Het pauperparadijs

Altijd een dubbeltje gebleven

Op een middag stuitte Suzanna Jansen, bij het opruimen van de zolder van haar ouders, op een bidprentje. De dode ziel voor wie moest worden gebeden, was de 'opoe' van haar moeder, Helena Gijben, Suzanna's overgrootmoeder. Deze Helena, vertelde haar moeder, was een groot ongeluk overkomen: zelf protestant, was ze verliefd geworden op een katholiek. Ze nam het geloof aan van haar man, Harmen Keijzer, en werd door haar familie verstoten en 'onterfd'.

Dat laatste woord sprak tot de verbeelding van de journaliste Suzanna Jansen. Ook de geboorteplaats van Helena klonk mysterieus: Norg, bij Assen. Ze wist dat de familie van moederskant altijd arm was geweest. Het gevoel een ' dubbeltje ' te zijn en geen kwartje, ondanks een goede opleiding en afwezigheid van geldzorgen, zat er ook bij haar, vrouw van begin veertig in de 21ste eeuw, diep in. Het was overgedragen van generatie op generatie. Suzanna wilde meer weten over haar voorvaderen.

Tot haar grote verrassing ontdekt ze dat 'opoe' Helena was geboren in de bedelaarskolonie Veenhuizen, gemeente Norg. Tegenwoordig is het een museum. En er staat nog steeds, dreigend, een 'penitentiaire inrichting'. Er viel voor Helena Gijben niets te erven. Ze was geboren in een opvoedkundig gesticht waar landlopers en ontspoorden kost en inwoning kregen in ruil voor werk op het land. Ook Helena's moeder, Cato Braxhoofden, was geboren in de kolonie. Roza, Suzanna's grootmoeder, zag er eveneens het licht. Het was Helena gelukt om, met Roza en vijf andere kinderen, weg te trekken uit het gedoemde oord, naar Amsterdam, om daar als dienstbode de kost te verdienen. Haar man Harmen, die aan de drank raakte, eindigde als recidivist in het onontkoombare Veenhuizen.

Jansen vertelt ook de geschiedenis van Veenhuizen zelf, dat ooit met bevoogdende, maar idealistische bedoelingen werd gesticht door Johannes van den Bosch. Deze energieke figuur, die ervan overtuigd was dat men menselijke omstandigheden naar zijn hand kon zetten, bracht het tot gouverneur-generaal van Nederlands-Indië. Inlanders en slaven konden nuttig werk verrichten, wist hij uit ervaring, als je het maar goed organiseerde. Zo kon ook het armoedeprobleem, dat in Nederland aan het begin van de 19de eeuw nijpend was omdat het land was ontwricht door de napoleontische oorlogen, worden aangepakt. Stevig lichamelijk werk in de frisse buitenlucht, een vaste dagindeling en de afwezigheid van verleidingen als kroegen en bordelen, dat zou de stadse paupers goed doen - de vergelijking met de huidige 'prepcamps' voor ontspoorde jongeren dringt zich op.

Aanvankelijk leek het nog niet zo bar in de kolonie, die niet voor misdadigers was bestemd. De 'fatsoenlijke maar arme' gezinnen leefden apart van de landlopers en leeglopers; zij hadden een eigen kamer en een lapje grond. Tobias Braxhoofden, Helena's grootvader, kwam niet als pauper naar de kolonie. Hij was een eervol ontslagen soldaat uit Napoleons leger, en werd bewaker in Veenhuizen.

Maar de arme stedelingen kwamen niet vrijwillig naar de kolonie. De mare ging dat je er hard moest werken voor je bordje gortpap, en dat je er nooit meer vandaan kwam. Gaandeweg werden er ook mensen onvrijwillig naar Veenhuizen gedeporteerd, en op den duur overtreders van allerlei slag. Toen Harmen Keijzer er aan het begin van de 20ste eeuw terugkwam, was hij geen fatsoenlijke arme meer, een 'verpleegde', maar een drankzuchtige sloeber die buiten de maatschappij moest worden gehouden.

De noodlottige daling binnen de hiërarchie van de Veenhuizers was al ingezet toen Cato Braxhoofden, dochter van bewaker Tobias, trouwde met Teunis Gijben, zoon van een 'gewone', niet geprivilegieerde, inderdaad katholieke familie. Het jonge stel trok weg uit de kolonie en werd landarbeider, maar redde het niet; ze keerden terug, kregen kinderen, en behoorden voor altijd tot de paupers.

Het was Roza, Suzanna's grootmoeder, die terugklom op de maatschappelijke ladder. Ook háár man was drankzuchtig, m

aar zíj slaagde erin om haar kinderen 'fatsoenlijk' groot te brengen. Roza woonde met haar gezin ook al in een wijk die bedoeld was om arbeiders op te voeden tot nette burgers, in Tuindorp Oostzaan in Amsterdam-Noord, en later in het slechter bekend staande Floradorp. Maar de drang om naar de overkant van het IJ te verhuizen is groot, en het lukt haar.

Twee van de meisjes mogen naar de mulo, en vinden een kantoorbaan. Zelfs Suzanna, in 1964 geboren en opgegroeid in een doodgewoon gezin, voelde lang voordat zij haar achtergrond kende, dat zij geacht werd een dubbeltje te blijven. In de laatste klas van de lagere school luidde de uitslag van haar Cito-toets: vwo. Maar de leerkracht vond haar 'een mavo-klantje'. Haar ouders drukten door dat ze toch naar een havo-vwo-brugklas ging. Daarmee werd een traditie van vernedering definitief doorbroken.

Het pauperparadijs, waarvan de fraaie omslagfoto vreemd genoeg een beeld geeft van het oude Engeland, vertelt twee verhalen. Ten eerste het schrijnende verhaal dat oplicht uit verhalen van 'kolonisten' en de documenten, brieven, geboorte-, overlijdens- en huwelijksakten, resultaat van bewonderenswaardig speurwerk in archieven en op de plaatsen waar de hoofdpersonen leefden. Even lijkt het alsof Jansen haar verhaal zal vertellen als een roman, het geromantiseerde levensverhaal van haar voorvaderen, kleurrijke personages. Het boek begint met een fraaie dramatische scène: een gezinshoofd komt na lange tijd thuis en wil vrouw en kinderen omhelzen. Maar de moeder beschermt haar kroost tegen deze indringer en maant hem te vertrekken. Je zit er als lezer meteen middenin.

In de rest van het boek laat Jansen deze manier van vertellen, 'vanuit' de hoofdpersonen, weer los. Dat is jammer, maar begrijpelijk. Want al snel wordt het verdrietige maar door het patina van het verleden omfloerste verhaal doorkruist door een tweede verhaal: dat van het onderzoek zelf. Jansen vertelt minutieus hoe ze te werk is gegaan. We zitten met haar in de bus in Drenthe, we luisteren mee bij interviews en wandelen met haar door de Jordaan, waar haar grootmoeder opgroeide in een souterrain. En we worden deelgenoot gemaakt van haar schrik en mededogen bij de onthutsende feiten die zich opstapelen.

De laatste volwassene in de familieketen is het medium geworden van de vorige vijf generaties die een leven leefden van armoede en schaamte. In haar, de schrijfster, trilt die droevige geschiedenis nog één keer na. De persoonlijke inzet en betrokkenheid waarmee Jansen haar gevonden familieverhaal vertelt, maakt grote indruk.

Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met de Volkskrant?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van de Volkskrant rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright @volkskrant.nl.
© 2021 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden