ervaringen van een andere context. In zijn fascinerende beschouwingen over mens en cultuur in Het trieste der tropen is zijn briljante geest de enige relevante ‘context’ die betekenis creëert. Niet gehinderd door een diepere kennis van hun context, gebruikt hij de indianen die hij op zijn expedities ontmoet als inspiratiebronnen voor het ontwikkelen van zijn eigen originele en provocerende uitspraken over de wereld en haar toekomst. Lévi-Strauss heeft zich altijd fel verzet tegen dit soort kritiek en keer op keer verkondigd dat hij wel degelijk een antropoloog is die veldwerk heeft gedaan, maar de feiten spreken hem tegen. Zijn reizen leverden – althans in vergelijking met de ervaringen van ‘echt’ veldwerk – vluchtige contacten op, hoe vaak hij ook herhaalt dat hij dierbare herinneringen en warme gevoelens heeft overgehouden aan deze ontmoetingen. Diverse etnografische uitspraken die hij heeft gedaan op grond van zijn expedities zijn achteraf dubieus of apocrief gebleken. Het zou niet aardig zijn hem nu als de grootste leunstoelantropoloog van de 20ste eeuw te eren maar zijn grootste verdiensten liggen wel op het terrein van theoretische reflectie.

Lévi-Strauss is altijd een filosoof gebleven die zich zijn leven lang gevoed heeft met exotische antropologische gerechten en die op unieke wijze verwerkt heeft in zijn filosofie van de mens.

Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met de Volkskrant?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van de Volkskrant rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright @volkskrant.nl.
© 2021 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden